zomerreces

Het lijkt erop dat ik het deze zomer een beetje rustig aan moet doen. Nu is dagelijks een stukje schrijven heus niet zo stressvol, maar het idee dat het moet, daar kan ik even niet zo goed mee omgaan. Dat komt door heel andere dingen dan schrijven. Hoe dan ook, ik begon met die stukjes omdat ik er behoefte aan had, en die behoefte is er nu even niet. Waar ik wél behoefte aan heb, dat weet ik eigenlijk niet precies. Aan niks, geloof ik. Behoefte aan niks. Ik neem dus een soort van vakantie. Wanneer mijn zoons weer naar school gaan, dan kom ik terug.

Maar dat is natuurlijk niet waar, dat ik niks doe. Want ik ben ook gewoon druk bezig met Wij zeggen hier niet halfbroer, het boek over mijn jeugd. Al in september moet ik het inleveren bij Nijgh & Van Ditmar (heb je dat moeten weer). Publicatie voorjaar 2017. Het wordt mooi, denk ik.

Tenslotte wijs ik u nog even op de uitzending van radioprogramma Nooit Meer Slapen, van afgelopen dinsdagnacht. Ik was te gast en kletste een uur lang met Ester Naomi Perquin over van alles en nog wat. Klik HIER als je ernaar wilt luisteren.

Dat was het. I’ll be back.


Als je je wilt abonneren op mijn stukjes dan klik je HIER. En als je op vakantie gaat neem dan mijn roman mee: Bidden en vallen. Volgens sommigen (o.a. mijn moeder en mijn zoontjes [mijn zoontjes hebben het niet gelezen]) is het de beste roman ooit. Fijne zomer! 

steur

Ik fietste naar de Hurk, een industrieterrein hier in Eindhoven, om te gaan kijken bij de kaviaarproducent waar sinds kort mijn middelste broer en een vriend van me werken. Mijn broer, een voormalig chefkok, is in dienst genomen om de kaviaar te verkopen aan horeca en leveranciers, zowel hier als internationaal. Toen hij er een tijdje werkte regelde hij dat die vriend van me, die al een poosje zonder werk zat, er ook aan de slag kon; hij werkt in de hal met de bassins vol steur.

Mijn broer leidde me rond. De hal was enorm. Rij na rij met die blauwe bassins. Waterfilters, zoals die van een aquarium, maar dan zo groot als de cabine van een vrachtwagen, de vissen en het water zorgvuldig gemonitord door techniek en een bioloog, die vast in dienst is. Ook in dienst is een grote Rus, die de kaviaar op smaak brengt, bij wie kaviaar al generaties lang in de familie zit. De kaviaarmeester, als het ware.

Mijn broer en ik liepen langs die bassins. De steuren varieerden van dertig centimeter tot een meter lang.  Pas na zeven jaar kun je kaviaar uit ze halen. Ze zwommen langs elkaar heen. Sommigen staken hun kopje steeds even boven water. Oogjes die voorbij het begin der tijden leken te kijken. Mijn broer pakte er eentje uit het water, met één hand. Een kleintje. Ik mocht hem vasthouden. De schubben waren hard en taai, alsof ik een kleine krokodil vasthield. ‘Voel je die kracht?’ Ja, die voelde ik. ‘Zo voelt een dinosaurus,’ zei hij. 

Mijn vriend liep daar ook rond, met die grijns die ik zo goed ken. Hij droeg rubberen laarzen. Ik legde mijn hand op zijn buik, die een stuk minder bol stond dan voorheen. ‘Alweer vier kilo kwijt, jongen,’ zei hij trots. Want hij moet dus de hele tijd met de grote, levende steuren sjouwen. Soms, als hun geslacht bepaald moet worden, tientallen op een dag. Mijn broer, een grote kerel die zelf ook wel een buikje heeft, lachte en zei: ‘Dit is het beste wat hem had kunnen overkomen.’

We liepen langs een betegelde ruimte, een beetje zoals de kleedkamer van een zwembad. Daar stonden twee kerels met een steur. Eén van hen mepte de steur met een houten knuppel op de kop. Toen werd de steur ondersteboven opgehangen, sneden ze zijn strot door en bloedde hij dood. De Halal-methode is dat, geloof ik. Het was een mannetjessteur; die worden alleen gebruikt voor het vlees en de huid, waar leer van wordt gemaakt. (Tasjes, riemen, etc.) 

