Pizza, friet, heimwee

Vrijdagavond, dus pizza of friet. Pizza, zei m’n oudste. Friet, zei m’n jongste. Ik zei: ‘Ik ga het echt niet allebei doen, dus jullie zullen er samen uit moeten komen.’ Een halfuur later zette ik voor m’n oudste de oven aan en ging ik met m’n jongste friet halen. 

‘Naar onze óúde friettent,’ zei m’n jongste. Ik knikte. Toen ik verhuisde van mijn post-scheiding tussenhuisje naar het huis, hier, deed ik mijn zoons een belofte: dat we onze frietjes nog steeds zouden kopen waar we dat twee jaar lang hadden gedaan, bij de frietchinees, twee deuren naast ons huisje.

Vijf minuten met de auto. Ik parkeerde, we stapten uit, liepen naar de frietchinees. Mijn jongste liep rechtstreeks naar de ingang, opgewekt, zonder links of rechts te kijken. ‘Hé!’ zei ik. ‘Kijk eens goed.’ Hij bleef staan, keek me vragend aan en vroeg: ‘Wat dan?’ Ik knikte naar de voordeur van ons huisje. Naar het raam op de eerste etage, het raam van onze huiskamer. ‘Vind je dit niet gek? Hier woonden we.’ Zelf voelde ik het in mijn buik. Ik was iemand anders in dat huis. Iemand anders maar dezelfde. 

Hij keek een tijdje naar de deur en naar het raam. Toen gebeurde het. Een wereld die hij al was vergeten doemde in hem op en verzwolg hem. Twee jaar van zijn zevenjarige leven woonde hij daar. Zijn matrasje op de vloer, het tapijt, het kleine keukentje, de trappen, mijn slaapkamer, het éénpersoonsbed. De geest van al die dingen wurmde zich in zijn hart en zette zich uit, groter en groter. Hij begon te huilen. Hevig te huilen. Ik omarmde hem. De buurman – onze ex-huurbaas – kwam naar buiten. Een oude man. Hij aaide m’n jongste en vroeg wat er mis was. ‘Ik wil naar binnen!’ riep m’n jongste. De buurman zei dat hij ons niet zomaar naar binnen kon laten. Er woonde nu iemand anders en die was niet thuis. M’n jongste zag dat voor zich, dat een andere man daar nu woonde, en begon nog harder te huilen.

Ik zei tegen de buurman: ‘Het is wel goed. Laat maar.’ Waarop hij zijn huis inging. Maar het was helemaal niet goed. Ik voelde het ook. Het voorbijgaan van alle dingen. Het niet meer terug kunnen. Voelen dat je dat stukje van je leven nooit meer kunt aanraken, terwijl het toch echt ooit écht was geweest. M’n jongste tuimelde datzelfde gapende dal van weemoed en vervreemding in. Het gevoel dat er iets niet klopt, dat je meerdere levens lijkt te hebben maar dat je nooit van het ene in het andere kunt stappen, en dat er dus altijd iets ontbreekt, dat je altijd iets mist.

‘Kom’ zei ik. ‘We gaan friet halen.’ Maar de leeftijd dat hij zich laat afleiden met lekkers heeft hij niet meer. Onderweg naar huis, met een zak friet op schoot en een lolly in de hand, huilde hij nog steeds.


Je abonneren op deze stukjes kan hier

roos, baudet en de diepzee

Ik liep naar school om m’n jongens op te halen en zag een verkiezingsposter van VNL met het hoofd van Jan Roos erop. Wonderlijk, vond ik. Ik dacht aan de filmpjes die die man maakte in zijn PowNews tijd. Het vernederen, het sarren. Laf iemand verrassen met een camera en inspelen op diens ongemak en zenuwen. De fantasieloze, banale humor. Ik dacht ineens: dit is het Tijdperk van de Klootzak.

Opportunisten als Roos zien hun kans. Ze zien het succes van Wilders, het succes van Trump, en ze ruiken bloed. Ze zien dat de wereld blijkbaar toe is aan klootzakken en ze denken: hé, maar wacht even, ik ben ook een klootzak! Een ander voorbeeld is Thierry Baudet, van Forum voor Democratie. De zelfverklaard belangrijkste intellectueel van Nederland. Een man wiens gebrek aan zelfspot alleen kan bestaan door hetzelfde narcisme dat ook Trump blind maakt voor zijn eigen bizarre voorkomen en gedrag.

Het is alsof er ergens op een fluit is geblazen en alle klootzakken ter attentie zijn gaan staan. Als stokstaartjes.

