sorry, meneer

Gisterenavond fietste ik naar het theater voor de voorstelling van Micha Wertheim – die ene waar hij zelf niet bij is – toen ik besefte dat ik in de huiskamer het grote licht had aangelaten. Normaal zou ik er niet voor omkeren, maar nu heb ik Oscar. Om 20:15 gaat het licht in zijn terrarium uit, middels een timer. Dan gaat hij slapen. Nu zou er op dat moment te veel licht zijn.

Ik trapte hard. Gewoon, op het fietspad, aan de rechterkant van de weg. Plots fietste er een jongetje dwars over het fietspad. Van een jaar of elf. Hij wilde oversteken, schuin, en zag me niet. Hij stak over zonder te kijken. Ik had geen licht. Ik kon niet meer remmen en ramde op hem in. Het geluid van metaal op metaal. Hij en de fiets vielen zijwaarts op straat.   

‘Sorry, meneer,’ zei hij zachtjes. ‘Dat was mijn schuld.’ Ik stapte af en hielp hem, vroeg of het ging, of hij pijn had. ‘Nee, het gaat wel, het was mijn schuld,’ zei hij weer, alsof hij op pijn geen recht had. ‘En je fiets?’ vroeg ik. ‘Lukt wel,’ zei hij, en toen: ‘Dag.’ Onhandig aaide ik hem over zijn hoofd. De fiets rammelde toen hij ermee wegliep.

Het was inderdaad zijn schuld, zei ik tegen mezelf. Zomaar oversteken, niet kijken. Maar ik had geen licht. Een licht op je fiets is verplicht. Misschien zou hij me hebben gezien als ik licht had gehad. Ik was dus gedeeltelijk schuldig. Dat wilde ik eigenlijk nog tegen hem zeggen, dat onze schuldverdeling mijns inziens ongeveer 65-35 was, in mijn voordeel, maar hij was al weg.

Een tijdje geleden reed ik met de auto de straat uit. Ik moest rechtsaf slaan en reed zachtjes. Er kwam een auto van links. Ik aarzelde, gaf even geen gas, maar toen ik besefte dat de auto van links kwam en ik dus voorrang had nam ik alsnog die voorrang. De auto ging op de remmen en toeterde. Meermaals. Ik remde ook, liet die auto er niet door. ‘Ik kom van rechts,’ zei ik luid tegen de vrouw achter het stuur. ‘Ik heb voorrang.’ Met mijn hand maakte ik een gebaar: rustig aan. ‘Ja rij nou maar door!’ schreeuwde de vrouw zo hard dat ik het kon horen door onze autoruiten heen, haar gezicht monsterlijk van woede en agressie. Haar agressie deed me glimlachen en heel langzaam optrekken. Toen ze achter me reed bleef ik expres veertig kilometer per uur rijden. Ze zat bijna tegen m’n bumper aan, giftig van frustratie.

Ik zou wel eens écht in m’n recht willen staan. Honderd procent. Dat mij gewoon eens een keertje echt níéts kwalijk valt te nemen.


Je abonneren op mijn stukjes? Dat kan hier. Ook is de exacte publicatiedatum van Wij zeggen hier niet halfbroer bekend: 14-03-2017.

laatste versie boek en de domesticatie van oscar

Op tafel lag een pak papier. Wij zeggen hier niet halfbroer, de versie die naar de eerste adressen wordt verstuurd. Naar een paar maandbladen met een vroege deadline. Naar mijn moeder, vader en broers. Niet de definitieve versie. Een paar dagen liet ik het op tafel liggen zonder erin te kijken. Toen ik dat wel deed las ik op de titelpagina: We zeggen hier niet halfbroer. Wat dus niet de titel is. Uiteraard raakte ik meteen in paniek. Als de títel al niet correct was… 

De afgelopen dagen heb ik erin zitten werken. Er is geen pagina die ik niet beklad met correcties. Bij iedere correctie word ik A) rustiger, omdat het boek er met iedere correctie op vooruit gaat, en B) bezorgder, omdat de versie zónder die correcties inmiddels al op een paar belangrijke bureaus ligt.