Ik fietste door de zon naar huis. Wat wonderlijk, dacht ik. Hoe het allemaal gaat. Hoe we terecht komen waar we terecht komen. Vriendschap. Familie. De mens en de dingen die we doen. Kleine dinosaurussen in blauwe bassins. The finest caviar, gewoon uit Eindhoven. Dat het allemaal mogelijk is. Dat het allemaal zomaar kan. 


Ik verstuur deze stukjes ook als nieuwsbrief. Klik HIER als je dat leuk vindt. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen.

in memoriam: heintje bondo

Huub_van_Bijnen_alias_Heintje_Bondo_

Gisteren nam ik afscheid van een oude vriend. Hij is negenenzeventig jaar oud geworden. Zijn naam was Huub van Bijnen maar in Eindhoven kenden we hem onder zijn artiestennaam: Heintje Bondo. Levend standbeeld, goochelaar, clown, straatmuzikant. Zelfs een tijdje kunstschilder. Als kind woonde hij in een weeshuis met paters, ergens bij Den Bosch, en later begeleid zelfstandig hier in Eindhoven. Eigenlijk altijd alleen. Boven de voordeur hing een bordje: Villa Bondo. Een huis vol poppen, exotische kostuums, instrumenten, een kat, en ook had hij een tijdje duiven. En goudvissen, die iedere week doodgingen en werden vervangen, tot Huub er tabak van had. Dan zei hij kwaad: ‘Die vissen gaan iedere keer dood!’ Alsof ze het deden om hem te jennen. De kat gaf hij vanillevla te eten; hij goot het zo over het opgedroogde blikvoer heen. Ook lagen er altijd papier en pennen. Hij schreef liedjes, maar ook brieven, aan o.a. Ajax, de burgemeester en het Engelse koningshuis. Hij spendeerde soms vijftig euro in een fotostudio, waar hij zich dan liet portretteren als paus, clown of sexy vrouw. Zijn droom, ook nog op hoge leeftijd, was om bekend te worden.

4315942369_82aa5a2eae_b

Ik leerde hem kennen in 2009. Op verzoek van een lokale uitgever ging ik kijken of er een leuk boek over hem te schrijven was. Dit was zes jaar nadat Theo Maassen een korte, ontwapenende docu over hem maakte, De Onterechte Kampioen, waarin Huub meedeed aan een wedstrijd voor levende standbeelden in Arnhem (en verloor van de onterechte kampioen).

Toen ik hem leerde kennen was hij tweeënzeventig. Ik had net mijn debuutroman geschreven en had geen enkele ervaring met non-fictie. Een jaar lang trok ik met hem op. Ik ging met hem boodschappen doen, bezocht familie en fungeerde als zijn manager toen hij eens een optreden had bij de kantine van een voetbalclub, waar hij opkwam in een badjas, met daaronder een string, en waar hij Kleine Katinka zong, zijn lange, witte benen dooraderd met blauw. De mannen van die club hadden hem geboekt uit hoon en leedvermaak en ze bekogelden hem met bierviltjes en bitterballen. Hij kreeg tien euro betaald. Zodra die kerels begonnen te gooien en lachen haalde ik Huub daar weg. Hij was het er niet helemaal mee eens, want het ging juist heel goed, vond hij zelf. 

f816bececedd24e4ad7cc47b62fa444f_new_medium

Dagelijks belde hij me zeker tien keer. Of ik dit en dat al voor hem had geregeld. Of ik zijn boek al af had en wanneer hij ermee op tv zou komen. Na zo’n tirade kon hij dan heel goed ineens vragen: ‘Jij heet toch Henk, hè?’

Ik ergerde me soms kapot aan hem. Ik kon ook hartelijk om hem lachen en ik was even vaak vaak ontroerd. Zijn ambitie kende geen grenzen en beschermde hem tegen eenzaamheid en depressie. Als het weer het toeliet was hij iedere dag in de binnenstad te vinden, waar hij winkeliers gek maakte met zijn getrommel. Hij verdiende er zakken muntgeld mee en was gierig als een ekster. 

