jarig pt 2

Maandag schreef ik al dat ik zondag jarig was en ik dat de avond ervoor had gevierd met vrienden bij een concertje. Maar wat ik nog niet had geschreven is dat ik de volgende dag met mijn moeder naar Rotterdam ben gegaan, met de trein, naar mijn vader. Een oude vriend van hen zong die middag klassieke liederen en we gingen daar met z’n drieën naartoe. Ik had drie uur geslapen, had een kater en keek steeds op mijn telefoon om te kijken of ik op Facebook dat leuke meisje van de avond ervoor kon vinden.

Mama en ik in de trein. Allebei aan het lezen. Ik heb het van haar, boeken lezen, en ook het schrijven, maar die twee dingen heb ik ook van mijn vader. Ze leerden elkaar kennen op de toneelacademie. Zij was al getrouwd en had al drie kinderen. Hij speelde heel mooi piano. Het ging zoals dat gaat. Toen was ik er. Mijn vader schreef toneelstukken en mijn moeder regisseerde ze. Amateurtoneel. Dat was hun grote liefde. Dat, en ik. Mijn moeder en ik reisden ieder weekend naar Rotterdam, want doordeweeks leefden we bij mijn stiefvader, de vader van mijn broers. Op mijn vijftiende verhuisde mama naar Curaçao en gingen ook mijn vader en zij uit elkaar. Mijn pa was jurist geworden. Geen toneel meer.

Rotterdam CS. Ze zoenden elkaar. We liepen het metrostation in. We aten een broodje. Ik dronk ginger ale, goed voor een kater. Ik was erbij maar ik was ook elders. Die kater maakte me troebel, maar ook te gevoelig. Het was vanzelfsprekend, zoals we daar zaten, maar het was ook vreemd. Ik was zesendertig en ik was zes. Ik wilde blijven en wegrennen. Ik wist niet goed wat ik voelde. Och, kon ik toch maar dat meisje vinden op Facebook!

Naast elkaar op stoeltjes in de kluisruimte onder boekenwinkel Donner. Mooie liederen van een man die het brandpunt van onze gedeelde geschiedenis leek te zijn. Het raakte me, ontroerde me, maar na een tijdje kon ik amper mijn ogen openhouden.

Regen en wind, werkzaamheden aan het spoor. Mijn vader bracht ons met de auto terug naar Eindhoven. Ik zat achterin. Een kind. Op vakantie. Een puber met een telefoon. Maar ik luisterde. Ik hoorde hoe ze langzaam in het vaarwater van hun oude zeeën terecht kwamen. Hij is weer een stuk aan het schrijven, mijn vader. Voor het eerst sinds meer dan twintig jaar geleden. Mijn moeder kon haar geluk haast niet geloven; ik hoorde het aan de afgemeten kalmte waarmee ze op het nieuws reageerde. Hij vertelde haar erover en zij luisterde en gaf commentaar. Precies zoals ik ze dat in mijn kindertijd ook hoorde doen, eindeloos, terwijl ik met speelgoed zat te spelen op de vloer van ons kleine flatje in Delfshaven.

Ik en mijn telefoon en mijn kater achterin die auto. Dat leuke meisje nog niet gevonden. Ik wist haar naam ook niet. Ik zag mezelf zo zitten, als in een boek, en dacht toen: Nee, dit is jouw verhaal niet. Dit was ook mijn moeders verhaal. En mijn vaders verhaal. Dit was ook hún perspectief, een hoofdstuk in hún geschiedenis. Ik weet niet waarom, maar dat gaf ineens heel veel rust. Dat mijn boek niet het enige boek was. Dat ik me kon losrukken van het hoofdpersonage dat ik aldoor ben, dat vaak voelt als een dwangbuis.

Wat wonderlijk allemaal hè?

