roos, baudet en de diepzee

Ik liep naar school om m’n jongens op te halen en zag een verkiezingsposter van VNL met het hoofd van Jan Roos erop. Wonderlijk, vond ik. Ik dacht aan de filmpjes die die man maakte in zijn PowNews tijd. Het vernederen, het sarren. Laf iemand verrassen met een camera en inspelen op diens ongemak en zenuwen. De fantasieloze, banale humor. Ik dacht ineens: dit is het Tijdperk van de Klootzak.

Opportunisten als Roos zien hun kans. Ze zien het succes van Wilders, het succes van Trump, en ze ruiken bloed. Ze zien dat de wereld blijkbaar toe is aan klootzakken en ze denken: hé, maar wacht even, ik ben ook een klootzak! Een ander voorbeeld is Thierry Baudet, van Forum voor Democratie. De zelfverklaard belangrijkste intellectueel van Nederland. Een man wiens gebrek aan zelfspot alleen kan bestaan door hetzelfde narcisme dat ook Trump blind maakt voor zijn eigen bizarre voorkomen en gedrag.

Het is alsof er ergens op een fluit is geblazen en alle klootzakken ter attentie zijn gaan staan. Als stokstaartjes.

Ik vroeg me af hoe ver ze werkelijk denken te kunnen komen. Ik bedoel als ze, ahum, realistisch en eerlijk zijn. Misschien, dacht ik, hopen ze op één of twee zetels, en dat de PVV vervolgens zó groot wordt dat Wilders alleen nog hen nodig heeft voor het vormen van de coalitie PVV-VNL-FvD.

Dat deed me denken aan een vis die leeft in de diepzee. Daar waar geen licht komt en geen planten groeien zwemt een monsterlijke vis waarvan het vrouwtje tig keer groter is dan het mannetje. De kans dat ze elkaar in die duisternis tegenkomen is zeer klein, dus wat er gebeurt is het volgende. Op het zeldzame moment dat een vrouwtje een mannetje tegenkomt, en het mannetje tegen haar aan gaat zwemmen om haar te bevruchten, wordt hij ingekapseld in haar lichaam. Hij zit vast. Hij vergroeit met haar. Hij is nu als een extra orgaan. Het vrouwtje kan voorzien in haar eigen zaad.

Misschien is dat waar visjes als Roos en Baudet op hopen. Waar ze van dromen.


Ik dacht ik schrijf ook eens iets over politiek. Deze stukjes automatisch per mail? Klik hier

hondenman

Hier in de buurt woont een man met twee honden. Het zijn mooie honden. Fier. Type herder. De man is groot, een jaar of vijftig, alleenstaand, een beetje slodderig maar niet onverzorgd; waarschijnlijk weet hij gewoon niks van – en geeft hij niks om – mode en nieuwe kleding. Dat zie je ook wel aan zijn gezicht, dat hij daar niks om geeft. Mode is een mensending, en dus stom. Hij zal het aanstellerig vinden. Eigenlijk álles wat mensen doen en leuk vinden stuit hem tegen de borst. Vermoed ik. Met hun neppe glimlach en sociaal gedoe en leugens en verraad en politiek en en en en en.

Als ik ’s ochtends mijn jongens naar school breng komt hij vaak net met zijn honden de deur uit. Hij heeft dan ook een fiets bij zich. Hij ritst zijn jas dicht en briest condens. De honden staan ter attentie, hun warme natte neuzen dampend in de kou. Ze trekken niet aan de riem, janken niet, kwispelen niet hysterisch met hun staart. Blakende gezondheid. Intelligentie in hun ogen. Majestueus.

Want dat is belangrijk. Loyaliteit. Betrouwbaarheid. Duidelijkheid. Weten waar je aan toe bent. Niet dat gecompliceerde, hypocriete, kleverige en achterbakse dat de medemens typeert.

Als ik hem zie begroet ik hem. ‘Goeiemorgen!’ Hij groet dan terug met tegenzin en argwaan, en hij geeft me een blik die ook mij doet concluderen dat mijn begroeting inderdaad wel heel hypocriet en nep was. Want ook ik ben niet te vertrouwen. Ik stel mensen teleur, ben niet altijd een man van mijn woord, heb gekwetst. Dus daar heeft de man absoluut een punt. Na dat ‘Goeiemorgen!’ zou ik natuurlijk ‘Ik neem het terug!’ kunnen roepen, maar dat maakt de zaak er alleen maar gecompliceerder op, en dat wil hij juist niet.

Een hond verraadt je niet. Van een hond kun je op aan. En dat zie je als je naar die herders kijkt: het kost hen geen enkele moeite om zuiver van hart en gedrag te zijn.

Het is een bekend fenomeen. Het type dierenliefhebber dat in dieren alles ziet wat in een mens ontbreekt. Gek genoeg lijkt hij te zijn vergeten dat ook wij dieren zijn. En omgekeerd: dat ook hij een mens is. Wat ze haten in de mens haten ze, in feite, in zichzelf. Het is een soort verbittering. 

