alsof de duvel ermee speelt

Na een afspraak met mijn uitgever liep ik Amsterdam CS binnen, onderweg naar Eindhoven, naar huis. Spitsuur, eind van de middag. Ik hoorde een man vloeken en tieren, links van me, en zag hem woest de trap naar een perron afdalen, gevolgd door een vrouw van de NS. Ze deed haar best om hem bij te houden en hem iets uit te leggen. Een witte man van rond de vijfenvijftig. Een nette man, een sjaaltje, een sjiek brilletje. Ik kon slechts flarden horen van wat hij liep te schelden: ‘… Marokkanen…’ ‘… want we weten allemaal hoe het zit…’ ‘… minder, minder, minder?… Ja, zeker minder ja!…’ De vrouw van de NS liep er hulpeloos achteraan en liet hem toen maar gaan. Ze zag me kijken en haalde haar schouders op. ‘Wat kan ik nog tegen zo iemand zeggen?’ vroeg ze. Bleek dat de man de Thalys was ingestapt met een regulier treinkaartje. Ik vermoed dat hij naar Rotterdam wilde, aangezien de Thalys naar Antwerpen ook in Rotterdam stopt. De conducteur in kwestie, een man van Marokkaanse origine, had hem geweigerd. De vrouw en ik keken hem na. Tierend verdween hij in de mensenmassa. 

Ik kan het niet bewijzen, maar ik weet zeker dat die man met zijn gevloek allerlei vertragingen en uitgevallen treinen heeft veroorzaakt. Misschien heeft hij bepaalde kwade goden aangeroepen. Ik keek op het digitale bord met vertrektijden en zag overal die donkerblauwe balken des onheils verschijnen. Op één uitgevallen traject was zelfs sprake van een aanrijding met een persoon. De vervloekende man had bepaald geen halve maatregelen genomen.

Spitsuur, haast, drukte. Wanhoop en verwarring in ieders ogen. Overvolle treinen. Oogcontact: weet jij meer, waar moet ik heen, worden er bussen ingezet? Drommen mensen voor de deuren bij het instappen, amper nog het geduld om anderen eerst te laten uitstappen. Ieder voor zich.

Ik dacht terug aan de heenreis, in de late ochtend, toen ik bij twee Limburgse vrouwen van middelbare leeftijd zat. Hun korte haar vers geföhnd en geverfd. Sjaaltje, leren handtas. Lekker een dagje shoppen in Amsterdam. Het was rustig en ze praatten hun onverstaanbare dialect. Ondenkbaar dat we vertraging zouden oplopen, dat er iets mis zou gaan. Stipt op tijd reden we dan ook Amsterdam binnen.

Het is alsof de duvel ermee speelt, zou mijn moeder zeggen.


Als je dit weekend Sinterklaascadeaus gaat kopen, overweeg dan mijn roman: Bidden en vallen. Wil je deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier.

zoetjes

De secretaresse van de notaris belde. Mijn ex en ik moesten om 12:00 komen tekenen – kosten voor de aangepaste hypotheek, voor het op mijn naam zetten van onze woning – maar nog steeds was het geld niet op hun rekening bijgeschreven. Het stond duidelijk in de mail, zei ze: pas als het bedrag was overgemaakt konden we tekenen. Ik zei dat ik dat niet had gelezen. Dan moest ik het met spoed overmaken, zei ze. Prima, zei ik, maar of het al zó snel zou zijn bijgeschreven, dat betwijfelde ik. Dan kunt u niet tekenen, zei ze. Goed, zei ik. Dan tekenen we later wel. Daar schrok ze van. Zoveel nonchalance was ze niet gewend. Er waren regels in het leven. Kaders. Een bezoek aan de notaris nam je serieus. Ze begon te stotteren van verontwaardiging: ‘Later? Maar u hebt een afspraak om 12:00!’ Waarop ik riep: ‘Ja, maar we kunnen niet tekenen, zegt u net!’ 

Ik had het bericht heus wel zien binnenkomen. Het stond tussen mijn ongeopende mails. Een spijker in mijn hart. Liever maar laten zitten; eruit trekken zou alleen maar meer pijn hebben gedaan. Mijn nonchalance was in feite angst, maar op de school waar ze je opleiden tot secretaresse leren ze je dat vast niet.

