kleine dood

Ik zat in de tuin van het mooie, door groen omgeven pand van de EO in Hilversum. Het was zonnig, de bomen leken te zeggen: het is goed, je kunt je ontspannen. Ik dronk koud water uit een plastic bekertje met een EO-logo erop. Ik was daar voor het programma De Nachtzoen. Een vijf minuten durend gesprekje, geleid door Colet van der Ven, dat dagelijks als allerlaatste door de NPO wordt uitgezonden, meestal zo rond twaalf uur. Een beetje over het leven, een beetje over de nacht. 

Tegenover me zat een redacteur van het programma, met pen en papier. Een voorgesprekje, zo heet dat. Om het aanstaande interview een beetje te sturen, of in kaart te brengen. Ze helpen daarmee de presentator, zodat die ongeveer weet waarnaar te vragen. De redacteur vroeg waaraan ik dacht voor ik slaap viel. Wat me bezig hield.

Ik zei dat wat me zo fascineert de dagelijkse, kleine dood van de slaap is. Dat we daarnaar verlangen. De dagelijkse drang om te sterven. Dat wij, allemaal, iedere nacht willen sterven. We zijn moe, we zitten vol. We verlangen ernaar te worden losgekoppeld, als het ware, van onze gedachten. Van ons hele zíjn, zelfs. We vertrouwen in een wederopstanding, en daarom dúrven we ook te sterven. Ik zei dat ik die paradox zo fascinerend vind: enerzijds willen we geen seconde missen, willen we vol in het leven staan, slikken we bijvoorbeeld een XTC-pil om bijna te exploderen van het leven, doen we aan mindfulness om Hier en NU te zijn, maar anderzijds willen we worden uitgeschakeld, willen we verdwijnen, en genieten we van dat moment, vlak voor de slaap, dat warme moment, waarop we onze gedachten voelen versmelten, en er dan helemaal van los lijken te komen. En willen we niets liever dan verder en verder afdrijven op die zee van niet-bestaan.   

De vrouw keek naar me, knikte aarzelend en zei: ‘Hm.’ Ze noteerde één of twee woorden. Toen zei ze: ‘Nou, we kijken dadelijk wel even. Komt goed.’ Bij de daadwerkelijke opnames kwamen Colet en ik er niet over te spreken, dus ik vermoed dat het voorgesprek niet in overweging is genomen.

Niettemin had ik het daar naar mijn zin. Het is fijn kletsen met die Colet. De sfeer is intiem en ontspannen. Ze hebben drie losse afleveringen van het gesprek gemaakt, waarvan de eerste begin volgende maand wordt uitgezonden, geloof ik.


Deze stukjes liever als nieuwsbrief ontvangen? Klik hier.

friesland/ boek pt 3 (het was dus een trilogie)

Mijn rode port was op, en ik had ook geen kaas meer voor mijn krentenbollen, dus moest ik lopen naar het dorp verderop. In het dorpje waar ik ben zijn geen winkels; daar is het te klein voor. Het regende en waaide. Over de weg kropen grote dikke naaktslakken. De schapen zochten beschutting bij zichzelf. Dus niet bij elkaar, nee, bij zichzélf. Want schapen kunnen dat. (Ja ja, mits nog voldoende vacht.)

Een halfuur lopen heen, een halfuur terug. Bij de kleine kruidenier stond nog één sixpack Duvel. Ik lustte daar best twee flesjes van, want ik ging voor die laatste avond niet nog een hele fles port inslaan. Maar ik mocht van hem geen twee flesjes kopen. Het was die hele sixpack of niets. Toen kocht ik in plaats van Duvel de duurste fles rode wijn die hij had, à vijf euro vijfennegentig. Bij het afrekenen nam hij nog even zijn dag met me door, waar ik niets van verstond.