Ik vroeg me af hoe ver ze werkelijk denken te kunnen komen. Ik bedoel als ze, ahum, realistisch en eerlijk zijn. Misschien, dacht ik, hopen ze op één of twee zetels, en dat de PVV vervolgens zó groot wordt dat Wilders alleen nog hen nodig heeft voor het vormen van de coalitie PVV-VNL-FvD.

Dat deed me denken aan een vis die leeft in de diepzee. Daar waar geen licht komt en geen planten groeien zwemt een monsterlijke vis waarvan het vrouwtje tig keer groter is dan het mannetje. De kans dat ze elkaar in die duisternis tegenkomen is zeer klein, dus wat er gebeurt is het volgende. Op het zeldzame moment dat een vrouwtje een mannetje tegenkomt, en het mannetje tegen haar aan gaat zwemmen om haar te bevruchten, wordt hij ingekapseld in haar lichaam. Hij zit vast. Hij vergroeit met haar. Hij is nu als een extra orgaan. Het vrouwtje kan voorzien in haar eigen zaad.

Misschien is dat waar visjes als Roos en Baudet op hopen. Waar ze van dromen.


Ik dacht ik schrijf ook eens iets over politiek. Deze stukjes automatisch per mail? Klik hier

hondenman

Hier in de buurt woont een man met twee honden. Het zijn mooie honden. Fier. Type herder. De man is groot, een jaar of vijftig, alleenstaand, een beetje slodderig maar niet onverzorgd; waarschijnlijk weet hij gewoon niks van – en geeft hij niks om – mode en nieuwe kleding. Dat zie je ook wel aan zijn gezicht, dat hij daar niks om geeft. Mode is een mensending, en dus stom. Hij zal het aanstellerig vinden. Eigenlijk álles wat mensen doen en leuk vinden stuit hem tegen de borst. Vermoed ik. Met hun neppe glimlach en sociaal gedoe en leugens en verraad en politiek en en en en en.

Als ik ’s ochtends mijn jongens naar school breng komt hij vaak net met zijn honden de deur uit. Hij heeft dan ook een fiets bij zich. Hij ritst zijn jas dicht en briest condens. De honden staan ter attentie, hun warme natte neuzen dampend in de kou. Ze trekken niet aan de riem, janken niet, kwispelen niet hysterisch met hun staart. Blakende gezondheid. Intelligentie in hun ogen. Majestueus.

Want dat is belangrijk. Loyaliteit. Betrouwbaarheid. Duidelijkheid. Weten waar je aan toe bent. Niet dat gecompliceerde, hypocriete, kleverige en achterbakse dat de medemens typeert.

Als ik hem zie begroet ik hem. ‘Goeiemorgen!’ Hij groet dan terug met tegenzin en argwaan, en hij geeft me een blik die ook mij doet concluderen dat mijn begroeting inderdaad wel heel hypocriet en nep was. Want ook ik ben niet te vertrouwen. Ik stel mensen teleur, ben niet altijd een man van mijn woord, heb gekwetst. Dus daar heeft de man absoluut een punt. Na dat ‘Goeiemorgen!’ zou ik natuurlijk ‘Ik neem het terug!’ kunnen roepen, maar dat maakt de zaak er alleen maar gecompliceerder op, en dat wil hij juist niet.

Een hond verraadt je niet. Van een hond kun je op aan. En dat zie je als je naar die herders kijkt: het kost hen geen enkele moeite om zuiver van hart en gedrag te zijn.

Het is een bekend fenomeen. Het type dierenliefhebber dat in dieren alles ziet wat in een mens ontbreekt. Gek genoeg lijkt hij te zijn vergeten dat ook wij dieren zijn. En omgekeerd: dat ook hij een mens is. Wat ze haten in de mens haten ze, in feite, in zichzelf. Het is een soort verbittering. 

Door zich te beperken tot omgang met zijn honden denkt de man zich te kunnen onttrekken aan het menszijn, wat natuurlijk een zeer menselijke constructie is.


Abonneer je HIER op deze stukjes en krijg ze GRATIS in je mailbox. Er komt ook een boek aan: Wij zeggen hier niet halfbroer (14 maart). Daarover HIER meer info. 

wanneer het niet gebeurt/ wanneer het gebeurt

Het gebeurt niet wanneer je erop rekent, wanneer je je erop voorbereidt, wanneer je de ontsnappingsroute plant. Als je in de trein naar een Arabische man kijkt en hem verdacht vindt. Misschien draagt hij een djellaba, misschien heeft hij een baard. Misschien een kerel met een bomberjack, zenuwachtig, een Hollands vlaggetje op de mouw. Dan gebeurt het niet. Als je naar de uitgangen kijkt, als je inschat hoe snel je bij hem kunt zijn om hem te overmeesteren, waar op zijn lichaam je hem zult slaan, hoe je hem zult uitschakelen. Wanneer je hartslag omhoog gaat, wanneer je alert bent, wanneer je anticipeert en klaar bent voor actie. Dan gebeurt het niet.