Schermafbeelding-2011-08-26-om-15.40.33-550x821

Het boek, Mijn nieuwe beste vriend (2009), verkocht amper. Het was te lokaal, te eigenaardig. Wel ging ik ermee naar de Nieuwe Revu, en wist op die manier mijn eerste vaste rubriek te bemachtigen: Van Straten gaat vreemd. Ik zei tegen hen: ‘Ik wil doen wat ik in dit boek doe, maar dan iedere week ergens anders.’

En niet alleen dat. Theo wist ons bij DWDD te krijgen. Hij was tafelheer. Huub ging mee in zijn mooiste kleren. En echt verbaasd was hij niet; dit kwam hem gewoon toe. Voorafgaand aan de uitzending stond hij voor het publiek al liedjes te zingen. Toen de uitzending begon moest ik hem op zijn stoel trekken en stilhouden. Tijdens ons item mocht hij weer zingen. Het was zijn grootste optreden. De piek van zijn roem. Zijn ogen fonkelden.

8046-1

Na het boek kwam onze relatie langzaam tot een einde. Hij kwam nog wel eens bij ons eten met kerst. Mijn oudste zoon, toen nog heel klein, bekeek hem met argwaan. Onze hond gromde (vreemde geurtjes, vreemde lichaamstaal). Hij was enigszins verbolgen omdat ‘de mensen van de televisie’ hem even snel weer waren vergeten. In zijn hoofd ging het nu allemaal pas echt beginnen.

 589fc46a4fdf9955a2e8e0cf8301558e_view

Daarna sprak ik hem jaren niet. Hij werd ouder en verwarder. De stad wist hij niet meer te vinden. Hij ging naar een zorginstelling, waar hij muziek maakte in de zon en waar ze zijn kamer schoon hielden.

Dat was één van de dingen die me opvielen, gisteren, toen Theo en ik hem bezochten in de kamer waarin hij op zijn sterfbed lag. De geur. Ik was gewend aan de geur van urine en zweet. Nu rook ik niks. Hij was schoon.

Zijn mond was ingevallen; zijn kunstgebit verwijderd. Hij ademde zwaar en staarde naar een plek in de verte, voorbij de muur. Mager, dunne huid, bloeduitstortingen, doorligplekken.

5e5357326055e970e124660e40d86223

Zijn neef zei: ‘Pak zijn hand vast. Hij reageert nog met zijn handen.’ Theo deed dat. Ik zat aan de andere kant van het bed en aarzelde. Zijn vrije hand was te ver weg. Ik streelde even zijn arm en legde toen aarzelend mijn hand op zijn knokige schouder. Ik ga niet makkelijk met dit soort dingen om. Ik ben een lafaard. Ik wil weg, ben bang dat de dood me besmet. Ik voelde gêne toen ik tegen hem sprak. Ik was meer bezig met mezelf – hoe te handelen, hoe te zijn, hoe me te voelen – dan met degene om wie het ging. Theo doet dat veel beter. Die is kalmer, liefdevoller, dichterbij.

Na een kopje koffie en veel stilte verlieten we de kamer. ‘Dag Huub,’ zeiden we. ‘Rust lekker uit.’ Buiten was het zonnig. We reden naar huis. Theo moest zijn dochtertje van school halen. Ik had een vrije middag en geen idee.

bondo

Huub is diezelfde dag, gisteren, om vijf uur ’s middags overleden. Ik kijk nu naar hem. Ik heb zo’n portretfoto van hem aan de muur hangen. Hij is verkleed als paus. Ik lach, omdat ik hem in gedachten die fotograaf het leven zuur zie maken. Huub was veeleisend. De foto is goed gelukt. Hij moet daar uren bezig zijn geweest. De andere klanten in die zaak moeten hem hebben geroken. De fotograaf moet wanhopig naar hen hebben gekeken toen ze na een tijdje weer zijn winkel verlieten, en toen hij Huubs vijftig euro moest samenstellen van kleine muntjes. Huub zal dat een worst zijn geweest. Alles moest wijken voor zijn roem. Maar het was die drang, die tomeloze energie, waarmee hij zijn plek in de wereld opeiste. Hij is gezien. Hij is gehoord. Hij was Heintje Bondo.