Op de terugweg, toen ik ‘mijn’ dorpje weer binnenliep, kwamen me twee grote machines tegemoet. Ze maaiden de berm met een imposante, mechanische arm. Het waren gewoon boeren uit het dorp die dat deden, dat kon je zien. Zo doen ze dat hier. Dit is hun land. Ze regelen het zelf wel. Ik was daar ineens heel jaloers op. Want als je hier het nieuws gewoon niet kijkt, dan is het leven eenvoudig, en dan los je de problemen samen wel op. Een Brexit, zeg je? Sylvana Simons, zeg je? Erdogan, zeg je? Nooit van gehoord.

Daarna at ik weer linzen met koolvis. Want dat doe ik hier. Dat is inmiddels, na vier dagen, traditie.

Het huisje is heerlijk. Ik zie niemand. Soms denk ik: zouden ze me vergeten zijn? En dan bedoel ik niet jullie, maar de eigenaren van het huisje en de mensen van het dorp. Misschien zijn ze zowel mij als het huisje vergeten en kan ik hier voor altijd, in volstrekte stilte en anonimiteit, blijven wonen.

Ik gebruik steeds hetzelfde bord, dezelfde pan. Ik maak bijna niets vies. Ik heb al besloten dat als ik hier later vandaag wegga, ik alles precies zo zal achterlaten als het was toen ik arriveerde. Het enige teken van mijn verblijf zullen de Merci-chocolaatjes zijn, die ze voor me hebben neergelegd in een glazen schaaltje op tafel. Het zullen er twee zijn ipv de initiële vier. Twee opgegeten, twee laten liggen. Dit zal ze aan het denken zetten.

En natuurlijk zullen ze het voelen. De fantastische zinnen die hier zijn geschreven. De hartverscheurende passages. Dat krijgen ze er niet meer uit, ook niet als ze alle deuren en ramen tegen elkaar open zetten. De stilte hier zal nooit meer dezelfde zijn. Ze zullen elkaar aankijken en dat beseffen.


Meer nieuws mbt mijn werkzaamheden voor De Correspondent: Vera Mulder richtte een team van schrijvers op, en daar hoor ik bij. Mijn stukjes verstuur ik ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.

friesland/ boek pt 2

Er krabt hier steeds iets aan de voordeur. Of het graaft in de aarde er vlakbij of zo. Een muis misschien, of een egel. Er vliegen heel veel grutto’s. Ook, wanneer het begint te schemeren, veel zwaluwen. De man van het taxibusje – er komt in dit dorp geen reguliere bus – zette me af in het verkeerde dorp. Ik moest een halfuur lopen, met m’n koffer en een volle tas boodschappen, in de regen. En terwijl ik zo liep, langs de paarden en schapen, en de ruimte die zich zo om me heen uitstrekte, dacht ik alleen maar: Ja, dit is goed, dit klopt, juist ook deze barre tocht. De tocht naar binnen toe, je eigen verleden in, mag best een beetje bar zijn.

En ook het huisje klopt. In een dorp van amper een paar huizen en een kerk. En boerderijen natuurlijk. De weg loopt dood; na dit dorp komt er geen ander dorp meer. Ik ben aan het einde van de wereld beland. Bij wijze van spreken dan hè.

Ik schrijf veel, maar dat lijkt me logisch, want daarvoor kwam ik hier. Soms ga ik een eindje wandelen. Of gewoon alleen maar buiten staan. De wind blaast dan leegte in me. Goede leegte. Schone leegte. En in die leegte, die heldere leegte, zie ik de dingen weer wat beter. Hoe het ging, toen, vroeger. En dan denk ik: O ja, en dat, en dit, en dat ook nog. En als ik daar dan zo buiten sta, en ik al die nieuwe herinneringen niet langer meer kan houden in de armen van mijn geest, dan ga ik snel naar binnen.

Ik heb veel geworsteld. Met de vorm, vooral. De materie valt me soms ook zwaar, maar dat is geen worstelen. Dat is emotionele zwaarte, en die is niet erg. Die heb juist nodig. Hoe ga ik jullie anders met dit boek in je hart raken?

Ik kook linzen met koolvis en tomaat. Al drie dagen. Dat had niet gehoeven, natuurijk. Ik had ook, zeg, kaasfondue en een magnetronmaaltijd kunnen meenemen. Maar gun me dit gevoel van een Spartaans bestaan nu even.