Het gebeurt wanneer je verwrongen zit te peuren in je eigen kleine verlangens en zorgen. Wanneer je als De Denker van Rodin bent verworden tot steen, verhard, gestold, gefixeerd, blind, afgesneden van alles wat stroomt en bloeit en vloeit. De snerpende piekeringen. De recensent bij wie je boek niet terecht mag komen. De tv-redactie die het per se moet hebben. De krant die jou wel weer zal overslaan. Stapels op de tafels van de AKO en de Bruna: laat het zo zijn. De ingebeelde vragen van de interviews, de ingebeelde antwoorden, de ingebeelde fotopose. Nu nog iets verder voorovergebogen, de buikspieren nu nog iets meer aangespannen, de darmen nog iets meer verdrukt. Dan gebeurt het. Als de ramen net zo goed verduisterd kunnen zijn omdat je toch niets meer ziet. Als de zon uit de lucht kan worden gehaald, de wolken kunnen worden opgeborgen, de weilanden kunnen worden opgerold. Wanneer je hart alleen nog maar het gif van je eigen sores rondpompt. 

Dan. Dan kijk je op en zie je de loop. Heel even komt de wereld terug, in alle hevigheid. Heel even zie je hoe groot, zie je de kleuren, ruik je de geuren, hoor je het fonkelende geruis van alle dingen. Dan gebeurt het. Bewegen heeft geen zin meer. Handelen is te laat. Er is de flits van het leven en je denkt: Ja, hier, dit. Dan gebeurt het. 


Deze stukjes per mail? Klik hier. Boek in aantocht: Wij zeggen hier niet halfbroer (14 maart).

bespiegelingen op het pitchen van mijzelf

Gisteren moest ik, of mocht ik, Wij zeggen hier niet halfbroer (15 maart) pitchen bij een hele zwik boekhandelaren. Ze waren verzameld op de vijfde etage van Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Er was koffie en er was thee en er waren broodjes. En andere schrijvers, natuurlijk. Toen het mijn beurt was zat ik aan een tafel met een microfoon. Achter me werd het omslag van mijn boek geprojecteerd. Op een groot scherm zag je mijn gezicht, van toen ik een jongetje van negen of tien was. Er werden vragen gesteld en ik gaf antwoord. Daarna mocht ik een stukje voordragen.

‘Wat deed je dat goed, wat stond je er ontspannen bij.’ Blijkbaar kan ik dat goed, doen alsof ik ontspannen ben. Echter, in mij woedt een vuurzee. Mijn synapsen vuren zoveel angstzenuwen af dat mijn lichaam in fight-flightfreeze-modus gaat. Ik lijk kalm, maar ik ben klaar om me met ellebogen en vuisten een weg richting branduitgang te banen. Vrouwen en kinderen níét eerst. Eenmaal buiten zal ik mijn huid afstropen, dan mijn spieren, dan mijn organen, dan mijn botten, waarna ik als een wolk ijle lucht een koud meer in zal springen, alwaar ik als miljarden kleine luchtbelletjes door het water wens te worden opgenomen. Free at last!

De dag eindigde met speeddaten. Dat hield in dat de schrijvers een plekje moesten opzoeken en dat de boekhandelaren met hen konden praten. Er was een belletje. Als het belletje klonk moest er worden gerouleerd. Ik glimlachte braaf en keek naar het raam. Vijf hoog. Ik kon rennen en duiken. Een zweefduik. De heerlijke winterkou. Grandioos op de stenen te pletter slaan. Dan eindelijk diep kunnen ademhalen.

Later op de dag, terug in Eindhoven, keek ik naar de foto van mezelf aan die tafel. Met die projectie. Dat gezicht achter me, van de kleine ik. Wonderlijk, vond ik. Dat mijn jeugd en mijn herinneringen zich hadden gemanifesteerd als woorden, zinnen, papier, een boek. En dat die jongen die ik was nu een omslag sierde, en nu werd geprojecteerd, en dat ik aan een tafel zat te vertellen over dat boek, en dus over mij, of althans over de mij die ik uit die herinneringen heb weten te destilleren. Ik was met z’n drieën: de geprojecteerde Henk, de Henk aan die tafel en de Henk die naar de foto keek. En dan was er nog een vierde, die zichzelf aanschouwde van een afstand en zichzelf zag kijken naar die foto. 

Enfin, wat ik hiermee wil zeggen: ik ben te boeken voor voordrachten en interviews. Neem vooral contact op met mijn uitgever. 


Voor boekingen neem je contact op met Greta Le Blansch (g.leblansch@singeluitgeverijen.nl). Wil je deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier