ik heb motjes

Ik heb motjes. Ze zijn klein en bruin. Ik zou zeggen goudbruin. Ik heb ze sinds een paar weken. Mijn vermoeden is dat ze uit de kelderkast komen. Er ligt daar een oud tapijt dat in de gang lag toen ik hier kwam wonen, maar dat ik niet mooi vond. Ik rolde het op en legde het in de kast. Als ik daar nu ga kijken zie ik beduidend meer motjes dan in de rest van het huis.

Overal zijn ze. Niet overal veel, maar ze zijn er. Ze fladderen voorbij. Ze zijn dom, want ik pak ze met één hand uit de lucht. Als ik zit te werken fladderen ze langs mijn hoofd. Als ik mijn tanden poets fladderen ze tegen het douchegordijn. Als ik een boek lees, als ik een serie kijk, fladder, fladder. Kleine dombo’s. Ik heb niet het idee dat ze zelf weten waar ze naar op zoek zijn, of wat ze met zichzelf aan moeten.

In die zin lijken we misschien op elkaar, de motjes en ik. Misschien dat ik ze daarom nog niet grondig heb aangepakt. Als ik er één zie, dichtbij genoeg, dan pak ik hem, maar anders laat ik hem fladderen, en aan dat kleed in de kelderkast doe ik niks.

Ze voegen wat toe. Nee, ze bekrachtigen iets. Nee, ze bestendigen iets. Nee, ze bevestigen iets. Dit huisje heeft stoffig tapijt, en heeft veel hout, en is een beetje muf. De motjes passen daar goed bij. De motjes zeggen: Wij illustreren jouw leven. Ze zijn ornamenten van eenzaamheid, sieraden van weemoed. Niet dat ik aldoor eenzaam en weemoedig ben, helemaal niet, but you get the idea. Als ik niet werk, als ik niet met vrienden ben, niet sport, niet in een vreemd huis ben, niet mijn kinderen heb, dan zijn die motjes er. Dan lig ik bijvoorbeeld in bad en fladdert er eentje onder de lamp, en dan denk ik: Ja, precies.


Morgen geen stukje, want bevrijdingsdag. Dan zijn jullie allemaal buiten en is níémand op het internet. Echt níémand. Mijn stukjes verstuur ik ook per mail. Mijn roman etc. etc.

treinleven pt 5

Het is druk in de trein terug naar Eindhoven. Ik heb iemand naast me zitten, twee mensen tegenover me, en aan de andere kant van het gangpad zitten er ook weer vier. Dus ik heb zicht op zeven mensen.

Ik heb een boek in mijn rugzak, ben van plan dat er zo bij te pakken. De zeven anderen kijken allemaal op hun telefoon. Als ik wat verder in het gangpad kijk zitten er nog meer mensen met hun telefoon. Hoofden voorover, bewegingsloos. Het is een stiltecoupé; geen geluid behalve dat van de wielen op de rails. Achter het raam trekt het landschap voorbij; levendig groen en spiegelend water, zo ver je kunt kijken.

Ik kijk nog eens, zoek naar iemand zonder telefoon. En zie: één meisje heeft een boek! Maar op de opengeslagen pagina’s ligt haar telefoon. Ze kijkt naar het scherm. Het boek doet slechts dienst als ondergrond.

De jongeman naast me, een grote kerel met een staart en een sik en een bril en een paar puistjes, heeft een laptop opengeklapt voor zich op het tafeltje staan. Twee vensters geopend op het beeldscherm, eentje met een forum voor computerprogrammeurs en eentje met een live concert: Celtic Woman – Emerald. Een blonde violiste in een glanzende jurk rent als een debiel over een spectaculair uitgelicht podium. Folkloristische kitsch uit Ierland. Het publiek zit op stoeltjes gezapig mee te klappen, zoals bij André Rieu.

Maar de man kijkt niet naar het concert. Hij kijkt op zijn telefoon. Die Keltische vrouw staat zich daar voor niets uit te sloven.

Ik ben de enige die rondkijkt, de enige wiens hoofd niet voorover hangt. Ik voel me als een levende in een dodenrijk. Alsof ik mijn hand, als ik nu opsta en die mensen probeer aan te raken, dwars door hen heen kan steken.

Dan krijg ik een berichtje binnen. Ik kijk ernaar. Ik beantwoord. Ik zie dat ik ook nog meldingen heb op Twitter. Flink wat verkeer op Facebook, ook. Mijn boek zit nog in mijn rugzak. Mijn hoofd hangt voorover. Mijn huid kleurt grauw, mijn ogen grijs. 

God help us all…


In ander nieuws: ik deed een groot interview met cabaretier en aanstormend talent Patrick Laureij. Het was een zware bevalling, maar het is geschreven en de foto’s zijn gemaakt en ik denk dat het bijzonder wordt. Waarschijnlijk staat het zaterdag 14 mei in Volkskrant Magazine. Deel mijn stukjes gerust. Ik verstuur ze ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.

beschuit & grafzerken

Gisteren gingen mijn oudere broers en ik naar een toneelstuk in Luyksgestel, een dorpje in Brabant, niet ver van Eindhoven. Mijn moeder is regisseur. Al sinds ik klein was ga ik naar haar opvoeringen, altijd in die contreien. Mijn vader schreef een tijd lang de stukken, maar nu doet ze ook stukken van andere schrijvers. Maria Goos een paar keer. Ditmaal een stuk van Herman Heijermans. Beschuit met muisjes, over een familie van opportunisten die de weduwe van een overleden broer haar erfenis aftroggelen.

Ik ken sommige van de acteurs al bijna mijn hele leven. Ik ken ze eigenlijk alleen van de toneelstukken. Dat is soms vreemd, want zo’n stuk is hooguit eens per twee jaar, en iedere keer zie ik dan bekende koppen die toch ook wat ouder zijn geworden. Het voelt bekend, maar het voelt ook juist vervreemdend.

De locatie was een verbouwde boerderij, te midden van uitgestrekte lakens van groen. Gerenoveerd, gemoderniseerd. Er werd nog aan gebouwd. Mijn moeder was nerveus, vooral ook omdat wij kwamen kijken. Ik ken haar, zoals ze dan is; ze neemt daar de leiding, maar als wij komen is ze toch ook ineens weer mama. Dat is lastig voor haar. In de pauze, toen iedereen opstond en ze mij zag lopen, vroeg ze of ik wel geld had voor een drankje, en greep ze al naar haar tas. ‘Mam,’ zei ik. ‘Ik ben zesendertig.’

In diezelfde pauze zaten mijn broers en ik buiten op een muurtje in de zon. Het muurtje was aan de bovenzijde belegd met robuuste tegels. Nog niet het hele muurtje had die tegels. Na een tijdje merkten we twee stapels op, met meer van die tegels. Pas toen zagen we dat het grafzerken waren. Het sterfjaar van allemaal zo rond 1985. Dus dertig jaar oud. Dus de huurperiode verlopen waar ooit, dertig jaar geleden, voor is betaald. De eigenaren van de boerderij kopen de tegels van een pastoor.

Zo zaten we. Op grafzerken. Mijn broers en ik en daarbinnen mijn moedertje en de acteurs. De woest stromende tijd verscholen achter een sluier van stilte, vrede, zonlicht. Ik zie je, tijd. Ik heb je door.


Beetje laat op de dag vandaag. Ik had een vroeg ritje voor Henk lift mee. De stukjes kun je ook als nieuwsbrief ontvangen. Ik schreef een roman: Bidden en vallen

tegenwoordig

Ik zat bij de frietchinees hier in de straat met mijn zoons te wachten op drie euro friet, een frikandel en een mexicano. Het was Koningsdag en ik was moe en een beetje aangeschoten. Er was verder één vrouw. Ze zat aan een tafeltje en keek naar ons. Mijn zoons waren druk, maakten lawaai. Ik riep ze wel tot de orde, maar zonder veel overtuiging. Toen het te gortig werd duwde ik ze allebei tegelijk de deur uit, de stoep op, en sloot achter hen de deur.

‘Kinderen luisteren niet meer tegenwoordig,’ zei de vrouw.

Ik was meteen woedend. ‘O nee?’ zei ik. ‘Tegenwoordig niet meer?’

‘Nee,’ zei ze. ‘Dat komt door de maatschappij. Omdat nu alle moeders werken.’

‘O!’ riep ik. ‘Is dát het?’

‘Ja,’ zei ze. ‘Dat is het.’ En ze nam een hap van iets vettigs.