Ik lees hier ook een boek. OnZen, een woordspeling op zen en onzin, van de filosoof Jan Bor. Over moderne spiritualiteit. Een nuchter en wijs en tegelijk geëngageerd boek, waarin Bor voorbij de zen-beoefening is gegaan, en nu, achterom kijkend, ziet dat er heel veel niet aan klopte. Op pagina 115 kwam ik ineens een passage tegen over een sesshin (een zen-retraite) die Bor bijwoonde, in een klooster in Limburg. En ik besefte: Verrek, daar was ik ook bij! 

Niet alleen dat; ik vond ook een passage die ik misschien ga gebruiken als motto voorin mijn boek, en waarmee ik jullie zal achterlaten:

Het unieke individu dat je bent laat zich – juist omdat het uniek is – niet onder een algemeen begrip vangen. Alleen jij kunt daartoe inkeren en zo raken aan jouw unieke zelf: je hart. Tegelijk moet je het – voorbij elke gedachte en fantasie erover – elke keer een tastbare vorm geven. Het zelf, jouw zelf, ligt daarmee niet vast en is in die zin nooit werkelijk en blijvend, zoals een object buiten je lijkt te zijn. Hoe concreet ook, het is telkens in wording. Als zodanig is het pure dynamiek, een oproep tot handelen: jezelf zijn is jezelf worden.

Adios!


Gisteren verscheen op De Correspondent mijn verhaal over mijn bezoek met Theo Maassen aan een groot vechtsportgala. Ik verstuur mijn stukjes ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen

friesland/ boek

Ik weet dat één van mijn broers ooit een Playmobilpoppetje in zijn kont heeft gestoken. Welke broer dat was weet ik niet meer. Wat ik nog wel weet is dat we daarna om beurten aan dat poppetje hebben geroken.

Zo, ongeveer, moet mijn volgende boek beginnen. Dat ik het ga schrijven heb ik al maanden geleden besloten, dus laat ik het maar officieel maken. Ik vertrek vandaag met pagina’s vol aantekeningen naar een huisje in Friesland om eraan te werken. De werktitel is: Wij zeggen hier niet halfbroer.

De titel refereert aan een andere herinnering. Ik had een vriendje, en dat vriendje had een halfbroertje. Maar ik mocht dat broertje niet zo noemen. Hun moeder zei streng: ‘Wij zeggen hier niet halfbroer.’ Ikzelf heb drie ouderere broers van een andere vader. Bij ons thuis mocht je wel gewoon halfbroer zeggen, al noemden mijn broers me in de regel vaker bastaard of koekoeksjong.

Ook deze alinea, hierboven, komt in het boek, bijna letterlijk.

Al zeker twee jaar heeft het idee gesluimerd. Een boek met jeugdherinneringen. (‘Memoires’ klinkt me te ernstig en pretentieus.) Ik heb live wel eens een paar van die anekdotes voorgedragen. Dat werkte wel, geloof ik.

Nu, na Bidden en vallen, is het tijd. Ook mijn dagelijkse stukjes, hier, hebben aan dat besluit bijgedragen. Want het boek gaat ongeveer dezelfde vorm krijgen: korte passages, losse stukjes, anekdotes, mijmeringen. 

Ik ben niet mishandeld, niet misbruikt, heb geen kanker overleefd. Het wordt geen boek over iets heel ergs. Sensationeel noch controversieel. Gewoon een boek over een jeugd, een leven. Over behoren en niet behoren. Over geluk en pijn. Over de liefde en de dood. Over verwondering en vergankelijkheid. Over al die dingen die onze levens zo schitterend en onbevattelijk maken. Het is met een licht en sprankelend hart, maar toch ook wel met wat lood in mijn schoenen, dat ik naar Friesland vertrek.

Net als Bidden en vallen zal het aanstaande boek worden uitgegeven door Nijgh & Van Ditmar. In de lente van 2017. Indien het God behaagt.