Klik HIER om Theo’s mooie documentaire te kijken (37 minuten). Schrijf je HIER in als je mijn stukjes als nieuwsbrief wilt ontvangen.

sláinte mhath

Gisteren voelde ik ineens kriebel in m’n keel. Die kriebel werd keelpijn. Het duurde even voor het besef was ingezonken. Woensdag 6 juli – redelijk zonnig, redelijk warm – lijkt een vreemde dag om verkouden te worden. Alsof het virus zich had vergist. Alsof ik tegen het virus kon zeggen: ‘Euh, pardon?’ en dat het zich dan verontschuldigend zou terugtrekken.

Toen ik mijn jongens bij hun respectievelijke vriendjes had opgehaald en met ze naar huis reed parkeerde ik nog even snel bij de slijterij voor een fles whisky.

De notie dat whisky helpt tegen keelpijn of verkoudheid is een romantische, folkloristische. Misschien zelfs een masculiene of machistische. In ieder geval is er, lijkt me, geen serieuze arts te vinden, en geen empirisch onderzoek, dat zal stellen dat whisky daadwerkelijk helpt tegen keelpijn en verkoudheid. Sterker nog: drink er te veel van – en die kans is groot, want de roes doet de keelpijn vergeten – en je brengt je weerstand alleen maar schade toe.

Toch kocht ik whisky. Onderschat nooit de kracht van romantiek, folklore en traditie; de overtuigingskracht van de generaties voor jou. 

Het geld voor een dure single malt had ik niet, maar ik wilde ook geen smaakloos spul als Red Label of Famous Grouse kopen; de smaakbeleving is onderdeel van de ingebeelde heilzame werking. Ik koos een onbekende, jonge, Schotse blend van 19,99. Firean. (Pronounced ‘Fir-ee-an’, Gaelic for golden eagle.)

Ik dronk ervan tijdens het koken. Rokerig en zwaar voor de prijs en leeftijd. Ik was trots op mezelf.

Mijn jongens keken tv. Of beter: lagen voor de tv te vechten. Van de opwinding. De volgende dag – vandaag – zouden ze op schoolreisje gaan.

Toen ik even bij ze ging kijken vroegen ze of ik met ze kwam stoeien. Ik stond daar ouwelijk met m’n glaasje whisky en zei nee. Een norse vader met kwaaltjes.

’s Avonds lag ik in bed. Mijn zoontjes ook, van mij gescheiden door een dunne wand. Een beetje koortsig lag ik te lezen en van mijn gouden arend te nippen. Sláinte mhath: geniet er rustig van. Mijn oudste kon niet slapen en kwam bij me binnen. Een laatste omhelzing. Hij zal de whisky op mijn adem hebben geroken. En zo, besefte ik, werd er weer een beeld en een geur toegevoegd aan de caleidoscoop die later de herinnering aan zijn vader zal zijn. Een man in een éénpersoonsbed, met een boek, en de geur van whisky. Een verlengstuk van zichzelf. Tegelijkertijd een volslagen vreemde.


Ik maak je er een laatste maal op attent: mijn Nachtzoen (EO/ IKON) van afgelopen maandagnacht kun je HIER terugkijken. Deze stukjes verstuur ik ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen

tinder shame

Laatst vertelde ik een meisje dat ik wel eens dates heb dankzij Tinder. Ze zei toen: ‘Tinder, Henk? Serieus?’

Ik had de neiging om me te verdedigen. En misschien ging aan die neiging een kleine golf van schaamte vooraf. Ik zei iets als: ‘Ja, maar heus niet alléén van Tinder hoor!’

Ik zet Tinder erop, haal het er weer af, zet het er weer op. En die toon, zoals van het meisje hierboven, bespeur ik wel vaker. Als mensen Tinder niet gebruiken dan zeggen ze dat altijd met enig dédain. Alsof ze willen zeggen: Zo laag ga ik niet zinken. Alsof het alleen is voor de wanhopigen onder ons. Maar ook zeggen ze het soms zo fel dat ik vermoed dat er een zekere angst achter schuil gaat. Ze willen niet aan Tinder denken, willen het niet overwegen, willen er niets van horen, omdat die app voor hen – ten onrechte, denk ik – voelt als een zwaard van Damocles: de dag dat ze een Tinder-account aanmaken is de dag dat ze toegeven dat niemand ze meer wil, dat hun kans is verkeken en dat ze zichzelf als een rauwe biefstuk in de vitrine van de slager moeten gooien, alwaar een dikke, rood-aangelopen kerel met kwijl op zijn kin naar hen wijst en zegt: ‘Doet u mij die maar, slagertje.’