Woedend. Omdat ik in haar ogen ineens zag wat mensen zo lelijk maakt. Denken de wereld te begrijpen. Er niets meer over verteld te hoeven worden. Alle capaciteit tot verwondering en twijfel met luie arrogantie overgroeid. Denken dat je weet hoe het vroeger was, denken dat je weet hoe het nu is, denken dat je weet waar het allemaal door komt. Alsof het niet allemaal volstrekt onbegrijpelijk is, te beginnen bij het wonder van die cluster sterrenstof die je bent; de beperking van je eigen gedachten en bewustzijn. Die dingen helemaal niet meer meenemen in je overwegingen en uitspraken. Gewoon met je gezapige kutkop naar de wereld kijken en heel lui een beetje zeggen wat er mis mee is. Met een vette snack in je bakkes. Bij de frietchinees.

Ik zei al: ik was moe en een beetje aangeschoten. En waarschijnlijk baalde ik dat ik die jongens niet onder controle had. Ik voelde de beperkingen van wie ik ben en wat ik kan. Mijn beperkte macht over mijn jongens, over mezelf. En dan moeten omgaan met zo’n mens dat het allemaal wel even kan uitleggen.

Ik wilde een frietje saté tegen haar gezicht drukken. Maar dat deed ik niet. Ik liep met mijn bestelling naar buiten en zei: ‘Fijne dag nog tegenwoordig.’


Laatste stukje van de week. Morgen in Volkskrant Magazine mijn treinreis met schrijver Walter van den Berg. Mijn stukjes verstuur ik ook per nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen. 

groenteman

Ik leerde Hanneke Groenteman kennen toen ik met haar in de trein zat voor Volkskrant Magazine. Ze vond m’n tatoeages zo mooi, zei ze, en mijn ogen. Het was soms bijna flirten wat ze deed.

Toen ik werd gevraagd om mee te doen aan De Tafel van Taal zei ik aarzelend ja, met als voorwaarde dat ik zelf mijn partner mocht uitkiezen. Hanneke.

Het spel leek haar niks aan, zei ze. Ze had een pilot-aflevering gezien. ‘Het ziet er een beetje suf uit allemaal.’ Ze zei dit tegen iemand ván het programma, terwijl we een broodje zaten te eten in de studio. En ze had ook ooit een akkefietje gehad met presentatrice Margriet van de Linden. Ze vertelde erover en haalde haar schouders op. Ik nam stilletjes een hap en dacht: Ik zou dit nooit tegen iemand van het programma durven zeggen.

In kleedkamer – ze werd geschminkt – vertelde ze over Johan Cruijf. Dat ze die nog achterop de scooter had gehad, toen hij zestien was. Zestien! Zijn eerste interview was met haar, voor Het Parool. En volgens haar zijn laatste interview ook, toe hij meedeed aan Sterren op het doek.

‘Tim of Jan of ik weet niet hoe hij heet,’ zei ze over een jongen die ze net had gesproken. Hij kon dat gewoon horen. En toch klonk het niet ongeïnteresseerd. Ze wist gewoon zijn naam niet meer. Andere mensen zouden dat niet laten blijken. Hanneke heeft een zekere schaamteloosheid, in de positieve zin van het woord.

Toen we hadden verloren, en dus naar huis mochten, liepen we door de gangen richting uitgang. Ze leek ineens heel klein en breekbaar, zoals ze daar naast me liep. Voor het eerst zag ik een oma. Onze tegenstanders bleven daar, want die mochten nog een ronde; vrolijk stonden ze te kletsen met hun níéuwe tegenstanders. ‘Dit voelt toch wel een beetje als een afgang,’ zei Hanneke. ‘Daar iedereen nog zo gezellig aan het kletsen, en wij hier, verslagen in deze donkere tunnel op weg naar buiten.’ Maar aan de andere kant: ze moest die middag oppassen op haar kleinkinderen, dus het kwam haar niet slecht uit.

Hanneke benoemt alles. Is meteen eerlijk over haar gevoel. Gebruikt dat misschien ook om de spanning van de situatie te halen. Ik heb dat ook vaak. Meteen maar kwetsbaar zijn, en laten zien wie je bent, zodat je niet meer van je sokkel kunt vallen, omdat er geen sokkel meer is. Ze is eerlijk en recht voor z’n raap, maar zonder bravoure of geldingsdrang, en misschien onzeker, zoals wij allemaal, maar zonder zelfafwijzing, zonder zichzelf naar beneden te halen. Ze is trots zonder trots. En nog steeds zo jong, en grappig, en vrij, en mooi. En zesenzeventig!

Buiten namen we afscheid. Ze wist zeker dat we elkaar nog wel zouden zien. Ik wist dat minder zeker. Maar ik hoop het zo.