Door zich te beperken tot omgang met zijn honden denkt de man zich te kunnen onttrekken aan het menszijn, wat natuurlijk een zeer menselijke constructie is.


Abonneer je HIER op deze stukjes en krijg ze GRATIS in je mailbox. Er komt ook een boek aan: Wij zeggen hier niet halfbroer (14 maart). Daarover HIER meer info. 

wanneer het niet gebeurt/ wanneer het gebeurt

Het gebeurt niet wanneer je erop rekent, wanneer je je erop voorbereidt, wanneer je de ontsnappingsroute plant. Als je in de trein naar een Arabische man kijkt en hem verdacht vindt. Misschien draagt hij een djellaba, misschien heeft hij een baard. Misschien een kerel met een bomberjack, zenuwachtig, een Hollands vlaggetje op de mouw. Dan gebeurt het niet. Als je naar de uitgangen kijkt, als je inschat hoe snel je bij hem kunt zijn om hem te overmeesteren, waar op zijn lichaam je hem zult slaan, hoe je hem zult uitschakelen. Wanneer je hartslag omhoog gaat, wanneer je alert bent, wanneer je anticipeert en klaar bent voor actie. Dan gebeurt het niet.

Het gebeurt wanneer je verwrongen zit te peuren in je eigen kleine verlangens en zorgen. Wanneer je als De Denker van Rodin bent verworden tot steen, verhard, gestold, gefixeerd, blind, afgesneden van alles wat stroomt en bloeit en vloeit. De snerpende piekeringen. De recensent bij wie je boek niet terecht mag komen. De tv-redactie die het per se moet hebben. De krant die jou wel weer zal overslaan. Stapels op de tafels van de AKO en de Bruna: laat het zo zijn. De ingebeelde vragen van de interviews, de ingebeelde antwoorden, de ingebeelde fotopose. Nu nog iets verder voorovergebogen, de buikspieren nu nog iets meer aangespannen, de darmen nog iets meer verdrukt. Dan gebeurt het. Als de ramen net zo goed verduisterd kunnen zijn omdat je toch niets meer ziet. Als de zon uit de lucht kan worden gehaald, de wolken kunnen worden opgeborgen, de weilanden kunnen worden opgerold. Wanneer je hart alleen nog maar het gif van je eigen sores rondpompt. 

Dan. Dan kijk je op en zie je de loop. Heel even komt de wereld terug, in alle hevigheid. Heel even zie je hoe groot, zie je de kleuren, ruik je de geuren, hoor je het fonkelende geruis van alle dingen. Dan gebeurt het. Bewegen heeft geen zin meer. Handelen is te laat. Er is de flits van het leven en je denkt: Ja, hier, dit. Dan gebeurt het. 


Deze stukjes per mail? Klik hier. Boek in aantocht: Wij zeggen hier niet halfbroer (14 maart).

bespiegelingen op het pitchen van mijzelf

Gisteren moest ik, of mocht ik, Wij zeggen hier niet halfbroer (15 maart) pitchen bij een hele zwik boekhandelaren. Ze waren verzameld op de vijfde etage van Pakhuis de Zwijger in Amsterdam. Er was koffie en er was thee en er waren broodjes. En andere schrijvers, natuurlijk. Toen het mijn beurt was zat ik aan een tafel met een microfoon. Achter me werd het omslag van mijn boek geprojecteerd. Op een groot scherm zag je mijn gezicht, van toen ik een jongetje van negen of tien was. Er werden vragen gesteld en ik gaf antwoord. Daarna mocht ik een stukje voordragen.

‘Wat deed je dat goed, wat stond je er ontspannen bij.’ Blijkbaar kan ik dat goed, doen alsof ik ontspannen ben. Echter, in mij woedt een vuurzee. Mijn synapsen vuren zoveel angstzenuwen af dat mijn lichaam in fight-flightfreeze-modus gaat. Ik lijk kalm, maar ik ben klaar om me met ellebogen en vuisten een weg richting branduitgang te banen. Vrouwen en kinderen níét eerst. Eenmaal buiten zal ik mijn huid afstropen, dan mijn spieren, dan mijn organen, dan mijn botten, waarna ik als een wolk ijle lucht een koud meer in zal springen, alwaar ik als miljarden kleine luchtbelletjes door het water wens te worden opgenomen. Free at last!

De dag eindigde met speeddaten. Dat hield in dat de schrijvers een plekje moesten opzoeken en dat de boekhandelaren met hen konden praten. Er was een belletje. Als het belletje klonk moest er worden gerouleerd. Ik glimlachte braaf en keek naar het raam. Vijf hoog. Ik kon rennen en duiken. Een zweefduik. De heerlijke winterkou. Grandioos op de stenen te pletter slaan. Dan eindelijk diep kunnen ademhalen.

