fante en de groene

Ask The Dust van John Fante was de roman die ervoor zorgde dat ook ik romans wilde schrijven. Het ritme en het vertelplezier resoneerden. Belangrijker was het personage Arturo Bandini. Jong, vol bravoure en geldingsdrang, onzeker, klein minderwaardigheidscomplex, ongeschoold. Bandini was Fante zelf, dat had ik al meteen wel door. Ik identificeerde me met Bandini, en dus met Fante. Daarom durfde ik het aan om zelf aan een roman te beginnen. Ik was als Bandini, als Fante.

In Ask The Dust heeft de jonge Bandini net zijn eerste verhaal gepubliceerd in het tijdschrift van JC Hackmuth, een personage gebaseerd op HL Mencken, oprichter van literair tijdschrift The American Mercury. Bandini is door het dolle. Maar natuurlijk vindt hij het ook gewoon terécht. Als een kind neemt hij het tijdschrift overal mee naartoe. In het café waar zijn begeerde Camilla werkt plaatst hij het achteloos voor zich op tafel. Ook gebruikt hij het om zijn huurbaas – een vrouw die haar neus voor hem ophaalt – duidelijk te maken dat hij een SCHRIJVER is, en dat die achterstallige huur dus heus wel wordt betaald. Uiteraard probeert hij het vooral aan zichzelf te bewijzen: ik ben een schrijver, ik doe mee. Dat lukt maar gedeeltelijk. De echte Fante heeft zich tot aan zijn dood een outsider gevoeld, een persona non grata in de Amerikaanse literatuur.

Fante gaat vaak door mijn gedachten. Ik heb hier aan de muur een foto van hem hangen, van hem met zijn bulterriër Rocko. Gisteren dacht ik weer veel aan hem, toen ik in het nieuwe nummer van De Groene Amsterdammer de recensie van WZHNH las. Een recensie van mijn stukjes, ook. Een intellectueel blad. Een intellectuele recensent. Alles wat ik vrees. Had ik de recensent zien typen, en had iemand me gezegd: ‘Hij zit nu een stuk over je te typen,’ dan had ik geantwoord: ‘Ik hoef het niet eens lezen, ik weet al wat er staat.’ Dat het me weer niet was gelukt, dat ik nog altijd niet meedeed, dat ik me beter maar gewoon kon houden bij het schrijven voor vrouwenbladen. Maar nee, het stuk was positief. Heel positief.

Dat nummer van De Groene Amsterdammer heb ik nu in m’n tas zitten. Het gaat overal mee naartoe. Ik laat het niet aan iedereen lezen, maar het voelt prettig om bij me te hebben. Het is als een pistool dat ik tevoorschijn kan halen. Kijk, daar heb je dat boertje uit Eindhoven dat voor de Happinez schrijft. ‘O ja?!’ roep ik dan. ‘O ja?! Hier!’ En dan trek ik dat pistool, en dan schiet ik ze in hun lelijke gezichten.

Zo loop ik rond met dat tijdschrift in m’n rugzak. Ik neem een trein, drink ergens koffie, loop wat rond, hoor de stem van Bandini: I walked out of the restaurant, stood before an imaginary pitcher, and swatted a home run over the fence. Then I walked down the street toward Angel’s Flight, wondering what I would do that day. But there was nothing to do, and so I decided to walk around the town.

Het helpt maar even, natuurlijk. Het gif sijpelt altijd weer naar binnen. Met één Groene Amsterdammer krijg je dat niet opgedweild. Maar hé. Maar ach.


De recensie vind je HIER. Je abonneren op deze stukjes kan HIER. Mijn boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

de dood van het schandaal

Ik las een tweet. Bij een hoorzitting in Amerika is aan het licht gekomen dat er werkelijk niets waar is van Trumps aantijgingen aan het adres van de FBI. Trump had beweerd dat de FBI hem in opdracht van Obama heeft afgeluisterd. De persoon die hierover tweette zei zoiets als: ‘Dat hier zo weinig ophef over is bewijst hoe ver het met de normalisering is gekomen.’ Wat een schandaal had moeten worden werd geen schandaal. 

Toen de audio met daarop de bekende ‘grab them by the pussy’ uitspraak openbaar werd gemaakt wist ik zeker dat Trumps kansen op het Witte Huis verkeken waren. Tja.

En hier is het evengoed gaande, natuurlijk. Minder, minder, minder. Kopvoddentaks. Ik ga het hier niet nog eens allemaal opnieuw opdissen; u bent toch al misselijk.