En die angst, die afkeer, projecteren ze dan op anderen. Tinder? Serieus? Ben je zó laag gezonken?

Gek genoeg ervoer ik dit principe laatst van de andere kant. Ik zat wat te swipen en zag ineens een jonge intellectuele vrouw voorbij komen, een redelijk bekende schrijver en essayist. Ik betrapte mezelf erop dat ik haar ineens iets minder hoog had zitten dan daarvoor. Dat ik zelfs een soort medelijden voelde. Grote onzin, natuurlijk. Misschien heeft het ermee te maken dat negentig procent van de vrouwen op Tinder vrouwen zijn met foto’s van de Color Run, hun huisdier, een leuke vakantie, een kek feestje en een paar prettig gestoorde vriendinnen. Als je dan zo’n dame als die essayiste ertussen ziet staan is het toch een beetje alsof ze zich onder het plebs heeft geschaard.

Ik realiseerde me dat ook dát voor mensen en reden kan zijn om niet aan Tinder te beginnen: de angst om te zakken in de achting van de ander. Of misschien meer nog: in de achting van jezelf.


Afgelopen nacht was ik voor de tweede keer te gast bij De Nachtzoen. Dat is HIER terug te kijken (duurt vijf minuutjes). Ik verstuur deze stukjes ook als nieuwsbrief; klik HIER. Mijn roman heet Bidden en vallen

stukje varen

Mijn drie oudere broers en ik gingen een dagje varen op de Vecht. Mijn oom woont daar ergens; we mochten zijn bootje meenemen. Eigenlijk zijn mijn broers mijn halfbroers, maar dat leg ik allemaal nog wel uit in het boek dat ik aan het schrijven ben: Wij zeggen hier niet halfbroer. Als ze er negatief in worden beschreven dan zal er tzt nog zo’n boottochtje worden georganiseerd, vermoed ik, waarbij zij dan ook vuilniszakken, touw en zware stenen zullen meenemen. 

Het heeft iets moois, varen. Je kunt geen kant op en toch ben je onderweg. Dus je kunt lekker praten, zonder het gevoel te hebben dat het moet, omdat je ook gewoon bezig bent. Beetje oriënteren, beetje vissen, broodje smeren.

Er was zon en we hadden biertjes. Mijn oudste broer stond aan het roer. We moesten handmatig een sluis openzetten. Er was één laag brugje waarbij met z’n vieren voorin moesten gaan zitten, zodat ons gewicht de punt ver genoeg naar beneden zou drukken. Er moest een beetje worden overlegd, er moest een beetje worden nagedacht. 

Reiger, fuut, eend.

Vrouwen. Niet daar, maar in woord. Onze huwelijken, past or present. Het gezin. Het gaat ons niet makkelijk af, daarover praten, maar het motortje van de boot leek ook ons gesprek voort te duwen.

Gin-Tonics op de lounge-stoelen van een duur zaakje aan de kade. Echtparen aan de witte wijn, grote zonnebrillen. Ik liep naar binnen om te plassen; ze keken naar mijn slordige baard, capuchon en tatoeages en vroegen of ze me ergens mee konden helpen.

Eind van de middag, aangemeerd. Mijn middelste broer wilde nog wat vissen vanaf de kant. Hij zette de lijn uit en kwam bier drinken. Na een tijdje ging hij kijken en had hij een piepklein voorntje gevangen. Hij verwijderde de haak en liet hem vrij, maar even later kwam de voorn boven zwemmen, akelig traag en suf, en dreef toen op zijn zij. We stonden er met z’n vieren naar te kijken. Mijn broer pakte hem uit het water, sloeg hem met zijn kop tegen de steiger en wierp hem tussen de waterplanten. Daarna gingen we weer bier drinken.

Voor me op tafel kwam een poes liggen. Ik aaide haar. Ze knorde, kon door haar genot haar lijf niet stil houden. Toen ik was gestopt met aaien had ze nog stuiptrekkingen, als een vrouw na een hevig orgasme. De namiddagzon wierp haar in een goud licht, en in dat licht zag ik ook mijn broers, en mijn oom, en hoorde ik ze praten, en even was het alsof ik het me allemaal al herinnerde.

Soms is alles wezenlijk. Soms kun je geen slokje van je bier nemen zonder het gevoel te hebben dat je er de kern van het bestaan mee blootlegt.  


Ik verstuur mijn stukjes ook als nieuwsbrief. Abonneer je HIER. Het boek waaraan ik werk verschijnt, als alles goed gaat, voorjaar 2017. Mijn roman heet Bidden en vallen.

galveston

Ik lees een boek. Een crime novel. Op het omslag staat gewoon a novel, natuurlijk juist om aan die genreduiding te ontsnappen. En misschien is dat terecht.

Galveston, geschreven door Nic Pizzolatto. Ik kocht het boek omdat hij, Pizzolatto, tevens de bedenker en schrijver is van de serie True Detective. Die serie, althans het eerste seizoen ervan, vond ik – op één aflevering na (die met die ongeloofwaardige oorlog tussen bikers en gang members) – geweldig. De personages, gespeeld door Woody Harrelson en Matthew McConaughey, waren intrigerend en fris. Bijzonder gedenkwaardig waren de vreemde monologen van McConaughey, tijdens zijn kruisverhoren, terwijl hij poppetjes sneed uit lege bierblikjes (in zijn boek laat Pizzolatto dit zijn hoofdpersonage ook een keer doen; een kleine knipoog naar de serie). Het zijn filosofische, mysterieuze, soms bijna apocalyptische mijmeringen.

Roy Cady, hoofdpersonage in Galveston, is er ook weer zo eentje. Een zwijgzame bad ass, groot en lomp. Een enforcer, iemand die voor de baas wanbetalers gaat bezoeken. Harde jeugd, hard leven, harde maatregelen. Maar een denker. Een duistere filosoof. En toch ook een hart, ergens, diep van binnen. Het verhaal: hij hoort dat hij ongeneeslijk ziek is, ontkomt aan een moordaanslag geregisseerd door zijn eigen baas en slaat op de vlucht, noodgedwongen met een jonge vrouw en haar zusje op sleeptouw.

Indachtig zijn eigen aanstaande dood ziet hij alles door de bril van de vergankelijkheid. Overal ziet hij het verleden terugkomen in het heden, ziet hij hoe alles zich herhaalt. En steeds heeft hij het gevoel dat hij iets over het hoofd ziet, dat hij iets belangrijks vergeet, alsof het leven zich nét niet helemaal aan hem openbaart. Maar hij zwijgt. Hij doet wat gedaan moet worden. 

De jonge vrouw, eveneens diep in de sores, klaagt eens tegen hem over de ellende die ze moet doorstaan: ‘It doesn’t seem fair,’ zegt ze. Waarop hij antwoordt: ‘It doesn’t seem fair because it’s random. But that’s why it’s fair. You get me? It’s fair like a lottery is fair.

Dat bedoel ik, dat vond ik een schitterend zinnetje. Als hij een vergadering van ex-alcoholisten bijwoont concludeert hij: We come here to tell stories so that we can manage the past without being swallowed up by it. Het boek staat er bol van.

Als Roy praat, wat hij zelden doet, maar wel ineens tegen deze jonge vrouw, dan heeft hij daarna spijt. I sensed that I had wronged myself by talking so much. Praten is jezelf delen. En als je jezelf deelt, dan bezit de ander een stukje van je. 

Een heerlijk personage. Een heerlijk boek. Laatst liftte ik voor Volkskrant Magazine mee met thriller-schrijver Karin Slaughter. Zij vond Galveston maar niks en deed wat hautain over Pizzolatto. Ik besloot toen dat ik geen boek van haar hoef te lezen.


Galveston is ook in het NL’s verkrijgbaar. Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Tatum Dagelet. Deze stukjes als nieuwsbrief? Klik hier. Zelf schreef ik ook een boek: Bidden en vallen

een brief

Op mijn tafel ligt een envelop van de notaris. Een envelop die, in zekere zin, al twee jaar lang naar me onderweg is geweest.

Het raam staat open. Ik hoor de onderburen hun tuin vegen. Grijze wolkenfronten vreten aan een laatste kavel blauw. In de keuken staat een aluminium koffiepotje; ik wil koffie maken maar ik weet dat het potje nog vies is en dus laat ik het zo. Sowieso vind ik koffie zetten te triviaal.