Ik werk aan tafel, met zicht op het nieuwe terrarium. Oscar de jonge hagedis zit op zijn stuk hout te zonnen. Hij is aldoor wakker en alert. Soms sprint hij naar het bakje met andijvie, schrokt een blaadje op en rent dan terug naar zijn plekje. Hij houdt zijn kopje omhoog en loert naar me met zijn prehistorische oogjes. Hij moet vervellen; dat weet ik omdat hij steeds met zijn neus langs de schors schuurt. Eén keer per dag besproei ik hem met lauw water, zodat zijn huid wat makkelijker loskomt.

Als ik hem krekels en sprinkhanen voer draai ik daarbij bombastische klassieke muziek. Het lijkt dan een slagveld. De instrumenten bereiken een crescendo, de ledematen vliegen in het rond. Ik zeg tegen Oscar: ‘Dit eten heb je van mij gekregen. Ik ben God. Zie deze handen. Dit zijn de handen van God. Ik geef je water en warmte en licht en ik zorg ervoor dat je poep verdwijnt zodra je het neerlegt. Aanbid mij.’

De band tussen ons is nog koel. We kijken elkaar aan met een soort koppige strijdlust. Hij klampt zich vast aan zijn identiteit van de onbenaderbare dinosaurus. Ik weiger dat te accepteren. Hij laat zich nog niet aaien, niet vasthouden. Er kunnen weken overheen gaan, lees ik.

Vanochtend, na het ontbijt, stak mijn jongste zoontje zijn hand in de bak. Heel rustig aaide hij Oscar boven op zijn kopje. Oscar liet het toe én sloot zijn ogen. ‘Goed zo, Tobias!’ riep ik, groen van jaloezie.   

Ik zit hier op de laatste versie van mijn boek te ploeteren. Ik werk hard. Daarmee verdien ik geld voor krekels en andijvie en speciale UV-lampen. Is het dan echt te veel gevraagd om je íéts minder als een reptiel te gedragen?


Het boek verschijnt in maart. Abonneer je HIER op de deze stukjes. 

geri the giraffe

Druk in de trein van Eindhoven naar Utrecht, waar vandaag de vakantiebeurs plaatsvindt. Veel dames. De meeste wat ouder, wit, met sjaaltjes en een glimlach die – zoals vaak bij dat soort dames – balanceert op de grens tussen vriendelijk en verontschuldigend. Dat is een slim mechanisme, want je komt overal mee weg. Als je voordringt bij de deuren dan zegt die glimlach: ik weet het allemaal niet zo goed, ik doe dit niet expres, spaar me, wees niet wreed.

Ik zit aan het gangpad, op een vierzits. Tegenover me zitten twee van die oudere dames. Allebei kort haar, allebei een sjaaltje. Klaar voor een dagje uit. Het ruikt enorm naar een mengeling van kokos en schoonmaakmiddel. De geur doet me denken aan zo’n luchtverfrisser die je aan je achteruitkijkspiegel hangt. De dames zwijgen, kijken op hun horloge, glimlachen in de rondte.

Naast me zit een vrouw van begin veertig. Wit, halflang haar, simpele trui. Uit haar handtas haalt ze een vel papier met daarop instructies, twee naald-achtige dingen en twee bolletjes wol. Op het papier staat een plaatje van wat het moet worden: een vrolijke giraffe. Geri the Giraffe. Ze begint te haken.

Denk maar niet dat de oudere dames dit ontgaat. Hun focus verlegt zich opgetogen naar het haakwerkje. Hun glimlach wordt prominenter. Ik zie de aandrang tot bemoeienis gloeien in hun ogen en de eerste woorden aanzwellen in hun keel, als bij een kameleon vlak voor hij zijn bek opent en zijn tong lanceert. 

De dame aan het raam bijt het spits af. De vrouw met het haakwerkje praat dankbaar terug. De andere oudere dame blijft zwijgen. Wel knikt ze bij iedere zin instemmend en lijkt ze steeds iets feller te gaan gloeien. Haar wangen zijn rood, maar volgens mij is dat ook make-up. Ze glimt ook. Ik weet nu ook zeker dat zij degene is die zo sterk naar luchtverfrisser ruikt.