Toen ze belde was ik mijn ex aan het helpen met het verwijderen van de meerdere lagen behang in haar nieuwe huurhuis. De vorige bewoner was een oude man, inmiddels overleden. Tijdens het scheuren en bevochtigen en schrapen dacht ik steeds aan zijn adem, die in dat behang moest zijn getrokken.

Om 11:45 reden we naar de notaris. Onze kleren waren vies. ‘Volgens mij moet je eigenlijk in nette kleding naar de notaris,’ zei m’n ex. Waarop ik meteen verontwaardigd brieste: ‘Dat ga ik dus mooi niet doen.’ 

De notaris zat tegenover ons in een generiek kantoor. Een tengere man in colbert en overhemd. Toen hij de kamer had verlaten om kopietjes te maken pakte ik het Natrena-doosje dat op tafel stond en liet zoetjes vallen in de beker met theelepels, in het bakje met paperclips en tussen de theezakjes. Klik, klik, klik. Tot de zoetjes op waren. Toen de man terugkwam tekenden we de papieren.

Op weg naar buiten liepen we langs de receptie. ‘Ik denk dat zij het is,’ zei mijn ex, en ze knikte naar een vrouw voor een computer. De vrouw staarde verbeten naar haar scherm en deed alsof ze ons niet zag lopen. ‘Ik denk het ook,’ zei ik. Ik wilde haar haten maar kon alleen maar medelijden hebben. Met ons allemaal. 


Mocht je deze stukjes nou automatisch per mail willen ontvangen, klik dan hier. Ook stel ik het op prijs als je ze deelt.  

kleine trump

Mijn jongste zoon van zes is een kleine Donald Trump. Ik heb mijn eigen kleine Donald Trump. Als hij om drie uur het schoolgebouw uitloopt heeft hij altijd een klasgenootje vast. Dat klasgenootje pakt hij bij de mouw en trekt hij achter zich aan, naar mij toe. ‘Deze,’ zegt hij dan. Of: ‘Ik neem deze.’ Zo’n kindje knikt instemmend maar timide als ik vraag of hij of zij inderdaad met mijn zoon wil afspreken.

Hij heeft ook een beetje het postuur van Trump: een beetje vlezig. En soms ook het haar: blond en weerbarstig, en als hij in een bepaalde houding heeft geslapen dan gaat het boven zijn voorhoofd van rechtsvoor naar linksachter. Wanneer hij uit bed komt en er zo uitziet dan verheug ik me en laat ik het zo.

Hij zal altijd de grootste helft nemen van een in tweeën gedeeld koekje. Hij is ervan overtuigd dat het vriendje, zou het de kans krijgen, exact hetzelfde zou doen. Ieder kind is een concurrent. Survival of the fittest, etc.

Als op televisie iemand hard valt dan lacht hij erom. Als er een spelshow op is dan kiest hij direct partij, maar als dan gaandeweg duidelijk wordt dat zijn team gaat verliezen kiest hij snel voor een ander. No time for losers.

Hij framet zijn oudere broer. Voor grove leugens draait hij zijn hand niet om. Zijn broer heeft hem geslagen, heeft iets afgepakt, heeft gespuugd. Alles om zijn broer verbannen naar de trap te krijgen.

In de sinterklaasfolder van de speelgoedwinkel heeft hij zo’n beetje alles aangekruist wat niet roze is. Ik vrees het moment waarop hij zijn pakjes ziet en zich realiseert dat het slechts een fractie betreft. Gelukkig weet hij nog niet dat in feite zijn ouders daarvoor verantwoordelijk zijn, want anders zie ik hem goed een verhaal over kindermishandeling verzinnen en daarmee naar de instanties stappen. Crooked parents!

Mijn eigen kleine Donald Trump. Lekker knuffelen.


Roman: Bidden en vallen. Abonneren op deze stukjes: hier

op naar de sterren en daar voorbij

Nasa’s Earth science division is set to be stripped of funding as the president-elect seeks to shift focus away from home in favor of deep space exploration.’ Zo is te lezen in een artikel op de website van The Guardian. Donald Trump wil dat Nasa zich niet langer bezighoudt met de aarde en de impact van de klimatologische veranderingen die, zo beweert hij, niets te maken hebben met onze uitstoot van CO2. De onderzoeken die impliceren van wel noemt hij politicized science. Met andere woorden: het is allemaal politiek, het is allemaal strijd, het is allemaal competitie. Wetenschappers die het broeikaseffect uitdragen doen dat omdat ze streven naar een verschuiving van de machtsbasis. Trump ziet mensen als opportunisten en concurrenten. Iedere mening en iedere emotie – zelfs ieder wetenschappelijk bewijs – heeft als enige functie: manipuleren. Zoals de waard is, etc.