Werken wil ook niet echt lukken. De onderbuurman duwt een kliko door het gangetje; de wieltjes rollen over de spleten tussen de tegels. Ik luister en ik voel een gemis wanneer het geluid is opgehouden. Vogels zingen in de bomen. Dan luister ik daar maar naar.

Kleine dingen, kleine concentratie. Zelfs nagelbijten is ineens te futiel om nog aan te beginnen. Ik zou kunnen stofzuigen of afwassen. Ik denk dat dat zal helpen, dat ik daar een opgeruimd gevoel aan zal overhouden, maar aan de andere kant: mijn god, een beetje met die afwasborstel in de glazen gaan staan peuren, met als enige doel dat die glazen er schoon van worden. Ik zou alle glazen wel in de glasbak willen gooien, en dan nieuwe kopen. Maar hoe? In een winkel? Echt naar een winkel gaan en daar glazen uitkiezen en die dan afrekenen, in alle ernst?

Geef me liever weer zo’n geluid als dat van de kliko. Geef me het kleinste, meest banale geluidje dat je me kunt geven. Laat het ritmisch zijn. Laat het almaar doorgaan.

Ondertussen heeft het grijs het blauw helemaal opgegeten. Dat is geen metafoor. Ik wil daar niets mee zeggen. Ik zeg gewoon wat ik zie.

Op tafel, naast de envelop, liggen Lego-poppetjes. Ze liggen verspreid, op hun rug en op hun buik, als na een veldslag. Maar ze zijn niet dood. Ze liggen daar te doen alsof. Ze wachten af. Ze wachten op mij. Als ik opsta en de wereld weer inga dan zullen ook zij opstaan. ‘Dat duurde echt fucking lang,’ zullen ze tegen elkaar zeggen, terwijl ze elkaar overeind helpen en het stof van hun kleren slaan. ‘Zag je hem staren? Dat was the thousand yard stare, man! Dit keer dacht ik echt: die blijft daar voorgoed zitten.’ Een ander zal zeggen: ‘Ik ook, man, ik ook. Maar zie, hij is alweer opgestaan. Ik zei het al eerder, en ik zeg het nu weer: het komt echt wel goed met die jongen.’

Ze zullen naar elkaar knikken en dan doen wat Lego-poppetjes doen wanneer je er niet bij bent. Laatst kwam ik thuis en vond ik er eentje naast de afstandbediening. De tv stond aan. SBS fucking 6. Dat poppetje heb ik een kwartier lang onder mijn oksel geklemd.   


Deze stukjes ontvangen als nieuwsbrief? Klik hier

mbt schrijven

Ik was op muziekfestival Down The Rabbit Hole om wat te vertellen over schrijven.

Het was 11:00 en het terrein nog zo goed als verlaten, iedereen nog slapend in z’n tentje. De locatie van mijn praatje was een houten kerkje. Ik had geen publiek; we besloten wat later te beginnen.

Er kwam een Vlaamse dame binnen. Speciaal voor mij, zei ze, omdat ze me een dag eerder, in een andere tent, waar ik helemaal niet was, ook al een verhaal had zien vertellen, en dat had ze heel goed gevonden. Het bleek Rutger Lemm te zijn geweest, die kleiner is dan ik en geen tatoeages heeft. ‘Je lijkt sprekend op hem,’ zei ze. Ik wees naar mijn tatoeages. Ze haalde haar schouders op. Nu is het dus officieel: tatoeages maken echt op niemand meer indruk.

Uiteindelijk druppelden er nog een man of vijftien binnen. Eén brak stelletje hoorde me een minuut aan en vertrok weer. 

Na afloop van mijn verhaal vertelde een vrouw dat ze dacht non-fictie wel te kunnen schrijven, maar dat fictie haar onvoorstelbaar moeilijk leek. Ik antwoordde dat voor mij het verschil niet zo groot is. Materiaal is materiaal, of het nu in je hoofd is ontstaan of daarbuiten. Personages zijn personages, echt of verzonnen. En veel van de afwegingen zijn hetzelfde: begin ik met een beschrijving, met dialoog, met een analyse? Wat laat ik weg, wat niet? Wat is belangrijk? Wat is het verhaal? Bovendien wordt non-fictie altijd pas naderhand opgeschreven, en dus put je uit herinneringen, notities en geluidsopnamen. Het verleden ís al fictie.