Ik vermoed dat Nixon na het Watergate schandaal gewoon was aangebleven als president, had het zich in deze tijd afgespeeld.

Misschien is het schandaal dood. Misschien is er niets meer wat wij ervaren als schandaal. Als dat zo is dan heeft het het woord schandaal niet eens meer een coherente betekenis. Want wat betekent het? Wat is een schandaal? Niets, blijkbaar.

En als niets meer een schandaal is, betekent dat dan dat je overal mee kunt wegkomen? En dat wij nergens meer echt tegen in opstand kunnen komen? Dat lijkt de implicatie te zijn.

Een maatschappij zonder kans op een schandaal, hoe moet dat? Dat is als een mens zonder kans op schaamte. Een persoon zonder kans op zelfkritiek. Een entiteit zonder ziel, in feite. Een Trumpschappij.


Net verschenen: mijn boek Wij zeggen hier niet halfbroer. Je kunt je HIER op deze stukjes abonneren.

beetje puzzelen

In het halletje in de trein, een paar minuten voor het station. Vijf mensen, waaronder ik. Een meisje kijkt zijdelings naar een stelletje. De jongen van het stelletje staat achter zijn vriendin, zijn armen om haar middel. Hun kleren zijn wat te groot, zijn haar is ongekamd, zij heeft beugel en trekt steeds nerveus haar neus op. De vriendin zegt iets. Het is blijkbaar grappig, of raar, of onverwacht, want het meisje dat hen zijdelings in de gaten houdt schiet in de lach. De lach stuurt ze de andere kant op, zodat het stelletje het niet ziet. Ik bestudeer haar. Het meisje. Hip, jong, dure Nikes. Ze heeft een kleurrijk leren jack aan, een beetje kinderlijk, maar dan ironisch bedoeld, dus hip. Ze heeft iets. Ik probeer erachter te komen of ik haar leuk vind. Zou ze romans lezen? Kijkt ze romantische, gevatte series op Netflix? Ik stel me haar voor, tegenover me aan tafel in een restaurant, lachend tijdens een wandeling, de blik in haar ogen als ze mijn broek openritst, druk aan het werk voor een laptop, boos om iets wat ik heb gezegd. Er is nog iemand in het halletje. De vijfde persoon, een jongen. Steeds als ik eventjes mijn ogen afwend van het meisje zie ik dat hij naar me kijkt. Hij draagt nette kleren, is jong, ik denk intelligent en ambitieus. Hij kijkt naar m’n jas, m’n tattoos. Hij bestudeert hoe ik dat meisje bestudeer. Hij probeert te besluiten wat voor iemand ik ben. Het meisje bestudeert inmiddels opnieuw stiekem het stelletje met de te grote kleren. Ik bestudeer het meisje weer. De jongen mij. De man bestudeert het achterhoofd van zijn vriendin. Zijn vriendin bestudeert de noodrem. ‘Hoe vaak zal iemand daaraan trekken?’ vraagt ze. ‘Niet vaak,’ antwoordt haar vriend. De trein stopt, de deuren gaan open en we stappen naar buiten. Het meisje is onmiddellijk het stelletje vergeten. De jongen is onmiddellijk mij vergeten. Het stelletje is onmiddellijk de noodrem vergeten. Ik doe mijn best om me hen allemaal te herinneren. Tot na dit stukje. Dan laat ik ze gaan.


Als je wilt kun je je HIER abonneren op deze stukjes. Nu verkrijgbaar: Wij zeggen hier niet halfbroer.

rothond

Man heeft fantasieën over hond. Man ziet zichzelf en hond voor zich. Gezelschap, frisse neus. Vrienden. Man koopt hond.

Hond wordt geboren. Hond is pup. Hond is hond. Hond geen idee. Tepel, vacht, stoeien, honger. Hond wordt gekocht.

Man en hond in huis. Man: ‘Leuk, schattig.’ Hond: leuk, honger, moet poepen.

Man laat hond uit. Eerst viermaal daags, lang. Dan driemaal daags, kort.

Hond piept bij deur, moet plassen. Man net voor tv. Man staat op. Man: ‘Schiet op dan.’ Man klikt riem aan halsband. Man trekt hond ruw mee als hond even snuffelt aan boom.

Regen: man moet met hond naar buiten. Kou: man moet met hond naar buiten. Voetbal op tv: man moet met hond naar buiten.

Hond: leuk, bang, leuk, bang, leuk, poepen, honger.

Man geeft hond brokken. Hond eet brokken. Man zucht. Man ververst water te weinig. Water troebel. Man veegt hondenhaar van bank. Man stofzuigt, boos, dat het alweer moet. Hond ligt in mand en kijkt naar man, houdt koest, houdt van man.