Ik kon dit stukje nu pas publiceren, dus na de uitzending, want anders zou ik hebben verklapt dat we (ten onrechte) hebben verloren. En dat is contractbreuk, geloof ik. Mijn stukjes als nieuwsbrief ontvangen? Dat kan. Ik schreef ook een roman, Bidden en vallen, etc., etc.. 

l’enfer, c’est la tongelreep

Mijn oudste zoon, net negen geworden, wilde per se een zwemfeestje. Hij nodigde vijf vriendjes uit. Dus afgelopen vrijdag, meteen na school, gingen we naar de Tongelreep, een verouderd tropisch zwemparadijs. Mijn jongste ging ook mee.

Zodra we binnen waren moest ik de zes grote jongens laten gaan. Mijn jongste kan nog niet zwemmen, dus ik moest bij hem blijven. De grote jongens verdwenen richting glijbanen, golfslagbad, stroomversnelling.

Ik haat zwemparadijzen. Ik haat de spetters in mijn gezicht. Ik haat de kleffe warmte. De zompige frietjes waar je op gaat staan. Het lopen als een opgewonden pinguïn op de spekgladde tegels. De blikken van de andere getatoeëerde vaders: ik moet vooral niet denken dat ze onder de indruk zijn.

En waar ik helemaal geen rekening mee had gehouden: vrijdagmiddag = discozwemmen. Met een echte DJ die keiharde dance draait. En lichtspots. Ineens werd het drukker. Groepjes jeugd. Jongens met kickboksbroekjes ipv zwembroeken, een gebruik dat ik nog ken uit mijn jeugd. Het zal iets Eindhovens zijn, althans onder bepaalde lagen van de bevolking. Zelfs een enkele nekmat zag ik. En ik weet nog hoe ze zijn, die gastjes; in de rij voor de glijbaan duwen ze je aan de kant, of ze spugen op je, grijnzend, en doen lachend alsof ze je zullen slaan. Of slaan echt.

Ik kon het niet aan. Ik stond daar hulpeloos in het water met mijn jongste, die me vrolijk probeerde mee te sleuren naar een waterkanon. Die zes jongens waren ten dode opgeschreven. Ik kon niets doen. De stampende muziek maakte me gek. Ik zag overal gevaar.

Ik dacht ook ineens aan Rusland en Poetin, en Turkije en Erdogan, en islamitische terroristen. The clash of civilizations. Mijn brein kon de prikkels niet meer aan, kon geen onderscheid meer maken tussen gevaar in het zwembad en gevaar in de wereld, kon geen rationale risicoanalyse meer maken.   

Naderhand, in de kantine met snoepzakken, trillend, snakkend naar drank, nam ik de schade op. Ja, ze hadden inderdaad last gehad van jongens die hadden voorgedrongen, en die hadden gedreigd te zullen slaan, maar niettemin had iedereen het heel leuk gehad.

Het zat erop. Ik kon aan het bier. Beginnen met verwerken.

Op dat moment werd ik door een vriendje aangeklampt. Lijkbleek, tranen in zijn ogen. Er was een snoepkers in zijn luchtpijp geschoten.


Vanavond doen Hanneke Groenteman en ik mee aan De Tafel van Taal op NPO2 om 19:55. Gisteren zag ik de eerste aflevering. Het ziet er een beetje stoffig uit, een beetje als Lingo in de jaren negentig of zo. Maar soit. Ik verstuur mijn stukjes ook per nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen

leeuw

Als je ’s nachts in bed ligt te piekeren kan het helpen om aan een leeuw te denken. Een mannetjesleeuw die op datzelfde moment op de savanne van Afrika ligt. Want dat is het geval, dat kan niet anders. Het is daar even laat als hier. Het is nacht. Er ligt daar zeer zeker een mannetjesleeuw in z’n uppie onder de sterren. In z’n uppie, want mannetjesleeuwen zijn solitair.

Terwijl jij piekert ligt die leeuw daar. Er is niemand die hem ziet, maar jij denkt aan hem. Zijn geur is sterk, het raspen van zijn ruwe tong als hij zichzelf schoonlikt klinkt luid. Hij ligt daar in z’n eigen, kaderloze bestaansrecht. Jij denkt aan hem. Jij maakt hem een leeuw. Zelf weet hij niet dat hij een leeuw is. Hij ruikt zijn eigen geur ook niet, hij weet niet anders; die geur bestaat alleen in jouw hoofd. Er is niets dat die leeuw een leeuw maakt zonder jouw gedachten. En als de leeuw in slaap valt, en niet langer bij bewustzijn is, dan ligt de leeuw daar zonder aan zichzelf te denken. Voor de leeuw bestaat de leeuw niet meer. Er is niemand die de leeuw ziet en de leeuw ziet ook zichzelf niet. In essentie is er helemaal geen leeuw meer. (Als een boom omvalt in het bos… etc.)