Haken is een leuke bezigheid en daarbij zijn de creaties leuk als cadeautje. De vrouw is het gaan doen door een vriendin. Die zei: ‘Zullen we gaan haken? Is leuk joh!’ Ze haalt haar schouders op, zoals ze dat toen ook gedaan moet hebben. ‘Oké,’ zei ze. ‘Mij best.’ Het kan verkeren in het leven. Van Geri the Giraffe moet ze alleen nog de benen doen, dan is hij klaar.

De oudere dame aan het raam dist scheutig eigen ervaringen op. Ook over haken en breien, maar ook over kleinkinderen. De andere dame zwijgt nog altijd en lijkt zich daar bewust van te worden. Het wordt raar, een beetje ongemakkelijk. Ze wil absoluut niet onbeleefd overkomen, dus haar glimlach wordt steeds intenser en haar blos steeds feller en ze begint steeds meer te glimmen.

Tot ze het niet meer aankan. Terwijl de andere twee vrouwen nog praten over het haken zegt ze ineens: ‘We gaan naar de vakantiebeurs. Ik was vroeger verpleegster. Komt er nog iemand met koffie, denken jullie?’


In maart verschijnt mijn boek Wij zeggen hier niet halfbroer. Je abonneren op deze stukjes kan hier

oscar

Ik heb een verschrikkelijke fout begaan. Het is allemaal de schuld van tv-presentator Dennis Weening, met wie ik meeliftte voor Volkskrant Magazine. Hij ging krekels kopen voor zijn panterkameleon. Ik kwam bij hem thuis en zag die kameleon, zag zijn enthousiasme. Ik ging met hem naar de vissen- en reptielenspeciaalzaak in Den Haag. De man van de winkel zette een baardagaam op m’n arm (pogona vitticeps, of in het Engels: bearded dragon). Hij legde uit hoe gemakkelijk ze te houden zijn, hoe tam ze kunnen worden. 

Met mijn oudste zoon reed ik zaterdag naar een speciaalzaak in Dordrecht. Daar kochten we Oscar. Ik hield mezelf voor: Dit doe ik voor mijn zoontjes. Huichelaar!

Nu zit ik hier te typen en kan ik hem zien, in zijn terrarium. Hij ligt te zonnen op een stuk hout, onder de warmtelamp. Bij me op tafel liggen de twee poezen van m’n ex. Ook zij kijken naar Oscar, gefrustreerd, hun staarten zwiepend. Dat ene laagje glas! miauwen ze. Als dat ene laagje glas er toch niet tussen zat!

Oscar is zeven weken oud. Een centimeter of tien groot, inclusief staart. Over een jaar is hij vijftig centimeter. Hij is nog wantrouwend, rent weg voor mijn hand. Hij eet krekels. Minder dol op meelwormen. Gisteren at hij een blaadje veldsla.

Sinds zijn komst ben ik onrustig en voel ik me slecht. Als kind had ik ook reptielen. Die gingen dood. Daarna heb ik gezworen nooit meer iets in en kooi te zullen houden. Zéker geen exotische dieren. Ik schrijf hier zelfs over in Wij zeggen hier niet halfbroer. Over de kleine groene grasslang die ik dood mee de tuin in nam, om hem te begraven. Als je dat boek straks leest, en je weet dat ik nu thuis een hagedis uit de woestijn van Australië heb zitten (in Nederland geboren, maar toch), dan neem je dat hele boek niet meer serieus.

Toch weer gedaan. Waaróm? Ik slaap slecht. Eindeloos pieker ik over Oscar. Over hoe ik het beste de krekels kan voeren zonder dat ik ze overal in huis heb. Over zijn kleine ribben, en of ik die niet kneus of breek als ik hem vastpak. Over hem vastpakken, wat hij niet wil maar waar hij wel aan kan en moet wennen. In het donker van mijn slaapkamer denk ik aan hem in het donker van het terrarium, met zijn oogjes gesloten en zijn ziel en bestaansrecht in de Australian outback. Een gevangene in Stratum, Eindhoven. Als ik naar hem kijk houdt hij zijn kopje scheef en loert hij naar me met ogen die een doorkijkluik zijn naar een wereld waar ik geen plaats in heb, naar dinosaurussen, naar draken. De beschuldiging: Wat doe je met me? Ik hoor hier niet. Het is verkeerd, het is fout. Wat als de stroom uitvalt? Hij kan niet tegen kou. Wat als hij ontsnapt en verdwijnt tussen de spleten in de oude houten vloer?