Overigens tekende ik niet één, maar drie contracten bij Nijgh. Ook nog voor een roman en een ‘best of’ van deze dagelijkse stukjes. Die stukjes als nieuwsbrief ontvangen? Klik hier. Mijn laatste roman heet Bidden en vallen

mijn oudste zoon

Mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Als hij naast me op de bank zit word ik gek van zijn gefriemel, genagelpulk en geteenknak, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Als ik op mijn kwaadst ben steekt hij soms zijn vingers in zijn oren of lacht hij me zelfs uit, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Hij slaat zijn jongere broertje soms veel te hard in zijn buik, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Hij heeft steeds een nieuwe tic, zoals rochelen, met zijn ogen knipperen, met een babystemmetje praten en vlak voor iedere nieuwe zin heel hard speeksel opzuigen, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Hij moet om de tien minuten plassen, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Soms, als ik alleen ben, en moe, dan zie ik een heel klein beetje op tegen zijn komst, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Hij heeft geen geduld, kan zich moeilijk concentreren, heeft een kort lontje, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Ik maak me vaak zorgen om hem, om zijn toekomst, om zijn achterstand op school, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Hij lijkt ongelofelijk veel op mij, lijkt zelfs meer op mij dan ikzelf, en ik zie hoe hem dat later zal dwarszitten, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Vaak ga ik tegelijk met hem naar bed, omdat onze dag samen me heeft gesloopt, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. De scheiding zal hem er niet kalmer op hebben gemaakt, en dat ik vind ik erg, maar ik kan er niks aan doen, en hij ook niet, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Op school wil hij me soms geen kus meer geven, maar mijn oudste zoon kwam op voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. Ik sprak zijn juf. Ze vertelde dat hij het moeilijk heeft, dat hij moeite heeft zich te concentreren, dat ze hem soms met een schot moet afzonderen. Dat hij zoveel fantasie heeft, en vooral empathie. En ze vertelde dat hij opkwam voor een meisje dat werd gepest vanwege haar huidskleur. 


Dit stukje werd eerder, in iets andere vorm, gepubliceerd in de glossy Mama & Family. Mijn stukjes verstuur ik ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.

anta flu, revisited

We liepen dus in het bos toen mijn oudste zoon een Anta Flu snoeppapiertje vond. Zie het stukje van gisteren. In de buurt van het water, waar we naar kikkervisjes gingen kijken, liepen we langs een plek waar overal rode blaadjes van kunstbloemen lagen. Honderden rode kunststoffen blaadjes. Er zal een vuilniszak zijn opengescheurd of zo. Raar. Niet zo raar als de Anta Flu snoeppapiertjes, maar niettemin raar. De blaadjes liggen daar al maanden. Iedereen wandelt er met z’n hond voorbij, niemand ruimt het op. Ik had er genoeg van. Dan moest ik het maar doen.

Dus mijn zoons en ik kwamen terug, alledrie met een plastic boodschappentasje, om te gaan rapen. Mijn zoons hadden er al na vijf minuten genoeg van. Ze gingen klimmen en met honden spelen. Ik hoorde mijn oudste met mensen in gesprek gaan. Ik bleef rapen. Het aantal blaadjes leek niet minder te worden. Ik hoorde mensen gezellig kletsen en lachen. En ik maar rapen. Ik dacht aan van die wijsheden uit boeddhistische boekjes: als je iets goeds doet moet je dat doen omdat het goed is, en niet omdat je erkenning zoekt, of lof, of een beloning. Je ego moet als het ware oplossen in je handeling. Er moet niets meer zijn dan dat.

Toch merkte ik dat ik steeds dichter bij die mensen ging rapen, zodat ze me niet langer konden negeren. Ik kreunde en gromde er nog net niet bij. Toen kreeg ik waar ik naar snakte: aanspraak. Ik legde uit: al honderd keer was ik hier voorbij gelopen en nu kon ik er niet meer tegen; ik had besloten het op te ruimen.