Ik vertelde dat ik altijd alert ben op emoties, op de kleine gebeurtenissen, omdat ik daarin het materiaal voor mijn stukjes vind. Als ik ontroerd ben, of me rot voel, of gefascineerd ben door iemand in de trein, dan gaan er alarmbellen af. Want die ontroering, die komt ergens vandaan, daar zit iets, en dat is wat ik zoek. 

‘Maar is dat niet ook vervelend?’ vroeg een meisje. ‘Dat je op het moment zelf meteen bezig bent met een nieuw stukje?’ Ik knikte. Want het is zo: een moment, of een emotie, kan ik vaak niet ondergaan zonder er in gedachten al de eerste woorden over te typen, waarmee ik een scherm optrek tussen mij en de ervaring. Ik zei dat ik die reflex desondanks niet kwijt zou willen, omdat ik verder nergens goed in ben.

Na afloop liep de kerk leeg. Ik stond nog een beetje te dralen. Het praten had me uitgeput. Dat voel ik altijd pas wanneer ik weer mag zwijgen. En er is een soort gewetensnood, omdat ik vermoed dat ik de dingen net iets anders heb verwoord dan ik bedoelde.

Ik keek door de deuropening naar buiten. Het was inmiddels gaan regenen. Ik wist: hier zit een stukje in.


Leuk als je mijn stukjes wilt delen. Ik verstuur ze ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.

repent or perish

Het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie is onheilspellend. Zo voelt het wel, toch? Nu vertrekken zij, dan Frankrijk, dan wij, etc. Ieder voor zich. Dan ieder tegen de ander. Het uiteenvallen van een werelddeel. De ondergang van een samenleving.

Ik verbaas me erover dat er nog geen eind-der-tijden-predikers zijn opgestaan. Als ze wél al zijn opgestaan, dan zijn ze in ieder geval niet erg zichtbaar of populair. Gek toch? Dit lijkt me de tijd bij uitstek om met Armageddon te dreigen en zieltjes te winnen. 

Door de hele geschiedenis heen werden op die manier nieuwe religies opgericht. Ze begonnen altijd met een rebel, iemand die tegen de heersende religie in opstand kwam. Want als een religie eenmaal groot is, dan worden de priesters dik en zelfvoldaan en moge de rijken hun zonden afkopen. De kunst, als profeet, is dan om, vanaf je sinaasappelkistje, de sluimerende ontevredenheid onder het volk aan te wakkeren. Belangrijk daarbij is dat je dreigt met de Apocalyps. Sluit je aan bij het ware geloof, voor het te laat is. Als de revolutie dan is geslaagd, en jouw religie is aan de macht, dan worden er in jóúw naam kerken gebouwd, met steeds meer goud, en steeds rijkere priesters. En voor je het weet staat er op de hoek van de straat weer een nieuwe boze profeet te schreeuwen.   

Precies zo ging het bij Jezus. (Ik was erbij, moet je weten.) Hij zag de kerken, de pracht en praal, de decadentie, het nepotisme, en hij zag dat het verkeerd was. Hij zei: hoeren en criminelen, jullie mogen er allemaal bij. Jullie kunnen jezelf redden, sluit je aan. Dat was slim. Het lukte. Vervolgens verviel natuurlijk ook het Christendom in decadentie, nepotisme, machtsmisbruik, extremisme, moord, etc. En zo was het cirkeltje weer rond. Toen kreeg je de boze Luther. Enfin, ad infinitum.

En weet je, eigenlijk hebben de Brexiteers exact hetzelfde gedaan. Ze stonden op een sinaasappelkistje en waarschuwden het volk voor rampspoed. Hun belofte was een puur Verenigd Koninkrijk. Hun doemscenario was een land zonder eigen cultuur, vol met serieverkrachters. Sluit je aan en red jezelf! En het lukte. Het volk was ontevreden en bang genoeg om hen te volgen, de heersende klasse rijk en zelfzuchtig genoeg om die woede te valideren.

Maar goed, wat wil ik hier nou eigenlijk mee zeggen? Ik weet het niet precies. Misschien dit: mócht je het einde van de wereld willen prediken, now would be the time to do so.


Een stukje op zaterdag. Kan gewoon. Als je de stukjes als nieuwsbrief wilt ontvangen, klik HIER. Roman: Bidden en vallen.