Dus geen geld meer voor onderzoek naar de aarde. Dat geld moet nu naar space exploration. Nieuwe sterrenstelsels ontdekken, onder zijn presidentschap de eerste Amerikaan op Mars zetten, dat soort dingen. Het liefst zou hij de astronaut in kwestie op het puntje van zijn penis zetten en hem met een immense erectie persoonlijk op die planeet droppen. Het penetreren van het universum. Dieper, verder, harder. Er foto’s van maken en die ophangen aan de muren van The White House. Met dank aan. Niet mogelijk zonder.

Een wetenschapper wordt geciteerd: ‘Information on planet Earth and its atmosphere and oceans is essential for our way of life. Space research is a luxury, Earth observations are essential.

Donald Trump kan dat niet horen. Hij hoort slechts de propaganda van een linkse lobbyist. Voor hem kent de aarde geen verrassingen meer. Ik heb me vaak verbaasd over mensen die het universum beschouwen als mysterieus en onverklaarbaar maar de aarde als gewoon en bekend. Alsof we ook maar enig idee hebben wat ‘dit’ is. Wat ‘hier’ is. Wat ons bewustzijn is. Wat materie is. Wat tijd is. Wat wij zijn.

Als je de wereld niet meer kan zien als mysterie dan zul je haar ook niet langer echt koesteren. Slechts nog jouw gefixeerde ideeën erover.

Niet dat Donald Trump het universum beschouwt als mysterieus en onverklaarbaar. Hij wil er gewoon z’n pik insteken. Het liefdeloos bezitten.


Meer mysterie in je leven? Abonneer je HIER op mijn stukjes. Mijn roman heet Bidden en vallen.

vervellen

Ik ben een vervellende slang. Dat heb ik nu door. Ik heb overal jeuk, mijn huid zit me niet lekker. Ik beweeg niet vrij, niet soepel. Ik zie slecht, troebel, wazig. Ik wring me in allerlei bochten om me van die huid te ontdoen. Onrustig, geïrriteerd. Ik zoek scherpe randjes op en schuur mijn flanken ertegenaan. ’s Nachts heb ik vaak nachtmerries, waarbij ik het benauwd heb en het gevoel heb te stikken. Dan komt natuurlijk omdat ik die strakke koker van huid om me heen heb; de huid die mijn huid is maar toch ook eigenlijk al niet meer. Ik kom los van mezelf maar zit nog stevig om mezelf heen, als een krappe gevangenis. Nee wacht, dat neem ik terug. De slangenhuid ís al een metafoor; om daar dan ook nog een gevangenismetafoor aan toe te voegen is onnodig en lelijk.

Onder de eeltige, droge, loskomende huid glanst mijn nieuwe lichaam. Ik zal weer vrij kunnen bewegen. Ik zal nieuw zijn. Verlost. Nog steeds sterfelijk, zeker. Nog steeds honger, nog steeds strijd, zeker. Maar toch: een metamorfose is aanstaande, dat voel ik, dat kan haast niet anders. 

Als kind van dertien, veertien, had ik slangen in een terrarium. Ik weet nog hoe gefrustreerd ze hun kop tegen een houtstronk schuurden, eindeloos. Hoe fel de kleuren waren vlak na vervellen. Hoe heerlijk opgerold en stralend ze er daarna bij lagen.

Het waren korenslangen. Elaphe guttata guttata. Ik voerde ze ontdooide babymuizen. Ook had ik een grasslang, een dun en fragiel groen slangetje, één van de zeer weinige slangen die insecten eten. Als die ging vervellen ging hij opgerold in zijn bakje met water liggen. Alleen zijn neusgaatjes kwamen dan nog boven het water uit. Dat slangetje heb ik na een paar maanden zachtjes huilend begraven in de achtertuin. Hij bewoog niet meer, hing bungelend over mijn vingers op weg naar buiten. Mijn stiefvader liet zijn krant zakken en vroeg: ‘Wat is dat?’ Ik antwoordde: ‘Mijn slang.’ Waarop hij knikte en verder las.

Maar dat is een ander verhaal. Nu ga ik weer verder met schuren en wurmen.


Je abonneren op deze stukjes kan hier. Mijn roman heet Bidden en vallen.