‘Wat ook zo gek was,’ zei een mevrouw met een grote grijze Deense dog. ‘Toen je hier in het bos overal van die Anta Flu papiertjes vond.’ Meteen kwam ik overeind. ‘Een man deed dat,’ zei ze. ‘Die liet ze gewoon vallen. Hij is dood nu.’ Ik bleef haar aankijken. Het verklaarde waarom er veel minder van die snoeppapiertjes lagen dan vroeger. ‘Is hij dood?’ Ze knikte. ‘Maar hij liet ze gewoon vallen? Expres? Waarom dan? En at hij die snoepjes dan de hele dag door? En was hij dan ook de hele dag in het bos? En hoe zit het met zijn kleurensysteem?’ Hier had ze geen antwoorden op. Ik zou er nooit achterkomen. De man was dood. Dat voelde tegelijkertijd goed en onbevredigend.

Ik ging verder met rapen. De mensen gingen door met praten. In een film zou iedereen me zijn gaan helpen. Met z’n allen het bos weer leefbaar maken! Maar niemand hielp me. Zelfs mijn zoons niet. Toen mijn rug pijn begon te doen besloot ik dat ik klaar was. Nog lang niet alle blaadjes had ik opgeruimd. ‘Morgen kom ik terug voor de rest,’ zei ik, hard genoeg voor de mensen om me te kunnen horen, in de hoop dat ze zich heel rot  zouden voelen. Het leek er niet op. ‘Er zit kwijl op je jas,’ zei ik tegen mijn jongste. Op zijn jas zat een dikke klodder speeksel van de Deense dog. Ik zei het met verbeten stem en ik wees naar de kwijl. De mevrouw van de dog begon meteen heel schuldbewust mijn zoon te poetsen met een papieren zakdoekje. Dat was dan tenminste nog iets.

Ik ben nog niet teruggegaan voor de rest van die blaadjes.


Dit was het tweede en laatste deel over de Anta Flu snoeppapiertjes. Binnenkort verschijnt het verhaal in boekvorm en ook de filmrechten zijn al verkocht. Je kunt mijn stukjes ook als nieuwsbrief ontvangen. Ik schreef een roman: Bidden en vallen.

anta flu

We liepen door het bos naar het water, mijn zoons en ik. Kijken of de kikkervisjes al pootjes hadden. Toen we terug naar de auto liepen raapte mijn oudste zoon een groen stukje plasticfolie van de grond. Van een Anta Flu snoepje. Ik bleef staan, aan de grond genageld. ‘Dus nog steeds,’ zei ik. ‘Mijn god. Nog steeds.’

Jarenlang liep ik dagelijks door dit bos met de hond. Ze overleed twee jaar geleden. Iedere wandeling zag ik overal van diezelfde Anta Flu snoeppapiertjes liggen. Ik werd er mesjogge van. Iedere wandeling was ik ermee bezig.

Ze lagen overal, op alle paden. Op sommige plekken heel veel, op sommige een enkele. De meeste papiertjes waren van de groene Anta Flu (menthol eucalyptus), maar sommige – veel minder – van de blauwe (mint menthol), en sommige – nog minder – van de oranje (classic).

Jarenlang. Anta Flu snoeppapiertjes. Overal. Bij elkaar opgeteld moet ik tientallen uren bezig zijn geweest met het overpeinzen van de reden, de motivatie, het systeem en/of de oorzaak. Ik heb ze ook een tijd opgeraapt. Kwam ik met jaszakken vol Anta Flu snoeppapiertjes thuis.

Was er iemand die dagelijks in het bos Anta Flu snoepjes liep te eten en dan de papiertjes achteloos op de grond liet vallen? Maar iemand die dagelijks in het bos loopt, heeft die geen affiniteit met het bos? Zal die de snoeppapiertjes niet netjes bij het vuil gooien? Daarbij impliceerde de hoeveelheid papiertjes een enorme consumptie van Anta Flu snoepjes, wat an sich al raar was. At diegene ze de hele dag door, en dus ook hier in het bos? Of alleen hier in het bos? Een gat in de jaszak misschien, waardoor ieder weggestopt papiertje meteen weer naar buiten dwarrelde? En zo ja, viel het diegene dan niet op dat hij of zij bij thuiskomst helemaal geen papiertjes meer in de jaszak had zitten? En dacht diegene niet, bij het zien van al die die papiertjes in het bos: Zeg, dat moeten haast wel die van mij zijn? Had diegene een systeem aangebracht in het eten van de snoepjes? Vijf groene snoepjes, dan twee blauwe, dan één oranje? Want hoe anders is die consistente kleurverhouding te verklaren?