Hond poept op stoep. Man geen plastic zakje. Man vloekt. ‘Kon je het niet ophouden?’ Man rukt aan riem, trekt hond mee. Hond piept. Poep dampt.

‘Kom,’ zegt man. Hond komt niet. Hond snuffelt. Hond betoverd door geur. Man rukt aan riem. Hond piept. ‘Dan had je maar meteen moeten komen.’ Man ook andere dingen te doen. Man ook werk.

Man op bank. Bijna bed. Hond bij deur. Regen. Man snel met hond naar buiten. Hond plast. Man keert om. Nacht: hond poept in huiskamer. Ochtend: man boos. ‘Je had kunnen poepen, ik heb je uitgelaten.’

Man op veldje met hond. Sigaret. Hond los. Hond vrij. Hond rent. Tong uit mond. Man moe. Man kucht. Sigaret op. Man ziet hond rennen. Man kijkt op horloge. Man: ‘Kom.’ Hond komt niet. Opnieuw: ‘Kom.’ Man boos. Gonzende woede. Man zoveel voor hond gedaan. Man altijd met hond bezig. Man nu toch ook op veldje? Hond niet redelijk.


Deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier. Afgelopen dinsdag verscheen Wij zeggen hier niet halfbroer.

jongen toch

Vanochtend, toen ik mijn zoons naar school had gebracht en bij de supermarkt de Linda inkeek, werd ik voor het eerst werkelijk geconfronteerd met het feit dat Wij zeggen hier niet halfbroer geen fictie is.

Toen ik het boek liet lezen aan mijn broers, aan mijn moeder, aan mijn vader, ja, dat waren heftige momenten, maar dat waren confrontaties binnen de familie, met mensen die de nuances in het boek zouden begrijpen, voor wie die nuances ook essentieel zouden zijn, zoals ze dat voor mij, bij het schrijven, ook waren.

Toen ik een paar dagen geleden in de radiostudio zat met mijn oudste broer: zeker. Toen mijn moeder en ik samen werden gefotografeerd voor Libelle (staat er deze week in?): zeker. Dat waren allemaal indicaties dat het verhaal dat ik heb geschreven écht is. De personages roerden zich in het echte leven; het boek had invloed op hun doorlopende, werkelijke geschiedenis. Toch was het pas vanochtend dat ik me realiseerde welke implicaties dit kan hebben.

Op de boekenpagina van de Linda zag ik een klein kader met daarin het omslag van mijn boek. ‘Jongen toch,’ was de kop. Meteen voelde ik weerzin. Jongen toch, dat is: een aai over de bol, dat is: och arm, dat is: wat zielig voor je. Het stukje is verder hartstikke positief: ‘Henk vertelt ontroerend en oergeestig over zijn jeugd.’ Leuk. Niks mis mee. Maar dan: ‘Zijn jeugd met drie halfbroers, een sombere moeder en een boze stiefvader.’ Einde.

Ik kan het hen niet kwalijk nemen. Niet echt. Ja, het is onhandig geformuleerd, zonder enige nuance. Ze zullen hebben gedacht: het dekt de lading. En had ik een roman geschreven, dan had ik daar mijn schouders bij opgehaald, omdat het fictieve personages had betroffen. Een fictief personage heeft geen nalatenschap. Mijn stiefvader was echt, ik woonde bij hem tot mijn twintigste, mijn verhaal gaat voor een groot deel over hem. Hij heeft een nalatenschap. ‘Boze stiefvader.’ Die reductie van zijn persoon, van het verhaal, en dan ook nog in combinatie met ‘Jongen toch’, maakt me boos en verdrietig.

Laat me benadrukken dat dit geen kritiek op de Linda is. Zij hebben een boekenpagina te vullen. Mijn boek namen ze er snel nog in mee, wat ik natuurlijk alleen maar kan toejuichen; ook een piepklein stukje van achttien woorden is mooi meegenomen. En voor hen is mijn boek gewoon een boek. Wat het natuurlijk ook is. Ik kan moeilijk verwachten – en dat wíl ik ook helemaal niet – dat iedereen die het boek in handen krijgt het behandelt alsof het mijn leven is en de personages echte mensen zijn. (Ook al zijn ze dat dus wél.)

Misschien moet ik inzien dat dit boek, nu het er is, mijn verhaal niet meer kan zijn.


Sinds dinsdag verkrijgbaar: Wij zeggen hier niet halfbroer. Je gratis abonneren op mijn stukjes doe je HIER