Later op de dag, terug in Eindhoven, keek ik naar de foto van mezelf aan die tafel. Met die projectie. Dat gezicht achter me, van de kleine ik. Wonderlijk, vond ik. Dat mijn jeugd en mijn herinneringen zich hadden gemanifesteerd als woorden, zinnen, papier, een boek. En dat die jongen die ik was nu een omslag sierde, en nu werd geprojecteerd, en dat ik aan een tafel zat te vertellen over dat boek, en dus over mij, of althans over de mij die ik uit die herinneringen heb weten te destilleren. Ik was met z’n drieën: de geprojecteerde Henk, de Henk aan die tafel en de Henk die naar de foto keek. En dan was er nog een vierde, die zichzelf aanschouwde van een afstand en zichzelf zag kijken naar die foto. 

Enfin, wat ik hiermee wil zeggen: ik ben te boeken voor voordrachten en interviews. Neem vooral contact op met mijn uitgever. 


Voor boekingen neem je contact op met Greta Le Blansch (g.leblansch@singeluitgeverijen.nl). Wil je deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier

onmogelijke liefde

Ergens in 2016 vroeg dichter/ schrijfster Marieke Rijneveld me of ik een relatie zou kunnen hebben met een schrijfster van wie ik het werk slecht vind. Gisteren werd ik aan dit gesprek herinnerd omdat schrijver Walter van den Berg (och ik ken zo veel schrijvers!) me vertelde dat zijn vriendin bezig is met een roman. Ik vertelde hem over de gewetensvraag van Marieke, waarop hij zei: ‘Gelukkig kan mijn vriendin echt goed schrijven.’

De vraag van Marieke heeft me destijds best even beziggehouden en ook gisteren zat ik er weer op te broeden. Het nobelste, meest romantische antwoord zou natuurlijk zijn: ‘Ja, natuurlijk!’ Als je van elkaar houdt hoef je niet alles wat de ander doet geweldig te vinden. Integendeel: juist als je van elkaar houdt moet je daar eerlijk en volwassen over kunnen zijn. Oké, je vindt haar werk niet goed, misschien zelfs wel slecht, maar je houdt van haar humor, haar warmte, haar aanwezigheid, haar kleine oneffenheden, etc., etc,. etc.

Tot zover de theorie. Nu de praktijk.

Ze is bezig met haar eerste manuscript. Ze werkt er als een bezetene aan. Soms zit je samen te werken, tegelijkertijd, zij aan haar boek en jij aan het jouwe, samen aan tafel. Ze laat je de eerste dingen lezen. Je vindt het niet goed. Het is te simpel, te sentimenteel, te makkelijk. Misschien schrijft ze wel over kindermisbruik, of het overwinnen van kanker. Stilistisch gezien is het karig; op zinsniveau gebeurt niks spannends.

Je bent er eerlijk over. Je ziet dat ze is gekwetst maar het moet kunnen, je bent gewoon eerlijk. En ook zij zegt: ‘Ja, ik wil dat je eerlijk bent.’ Je biedt aan om haar te helpen. Heel even gaat dat goed. Dan merk je dat het geen zin heeft, dat het er gewoon niet inzit. Ze mist dat ene, dat ongrijpbare, dat magische. Ze is geen schrijver. En zij raakt geïrriteerd. Ze haalt haar werk bij je weg, wil niet langer worden afgeleid door de twijfel die je bij haar opwekt. Bovendien besluit ze dat jij ook niet alles weet, en dat zijzelf ook best kan bepalen of het goed is.

De roman wordt geaccepteerd door een uitgever. Ze tekent een contract. Je gaat het samen vieren. Je vindt het oprecht geweldig voor haar. Maar zij weet, en jij weet, dat jij het boek eigenlijk niet goed vindt. Je drinkt wijn bij een diner en je lacht en je proost, maar ondertussen.

Al voor de boekpresentatie heeft ze meerdere interview-aanvragen. De bladen willen weten in hoeverre wat ze schrijft waargebeurd is. Op de boekpresentatie houdt de uitgever een speech. Hoe blij ze met haar zijn. Ze staat daar en ze vangt je blik. Ze ziet je goedbedoelde, maar mistroostige glimlach. Ze slaat haar ogen neer.

Het boek wordt een succes. Ze verkoopt meer exemplaren van dit ene boek dan alle boeken die jij ooit hebt geschreven en nog gaat schrijven bij elkaar. Ze is trots. Ze krijgt brieven van lezers. Maar zij weet wat jij weet, en jij weet wat zij weet, en dat gegeven ligt iedere avond in bed als een rottend kadaver tussen jullie in.

Dan zegt ze het. Voor het eerst. ‘Je bent gewoon jaloers.’ En vervolgens, in een andere context: ‘Sorry, schat, maar blijkbaar vinden ongeveer honderdduizend mensen mij de betere schrijver.’

Er is geen redden aan. Het kan niet.


Deze stukjes per mail ontvangen? KLIK DAN HIER. En deel ze gerust. Boek in aantocht: Wij zeggen hier niet halfbroer.