Zo gingen er nog veel, veel meer scenario’s door mijn hoofd. Geen van allen waren logisch. Op een zeker moment zag ik een gek voor me. Iemand die expres, met een soort krankzinnige logica, die papiertjes door het bos verspreidde. Ik werd er woedend van. Woedend op de absurditeit. Woedend op wie er dan ook achter zat.

En ook nu weer. Dezelfde frustratie, dezelfde onbeheersbare behoefte om het mysterie te ontrafelen, om de verantwoordelijke te betrappen en door elkaar te schudden.

Ik vertelde mijn zoons erover. Ik wees naar het groene plastic in mijn zoons hand en ik vertelde. Ik zag de verwarring, het onbegrip en de woede in hun ogen. ‘Maar…’ begon mijn oudste. ‘Maar waarom zou iemand… Maar hoe kan… Maar wat…’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik weet het niet, man. Ik weet het echt niet.’


Wat gek: ik probeer mijn stukjes rond de 300 woorden te houden, en juist bij een stukje over snoeppapiertjes lukt het me niet om onder de 500 te blijven. Mijn stukjes als nieuwsbrief ontvangen? Klik hier

stukje

Nou, hier ben ik weer hoor. Een tikkeltje timide. Misschien zelfs met wat schaamrood op de kaken. Gisteren plaatste schrijver Jan van Mersbergen een stukje op zijn site. (Ook hij schrijft stukjes, en vaak heel goede.) Naar aanleiding van mijn vijfdaagse stukjes-stop, vorige week, schreef hij: Zomaar stoppen met die stukjes is niet oké. Juist dat stoppen bevestigt de verwachting die er steeds al was, namelijk dat Henk bij het verschijnen van zijn laatste (erg mooie) roman weer stukjes ging schrijven, dagelijks, daar weer mee zou gaan stoppen als de roman langzaam weer uit de winkelschappen zou verdwijnen. Stukjes als promotie.

Ik schaam me niet omdat hij me door heeft. Ik schrijf mijn stukjes niet ter promotie. Al vind ik het natuurlijk wél fijn als ze mensen nieuwsgierig naar mijn boek maken. Het was meer dat ik de leegte na het boek wilde vullen, en omdat ik niet meteen aan iets nieuws wilde beginnen. De vingers warm houden. Kijken of ik het kon: met die frequentie kleine verhaaltjes schrijven.

En ik denk eigenlijk dat Jan dat óók niet echt denkt, dat mijn stukjes alleen ter promotie zijn. Ik denk dat hij gewoon hoopt dat ik schrik van zijn aantijging en daardoor het tegendeel wil bewijzen, en als de wiedeweerga weer begin te tikken. Omdat hij me gewoon niet kan missen. Want hij schreef ook: En nu kijk ik iedere dag drie keer op Henks facebookpagina of hij zich misschien bedacht heeft, of er toch weer een stukje is, en ook kijk ik op zijn site om te zien of Facebook misschien een linkje gemist heeft.

Maar misschien is het hierom dat ik me een beetje schuldig voel: Als je in een relatie zegt: ‘Deze week even niet.’ Dan zegt de ander: ‘Nou, dan ben ik weg.’ Dan is het vertrouwen er niet meer. Daar zit wat in. Die voel ik wel.

Och, en écht schuldig voel ik me nu ook weer niet. Ik heb het idee dat ik wat minder principieel ben dan Jan. Ook Alex Boogers zit me vaak op de huid. Hij zegt dan dat al mijn columns en journalistieke klussen me afleiden van waar het werkelijk om zou moeten draaien: De Roman. Zo is hij, maar zo ben ik niet. Ik moet ook gewoon geld verdienen, wil ook gewoon lol maken. En ik wéét nooit precies waar het werkelijk om moet draaien. Een beetje comfortabel kunnen leven, een beetje kunnen liefhebben, je een beetje kunnen verwonderen. Verder zou ik het ook niet weten.

