oeverloos

Ik zat laatst met een meisje/ vrouw op de bank. We dronken wijn. Ik had haar van te voren gewaarschuwd: Ik ben moe en in mezelf gekeerd. Toch wilde ze komen. We dronken wijn en praatten. Ik hoorde mezelf praten. Ik praatte veel en energiek. Na een tijdje lachte ze, en zei: ‘Ik dacht dat jij moe was?’ Waarop ik schaapachtig glimlachte.

Later las ik een passage in de roman Above the Waterfall, van Ron Rash. Het hoofdpersonage is een sheriff, een beetje een einzelgänger. Een andere man zegt tegen hem: ‘You always were a kind of different person that way. That’s okay. These last few months, I understand more and more why you’re that way. People take too much from you, don’t they? You have to pull away awhile, keep the contagion at a minimum and only then with a few kindred spirits.’

Dat gevoel heb ik ook vaak. Onder de mensen krijg ik gestalte, en die gestalte kost me energie. Ik ga praten, ook al ben ik in mezelf gekeerd. Het is dus niet zo zeer dat zij me besmetten (keep the contagion at a minimum), of dat zij te veel van me vergen (they take too much much from you), maar eerder dat ik mezelf niet kan doseren, en ik mezelf dus energie kost. Al vóélt het wel zo, die besmetting, en die zuigende kracht van de ander. En dat van die kindred spirits, ook dat komt overeen; de weinigen bij wie het zijn me geen moeite kost.

Op feestjes of borrels zien mensen me soms als een vis in het water, terwijl ik gevoelsmatig eigenlijk al aan de oppervlakte drijf. Het is vaak een reden om niet te gaan.

Tegen het einde van Bidden en vallen, mijn roman, ligt personage Tom Kuiper in een coma. Iemand roept hem, spreekt hem aan. En de naam gaf hem vorm, schrijf ik dan. Het is de laatste zin van dat deel. Ik zal er ongeveer hetzelfde mee hebben bedoeld, al weet ik dat niet helemaal zeker.    

Above the Waterfall is een mooi boek, trouwens. (In het Nederlands verkrijgbaar als Boven de waterval.) Een boek vol stilte, ruimte en gewogen woorden. Al had één van de twee perspectieven, dat van Becky, wat mij betreft helemaal geschrapt mogen worden. Oeverloos gewauwel zonder functie. De redacteur had streng moeten zijn. Meedogenloos. Maar misschien had hij of zij er de kracht niet voor.


Deze stukjes per mail ontvangen? Dat kan hoor! Klik hier

kleuren/ goud

‘Papa, een jongen schopte me net keihard zonder reden.’

Ik loop met m’n oudste zoon mee, over het gras, voorbij het zwembad met kniehoog water, voorbij een paar speeltoestellen, voorbij ouders en kinderen. ‘Daar, hij, met dat FC Barcelona shirt.’

Ik zie de jongen zitten op een grote draaiende schijf. Naast andere kinderen. Een dikkige jongen, bruin als pure chocola. Hij ziet me naderen. ‘Jouw zoon gooide met zand.’ Waarop mijn zoon roept: ‘Helemaal niet!’ Ik vraag de jongen of hij mijn zoon daadwerkelijk zand heeft zien gooien. ‘Nee, maar anderen zagen het, en wie zou het anders gedaan moeten hebben?’ Hij kijkt me niet aan als ik tegen hem praat, dus ik knip met mijn vingers, vlak naast zijn oren. ‘Als je geen bewijs hebt moet je niet schoppen,’ zeg ik, mijn hartslag hoog. ‘Anders kan ook ik zomaar gaan schoppen, snap je?’

Ik loop bij de jongen vandaan, meteen al schuldbewust en vol van spijt. Want wat ik deed wás ook schoppen zonder bewijs. Ik schopte met mijn mond, en ik kon niet zeker weten of mijn zoon niet met zand had gegooid.

Ik zit met een boek, in de schaduw, vlakbij het ondiepe zwembad. Mijn jongens zijn de hort op, ergens in dit speelpark. Even verderop zitten vier moeders met hoofddoek, volledig gekleed. Het kindje van één van hen, een klein meisje, drijft met haar gezicht naar beneden in het water. Haar moeder ziet het en vliegt erheen. Haar kleren wapperen en het is net of ze geen benen heeft, alsof ze echt vliegt, als in een sprookjesfilm. Ze is er op tijd bij; het kindje proest.

Twee vrouwen lopen me voorbij. Wit, maar zongebruind. Een paar tattoos, een gouden kettinkje. Hun billen gaan op en neer, hun zwembroekjes er dunnetjes tussenin. De één praat en de ander luistert. Degene die praat is aan het klagen, dat kan ik aan haar gezicht zien. Hun billen lijken los van hen te bewegen, alsof ook zij met elkaar praten, en een heel eigen gesprek voeren.

‘Ik heb vriendjes gemaakt!’ Mijn jongste staat ineens voor me en wordt aan beide zijden geflankeerd door een bruin jongetje, ik denk van Indiase origine. De ene heet Panjan, de naam van de andere versta ik niet goed. De twee jongetjes knikken naar me, alsof ze willen bevestigen wat mijn zoon heeft gezegd, dat ze inderdaad vrienden zijn, dat mijn zoon hier geen onzin staat te verkopen.

In het zwembad staat een heel dik, wit kind. Zijn buik hangt over zijn zwembroek. Hij speelt met andere kinderen. Ze gooien met een bal en spetteren. Een reusachtige zon omringd door kleine planeten. Zich nog niet bewust van zijn voorkomen. In zijn blik nog geen schaamte, hooguit een beetje onbeholpenheid.

Een groepje Marokkaanse puberjongens slentert voorbij. Petjes tot laag over het voorhoofd getrokken, nektabba-tasjes om het bovenlijf. Verveelde blik in hun ogen, al lijkt die blik ook een beetje voor de bühne te zijn. Ze lopen een paar witte meisjes voorbij. Hun houding verandert. Ze willen zich nóg laconieker voortbewegen, maar ze weten niet hoe. De meisjes kijken gezamenlijk op één smartphone en giechelen.

Een witte, oudere man, type professor, loopt naar het zwembad met een kindje aan de hand. Hij draagt een polo en een bril. Hij kijkt een beetje verward, alsof hij zojuist uit de bibliotheek van een universiteit is komen lopen en zich ineens hier bevindt, zonder te weten hoe dat kan, met een vreemd kind aan de hand.

De zon schijnt op alles. Alles is tegelijkertijd de kleur die het van zichzelf heeft én goud. Dus geen laagje goud óver alle dingen, maar alle dingen zowel goud als een andere kleur. Geen mix, geen tussenvorm. De bomen groen maar ook goud. Het water blauw maar ook goud. De kinderen bruin, beige, wit, maar ook goud. Ik kijk naar mijn armen, mijn handen. Ik hoor de bomen ruisen en het weefsel van al die kinderstemmen. Ik heb de behoefte om mijn ogen te sluiten maar ben daar te onrustig voor.

Als we vertrekken is mijn jongste boos. De moeder van Panjan en zijn broertje is juist naar huis gegaan om zakjes chips te halen, ook eentje voor hem.

Op weg naar de uitgang zie ik de jongen in het FC Barcelona shirt. Ik overweeg om sorry tegen hem te gaan zeggen. Maar dan zijn we de poort al door, en zie ik de auto al staan.


In ander nieuws: de mensen van de cultuurwebsite De Optimist (een platform dat ik ooit heb opgericht met Miriam van Ommeren) hebben een boek gemaakt: Handboek voor een optimistisch leven. Er staat werk in van meer dan zeventig schrijvers. Klik HIER voor meer info. Mijn stukjes per mail ontvangen? Klik HIER. 

elsschot/ bukowski

In kunst mag niet geprobeerd worden. Probeer niet te schelden als gij niet toornig zijt, niet te schreien als uw ziel droog staat, niet te juichen zolang gij niet vol zijt van vreugde. Men kan proberen een brood te bakken, maar men probeert geen schepping. Men probeert ook niet te baren. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren van zelf, ten gepasten tijde.

Ik kwam dit tegen in het voorwoord van Kaas, van Willem Elsschot. Ik had nog nooit iets van de man gelezen (Ja, schande!, hoe is het mogelijk?, noem jíj jezelf een schrijver?, etc.), en werd aan het wankelen gebracht door zijn ritme, stijl, taalbeheersing en fijngeslepen humor. Moest hardop lachen, meerdere keren, ook bij het voorwoord. En dat droogkomische; ik zie nu ineens ook waar veel hedendaagse schrijvers in het Nederlands taalgebied, die dat ook proberen (proberen), de mosterd vandaan hebben gehaald. 

Hoe dan ook, dat wilde ik niet eens vertellen. Het gaat me nu even om dat stukje uit het voorwoord. Want ik las het en dacht: Verrek, dat is wat Charles Bukowski bedoelde! Op Bukowski’s grafzerk staat namelijk: Don’t try. Ik dacht destijds (zo’n vijftien jaar geleden, toen ik niets anders dan Bukowski las) altijd wel zo ongeveer te begrijpen wat hij ermee bedoelde – het kwam ook terug in zijn werk – maar nu pas, door dat voorwoord van Elsschot, valt het kwartje.

In een interview zei Bukowski: ‘Somebody asked me: “What do you do? How do you write, create?” You don’t, I told them. You don’t try. That’s very important: not to try, either for Cadillacs, creation or immortality. You wait, and if nothing happens, you wait some more. It’s like a bug high on the wall. You wait for it to come to you. When it gets close enough you reach out, slap out and kill it. Or if you like its looks, you make a pet out of it.

Don’t try. Waar zwangerschap bestaat volgt het baren vanzelf. En na het baren er je huisdier van maken, of zoiets, of nou ja.


Het is nog zomer, en mijn zoontjes zijn nog vrij, dus deze stukjes verschijnen nog even zeer sporadisch. Wel kan ik mededelen dat ik gisteren bij de uitgeverij de eerste versie van Wij zeggen hier niet halfbroer heb ingeleverd. De publicatie staat nog steeds gepland voor in het voorjaar. Deze stukjes per mail? Klik hier.

apenheul: only the brave

We gingen naar de Apenheul. Mijn vader, mijn twee zoontjes en ik. Er zijn daar heel veel debielen. Of beter gezegd: er zijn daar heel veel mensen, en onder mensen zijn nu eenmaal heel veel debielen. Ze kunnen het niet laten: hun armen en handen uitsteken naar die loslopende, kleine aapjes. Overal staan borden: doe dat niet, ze vinden het niet fijn, ze kunnen bijten.

Ik kon het niet aanzien. De walgelijke ik-weet-van-niks-glimlach, de nog walgelijkere ah-joh-moet-toch-kunnen-grijns. Telefooncamera’s in de aanslag, zelfgenoegzaam en trots als een snotkleuter wanneer een aapje inderdaad over hun arm liep. Vurig hoopte ik dat al die mensen tyfushard in een vinger zouden worden gebeten, en alle letters van het Hepatitis-alfabet zouden oplopen.

Dit zijn dezelfde mensen die hun hond laten poepen en dan doorlopen met een blik die zegt: Ik ben nog altijd een fatsoenlijk, goed mens. Minder erg dan Assad, ja, dat weet ik. Minder erg dan de beulen van IS, zeker, dat begrijp ik heus wel. Maar mijn woede, mijn onbegrip, is bij deze mensen niettemin groter en vooral urgenter; ik kan daar niets aan doen.

Hoe dan ook. De Apenheul was cool. Dat moet gezegd. Grote, groene, natuurlijke verblijven. Een duidelijke route. Niet te veel horeca en andere geldklopperij. En natuurlijk, na de honderdste gibbon begint je enthousiasme voor de aap wat af te nemen, maar als je echt begint te geeuwen is er wel weer een mooi klimkasteel voor de kinderen.

Ook was er een mini-museum over onze voorouders. Levensgrote aapmensen, in verschillende stadia van de evolutie. Mijn oudste zoon werd er kriegelig van. ‘Ik vind het hier een beetje eng,’ zei hij, en liep naar buiten. Toen hij weg was keek ik zo’n aapmens recht in de ogen. Ik snapte het wel. Het is alsof je in jezelf kijkt, wie je ooit was, maar tegelijkertijd kijkt naar iets dat je bent verloren. Het is herkenning, vervreemding en weemoed in één. Al zal mijn zoontje die poppen simpelweg angstaanjagend hebben gevonden; laat ik vooral niet te veel projecteren.

Eén van de laatste verblijven waar we doorheen liepen was het thuis van een grote witte gibbon of makaak. Er was een overdekte loopbrug voor de mensen, en direct ernaast takken en touwen voor die apen, zonder afscheiding. Opnieuw de bordjes: deze apen lopen soms tussen de mensen door, geef hen vooral de ruimte en raak ze niet aan. Eén zo’n aap zat vlak voor ons op een tak. De loopbrug stond vol mensen. De aap keek om zich heen, maar leek de mensen niet te zien, of niet aan te willen kijken. Ineens sprong hij tussen ons in. Zijn landing maakte een doffe, luide klap op het hout. Een aap met gewicht. Hij liep tussen ons door, kalm en zelfverzekerd, en ging aan de andere kant op de balustrade zitten. De mensen verdrongen elkaar om vooraan te staan, veel te dichtbij. Ik keek naar hen, met hun kleren en telefoons en kinderwagens en horloges en schoenen, en ik begreep het van die aap, dat hij deed alsof we er niet waren, met die blik vol dédain in zijn ogen. 

Bij de souvenirwinkel was ik sterk; mijn jongens hebben niks gekregen.


Alle mogelijke overeenkomsten met bestaande personen berusten op louter toeval. Mijn stukjes per mail ontvangen? Klik hier. Mijn roman kopen? De titel is Bidden en vallen.

polka

Ik was in m’n eentje naar het Museum Volkenkunde in Leiden geweest, voor de tijdelijke expositie over boeddhisme aldaar. Dat viel een beetje tegen, zowel de expositie zelf (misschien leerzaam en boeiend als je er nog helemaal niets vanaf weet) als de werkelijkheid die volgde op de ingebeelde romantiek van een dagje solo museumbezoek (gesmeerde boterhammetjes in rugzak, boek mee, zogenaamd heerlijk sereen, in alle tevredenheid en rust). 

Hoe dan ook, toen ik uitstapte op Eindhoven Centraal hoorde ik live muziek. Ik voegde me bij de groeiende groep mensen die ernaar stond te kijken. Het betrof een… Jezus, hoe noem je het als een groep mensen zomaar ineens ergens iets leuks of ludieks doet? Ik kom er niet op.

Enfin, ze waren zeker met z’n dertigen. Violisten, contrabassisten, blazers. Ze speelde iets vrolijks, up-tempo. Misschien een polka? En ze zongen er ook bij. Jonge mensen. Je zag het plezier en de lichte gêne op hun gezichten; het besef: we doen dit echt, en het gebeurt nu. Ook was er choreografie: ineens verspreidden ze zich en koos ieder van hen een toeschouwer uit, om vervolgens alleen voor diegene te spelen. Het bouwde op tot vlak voor een crescendo, viel stil, en barstte los. Nu dansten ze erbij, terwijl ze nog steeds speelden. Zomaar een dinsdagmiddag op perron 5. 

Toen ze klaar waren applaudisseerden we voor ze. Mijn emotie was van scepsis en nukkigheid naar dankbaarheid en vreugde gegaan. Je kunt hier dus zomaar in terecht komen, besefte ik. Ongevraagd, onverwacht, onaangekondigd. Er kan een verdwaalde ziel, verblind en beschadigd, een wapen trekken, maar dit kan ook. En heel even, tijdens dat concert, vreesde ik een dergelijke aanslag. Blijkbaar liggen die twee dingen in mijn hoofd dicht bij elkaar. We worden gevormd door onze tijd; een paar dagen geleden, in de Apenheul, maakte mijn zoontje van negen van zijn vingers een pistool, en zei grinnikend: ‘Ik ga een aanslag plegen.’

Maar de kracht van die muziek, die niet uit dwaling en woede voortkwam, maar uit liefde, en die niet werd gebracht door niet één, maar door dertig mensen, overtuigde me ineens van het feit dat het met ons wel goedkomt. Ook het grapje van mijn zoon, hoe morbide ook, sterkte me in het idee dat we hiermee kunnen omgaan. Dat we steeds, als nieuwe huid, en niet eens als eelt, over onze wonden zullen groeien.


Eigenlijk bevind ik me in een vakantiereces, maar dit stukje wilde ik niet tot na de zomer laten liggen; het was zo lekker vers. Wil je na de vakantie mijn stukjes per mail ontvangen? Klik hier. In augustus een goed boek lezen? Het heet Bidden en vallen.