Alleen jij denkt aan de leeuw, de leeuw bestaat alleen voor jou, de leeuw bestaat alleen in jouw gedachten. En je weet niet eens precies aan welke leeuw je denkt. Het is geen concrete, maar een hypothetische leeuw. In zekere zin heb jij de leeuw verzonnen. En toch is het honderd procent zeker dat op dit moment, terwijl jij ligt te piekeren, ergens op de savanne een mannetjesleeuw ligt. 


Ik dacht: ik schrijf gewoon weer een stukje. De stukjes verstuur ik ook in de vorm van een nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen. Morgenavond doe ik met Hanneke Groenteman mee aan het spelletje De Tafel van Taal, om 19:55 op NPO2. 

menneke

Mijn oudste zoon en ik hebben veel conflicten. Hij heeft de retoriek van een volwassene, het gebrek aan concentratie en de impulsiviteit van iemand met ADHD, en het geduld van zijn vader. Hij en ik lijken zoveel op elkaar dat ons samenzijn vergelijkbaar is met kernfusie.

Sinds een tijdje loopt hij rond met een eigenaardig kapsel. Hij had halflang, blond haar, maar omdat het in zijn ogen kwam heeft hij het boven zijn voorhoofd weggeknipt. Nu lijkt hij een beetje op een middeleeuwse monnik.

We duwen elkaar hard weg, maar we houden elkaar hard vast. Hij groeit als kool; iedere keer gaat het knuffelen een beetje onhandiger. Zijn botten worden harder, zijn ellebogen scherper. 

Op school gaat het niet goed. Hij is te druk, te snel afgeleid, en hij leidt ook anderen af. Er zijn kinderen die over hem klagen bij de juf. De juf zet soms een schot op zijn tafeltje dat hem afschermt van de rest van de klas. Toen ik na school een keer de klas binnenkwam, en dat schot zag staan, moest ik bijna huilen. Zijn juf sprak tegen me, legde uit waarom het nodig was en dat het momenteel echt niet goed ging, en achter haar zag ik hem staan, met zijn verminkte kapsel, en de woede en de gekwetstheid in zijn ogen.

Die middag was ik naar tegen hem. Mijn lontje was te kort. Als hij weer niet naar me luisterde dacht ik: Kijk, en hierom gaat het dus niet goed, hierom heb je dat schot op je tafeltje. Ik nam het hem kwalijk. Niet bewust, maar diep van binnen, waar ik er niet bij kon komen.

Soms is het moeilijk om te weten waarom je wil dat je zoon het beter doet. Voor hem, of voor jezelf. 


Laatste stukje van de week. Zoals je misschien al weet verstuur ik de stukjes ook per mail. Mijn roman heet Bidden en vallen. Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Mei Li Vos. 

hij met een B

Ik had ooit een boksleraar in het jeugdcentrum. Ik weet niet meer hoe hij heet. Bernard of Bastiaan of Berend. Ik was een jaar of achttien. Hij gaf les omdat mijn voorgaande leraar ermee was gestopt. Hij was klein en tenger, had een snor en was bovenop zijn hoofd glanzend kaal. Edelsmid van beroep. In de vijftig.

Ik vond hem irritant. Hij had het altijd over Cubaanse boksers, omdat die zo sierlijk vochten. Als hij mij zag boksen begon hij er weer over. Omdat ik te hard ging. Dat stoorde me, en ik dacht: Ik kan jou hebben hoor, ouwe. Ik was dan misschien niet sierlijk; ik was wel doeltreffend.

Een blakende man. Een opgewekte man. Zo’n man die een lange fietstocht maakt, op het terras precies twee trappistjes drinkt en dan naar huis gaat. Een wandelaar, een optimist, een gezonde eter.

Ik ergerde me aan zijn goedlachse beleefdheid. Altijd dat vriendelijke. Altijd die glimlach, maar ondertussen wel kritiek hebben. En dat gelul over die Cubanen steeds.

Ik miste zijn punt. Hij had het over – bij gebrek aan een adequaat Nederlands woord – grace. Niet in de betekenis van genade, maar de andere betekenis. To do something with grace. Ik hoorde hem niet. Ik was daar te boos voor, te onzeker, te jong. Ik vond hem een softie. Ik dacht: Ga lekker Nordic walken of zo, al bestond dat toen nog niet.