Maar goed, we zullen zien. Hoe het verder gaat met die stukjes van me. Dit is er in ieder geval alweer eentje. Op een zondag, geheel tegen alle routine in. Wat heerlijk inconsequent weer van me.


Gisteren verscheen mijn grote interview met cabaretier Patrick Laureij in Volkskrant Magazine. Ik ben daar heel trots op. Ik wilde heel graag zijn verhaal opschrijven, en moest me daarbij bekwamen in de Q&A-vorm, die, op z’n zachts gezegd, nogal anders is dan mijn gebruikelijke stijl van schrijven. Ook liftte ik mee met Paul de Leeuw. En ja, ik schreef een roman: Bidden en vallen.

nee

Deze week geen stukjes. De zon schijnt. Ik ben onrustig. Ik wil dingen. Ik wil dingen niet. Mijn huis telt veel lijken. Motten, kikkervisjes. Uit het open raam sijpelen hun zieltjes weg. Het leven waait erdoor naar binnen. Ik zit ergens in het midden. Ik heb dingen te doen. Dingen niet te doen. Mijn mooie jongens zijn er. Mijn mooie jongens zijn er niet. Ik zit ergens in het midden. Ik heb geen tuin, geen balkon. Ik ga naar buiten. Ik ga fietsen. Ik neem een trein. Ik druk oproepen weg, negeer berichtjes. De zachte wind blaast kleverige handen van me af. Ik verdwijn maar ik ben nog gewoon hier. Dat kan. Dat kan. Ergens in het midden. En heel ver weg kan ik niet gaan. Ik ben een elastiek dat oprekt en dan weer terugschiet naar de spijker die hem in de aarde houdt: kinderen, deadlines, de afwas, het verwisselen van een stofzuigerzak vol dode motjes. En het is oké. Het is allemaal goed. Maar deze week even geen stukjes. Dat is alles wat ik wil zeggen.


Stukjes ook als nieuwsbrief. Ook een roman schreef ik: Bidden en vallen.

ambulance/ hond

De ramen staan open. Buiten rijdt een loeiende ambulance voorbij. Door het loeien van de ambulance begint in een tuin vlakbij een hond te loeien. Het simultaan loeien van de ambulance en de hond zorgt voor een kort en scherp gevoel van gevaar, van rampspoed. Die emotie gaat op zoek naar een oorzaak, naar iets om zichzelf bestaansrecht te geven. Ik denk aan deadlines, aan de kikkervisjes die mijn zoons hebben gevangen en die akelig stilletjes in hun bak drijven, aan geld, aan mijn zoons, aan liefde. De gedachte aan liefde leidt naar de gedachte aan vrouwen. De gedachte aan vrouwen naar de gedachte aan seks. De gedachte aan seks naar de gedachte aan het zonnige weer. Door de gedachte aan het zonnige weer besef ik dat ik te weinig buiten kom, besluit ik dat ik hier eigenlijk niet moet blijven zitten. Het gevoel dat ik hier niet moet blijven zitten zorgt voor het idee dat ik iets móét. Iets groots, iets belangrijks, iets wat werkelijk het verschil zal maken. Als ik niets doe verspil ik tijd. De gedachte aan tijd leidt tot de gedachte aan sterfelijkheid. Ik ga dood. Mijn kinderen gaan dood. Die gedachte leidt tot een gevoel van gevaar, van rampspoed. Het gevoel van gevaar en rampspoed gaat op zoek naar een oorzaak, naar iets om zichzelf bestaansrecht te geven (refrein). En ook al is de ambulance nu voorbij, de hond blijft loeien. Ik zou willen dat hij stopte. Ik kan me zo niet concentreren op deadlines, kikkervisjes, geld, liefde, seks, sterfelijkheid, de dood, gevaar, rampspoed. 


Laatste stukje van de week. Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Michael Schaap (De Hokjesman). Als je mijn stukjes in de vorm van een nieuwsbrief wilt ontvangen klik je hier. Ik schreef een roman: Bidden en vallen