Ik denk aldoor aan Oscar. Werken komt er niet meer van. Zometeen ga ik een voederpincet kopen. Belangrijk. En wasmotten, want die schijnen ze heel lekker te vinden. Daarna ga ik verder met me zorgen om hem maken. 


Je abonneren op deze stukjes kan hier

drankmaan

Woensdagavond interviewde ik Lize Spit in boekenwinkel Van Piere hier in Eindhoven. Voor publiek. Ondanks de microfoon werd ik soms niet goed verstaan; ik maakte een grapje over gehoorapparaten – veel vijftigers in de zaal – waar niet heel enthousiast op werd gereageerd. Verder ging het wel goed, geloof ik. Andere grapjes vielen wél goed, en belangrijker: Lize vertelt makkelijk, enthousiast, oprecht en charmant, ondanks de triljarden avonden dat ze dit sinds Het Smelt al gedaan heeft.

We kregen bloemen. Nog nooit heb ik een bos bloemen die ik na iets dergelijks in ontvangst kreeg over de drempel van mijn huis gedragen. Ze eindigen altijd ergens in een vuilnisbak, of in de handen van een willekeurig en verbaasd meisje. Hopelijk vat Van Piere dit niet op als ondankbaarheid. Het is gewoon: als ik denk aan het schuin afsnijden van die steeltjes en het verwijderen van het plastic en het openscheuren van dat zakje poeder en het zoeken naar een vaas die ik niet heb… 

Ik fietste naar huis met het gevoel dat ik na dit soort dingen altijd heb. Interviews afnemen of geven, lezingen doen, soms ook na sociale afspraken. Er is iets van me gevraagd, ik heb iets moeten doen, ik heb er moeten zijn. Dat vind ik leuk, en een eer, en belangrijk, maar mijn lichaam lijkt onder spanning te staan. Het is alsof er een voltage-knop flink open is gedraaid. Ik kan me niet ontspannen, het kost energie.

Na afloop is dat niet meteen weg. Soms ga ik ermee op een meditatiekussen zitten. Dan zit ik daar met die spanning, alleen maar te ademen, en laat ik het stromen. Een ander tegenmiddel – effectiever, doch gevaarlijk – is drank. Vroeger dronk ik vaak al op de avond zelf, tijdens zo’n verplichting. Vaak veel te veel. Nu liever niet meer. Bovendien had ik thuis de kinderen in bed liggen, met een oppas.

Boven me hing de maan tussen de wolken. Een grote maan, krachtig en intimiderend. De wolken – in verschillende tinten nacht – bleven op gepaste afstand. Ik grijnsde uitdagend naar haar, en zij naar mij. We kennen elkaar. Dronken heb ik de neiging om naar haar te kijken en naar haar te roepen. Ontelbare dronken nachten ging ik de strijd met haar aan, hief ik mijn vuist naar haar op. Het was de enige manier waarop ik recht door alle eeuwen heen kon schreeuwen, helemaal naar het begin van de wereld, naar de diepste kern van mezelf, waar ik niets meer weet, waar niets te weten vált. Het antwoord stilgevallen, en daarmee ook de vraag.

Ik ging me niet bezatten, maar wel ging ik één speciaalbiertje kopen. Het was 21:55; vijf minuten voor de Albert Heijn sloot. Ik trapte als een dolle. Ik was op tijd.

Thuis, terwijl ik nog wat stond te kletsen met de oppas, trok ik het flesje Rochefort 8 open. Hulpeloos moest ik toezien hoe zeker een kwart van het bier in een fontein van schuim uit de hals stroomde en op het plakkerige aanrecht een bruine plas vormde. ‘Balen,’ zei ik. Ik opende een paar keukenkastjes, deed alsof ik naar een geschikt doekje zocht.

Zodra de oppas weg was boog ik voorover en slurpte alles op, inclusief broodkruimels en een paar van die draadjes die je van een banaan plukt.


Half maart verschijnt Wij zeggen hier niet halfbroer, een boek over mijn jeugd. Je abonneren op deze stukjes kan hier