Hij vertelde een keer trots dat hij ’s nachts eens een groep opgeschoten jonge gasten tegemoet moest. Hij zei: ‘Ik ging rechtop lopen en stapte niet opzij.’ Dat had gewerkt; ze hadden hem met rust gelaten. Ik had veel stoerdere verhalen gehoord. Ik miste mijn oude boksleraar. Die had een litteken op zijn gezicht en vertelde over zijn vriendin dat ze aan zijn sperma kon proeven of hij friet had gegeten.

Toen ik daar al een paar jaar niet meer trainde – ik was begin twintig – hoorde ik dat hij plots was overleden. Een hartinfarct. Tot op dat moment had ik niet meer aan hem gedacht. Ik begreep hem nu iets beter. Nog steeds niet echt. Ik dacht aan Cubaanse boksers. Aan grace. Het heeft hem niet gered en het zal mij niet redden en het zal u ook niet redden, maar het heeft wel iets. 


Zo, dit was het stukje van woensdag. En dan ga ik nu een spalkje achter mijn ondertanden laten installeren. Ik stuur mijn stukjes ook per nieuwsbrief. Deel ze gerust met anderen. Mijn roman heet Bidden en vallen.    

löyly

Op de stoel naast me bij de kapper zit Henry. Een man van in de vijftig. Een echte Eindhovenaar. Volks, van weinig dingen onder de indruk. Een buikje, handen die hebben gewerkt. Lichaamstaal die zegt: Ik moet het nog zien. Hij monteerde zonneschermen en hij was buschauffeur. In de bus hebben ze hem een keer in zijn gezicht gespuugd. ‘Dan heb ik liever dèh ze me slaan.’ Het incident heeft hem lang dwarsgezeten. Van de jeugd van tegenwoordig heeft hij geen hoge pet op.

Hij liet het gaan, toen die jongen hem bespuugde. ‘Ik bleef heel kalm.’ Toen zijn zoon ervan hoorde werd Henry wraak aangeboden. ‘Moe’k ‘m opruimen, pa?’ Zo had die zoon dat gezegd. Opruimen. ‘En hij had ’t gedaan, zonder twijfel. Dan is het wel weer handig om zo’n zoon als de mijne te hebben.’ Maar nee, hij vroeg zijn zoon het te laten rusten. Zijn zoon was nog niet zo lang geleden vrijgekomen.

Zonneschermen plaatste hij ook vaak bij rijke mensen. Die waren het ergst. ‘Dan vroeg ik: is het water afgesloten? Nee? Waarom krijgen we dan geen koffie? Het liefst hadden ze dat je je boterhammen in je busje opat. Och, och, och, dèh volk is verschrikkelijk.’

Henry zit nu al een poosje thuis. Zijn schouder. Altijd met die zonneschermen gesjouwd en aan dat grote stuur van de bus getrokken. En het wapperen met de handdoek heeft ook niet geholpen. Henry is een löyly, ofwel iemand die in de sauna met een handdoek de stoom door de cabine wappert. Hij deed zelfs mee aan wedstrijden. ‘Ge moet alles in de gaten houden. Ge moet de muziek erop uitkiezen, de geurkruiden, alles. Dèh luistert heul nauw.’

Nu moet hij waarschijnlijk worden geopereerd. ‘Daar ben ik als de dood veur. Ik heb ’t liefst dèh ze me thuis bij het ontbijt al verdoven en da’k nergens niks nie van meekrijg.’

Henry is bang. Onder zijn mij-kende-niks-moaken-voorkomen huist een bange man. Hij werkte zijn hele leven keihard, maar moest in zijn werkbusje kijken naar de huizen van de mensen die veel meer verdienden dan hij en die hem geen koffie aanboden. Hij reed op de bus en werd in zijn gezicht bespuugd en vernederd. Hij zag zijn zoon de gevangenis ingaan. De wereld is te groot, te meedogenloos, te ingewikkeld, te oneerlijk. De enige plek waar hij een gevoel van controle had was in de sauna, wapperend met zijn handdoek.

‘Dèh mis ik wel ja,’ zegt hij. ‘De sauna. Daar kwam ik gèr.’


Ontvang je mijn stukjes liever per mail? Dat kan. Ik plaats ze ook op Facebook. Mijn roman heet Bidden en vallen.