Ja, ik weet het: dit stukje is langer dan gebruikelijk en langer dan de limiet die ik mezelf heb opgelegd. Maar jammer dan. Jullie doen het er maar mee. Fijn weekend. Tot maandag. Koop mijn boek. Hou je taai. 

schaamte, schaamte, schaamte

Ochtend. Een suffig, generiek broodzaakje in de stad. Twee kassa’s, een eigen plekje om broodjes af te bakken en te beleggen, een vitrine. Twee meisjes, eentje bij de kassa’s, eentje bij de broodjes. Bedrijfskleding: een schort, een shirt met logo, een hoedje. Het meisje bij de broodjes snijdt een tomaat. Op dat moment verschijnt de bedrijfsleider. Een flinke man, jaar of dertig, overhemd in een net iets te wijde broek van Dickies, grote sleutelbos aan riemlusje.

Whazzup,’ zegt hij.

Whassuuuuup,’ zegt het meisje bij de broodjes, en meteen daarna: ‘It’s ya boy!

En mijn maag draait om. Want het lukt ze niet. Het klopt niet. En ze voelen het. Zijn whazzup was een poging tot vlot zijn, de leuke bedrijfsleider zijn. Hij heeft geen idee waarom hij het precies zegt, of waar het vandaan komt; zijn brein voert hem allerlei populair-culturele associaties. Het meisje slaat erop aan. Whassuuuuup. It’s ya boy! Ook dat komt uit een tv-serie, of film, of uit de hiphopcultuur. Het is ironie, maar ook weer niet; ze weten het zelf ook niet precies. Ze proberen het leuk te houden, en luchtig. Maar het slaat direct dood en de stilte die erop volgt is verschrikkelijk.

De bedrijfsleider gaat bij de kassa staan en tikt op het computerscherm. Hij trekt zijn te wijde broek omhoog. Het andere meisje staat zwijgen naast hem. Het meisje bij de broodjes begint te zingen, maar ook nu weer een beetje voor de grap, zodat één van de andere twee erop aan kan slaan. Haar hoedje zit te hoog op haar hoofd. De werkdag is pas net begonnen. 

Hun poging tot toenadering, erkenning, ontwapening. Het is begrijpelijk, en prima, en menselijk. Maar ik voel alles. Hun ongemak is mijn ongemak. Hun dissonantie, de asynchroniteit van hun dans. Het komt allemaal veel te hard bij me binnen. Ik wil het niet zien, niet voelen, maar ik sta machteloos.

Ik ben de Atlas van de gêne; ik draag alle gêne van de wereld op mijn schouders.

Voilà, het stukje van donderdag. Je kunt hem delen, als je wilt, met de knoppen hieronder. Een heel assortiment aan knoppen, zoals je ziet. Mijn roman heet Bidden en vallen. En o ja, gisteren ontmoette ik Jan-Peter Balkenende. Maar dat is weer een heel ander verhaal. 

schuld

Een soldaat belt vanuit Afghanistan met zijn vriendin.

Wil je straks aan je pik trekken voor mijn kut?

Ja.

En wat moet ik doen?

Dat ga ik niet hardop zeggen.

Moet ik me vingeren? Zal ik mezelf vingeren?

Dat is goed.

Moet ik mijn kut vingeren voor jouw pik?

Dat is goed, zei hij.

Goed, zei Sandra.

Goed, zei Marco.

Ze zeiden een tijdje niets.

Hoe is het met Rocky?

Een dialoog uit de vierde roman van Walter van den Berg. Een fantastische, donkere, trieste roman. De dialoog hierboven laat het mooi zien; de onbeholpenheid, het niet weten hoe te leven, de kwetsbaarheid verstopt onder lagen eelt en pijn en onmacht en afgestomptheid, en het toch proberen. Een roman die zich afspeelt in Amsterdam West. Het arme deel. Volk dat elkaar weinig gunt, elkaar naar beneden trekt, de spot drijft met ambitie, intelligentie, diploma’s, eigenzinnigheid. Maar overlevers, dat wel. Althans sommigen. De mooiste personages voor mij waren Zanger Ronald en zijn zoon Kevin. Kevin lijkt eerst een sociopaat te zijn, maar zijn perspectief kantelt prachtig.

Mijn broer had nog gezongen op de avond dat hij iemand doodsloeg. Zo begint het. Een boek dat, als je per se vergelijkingen wilt maken, en dat wil ik, doet denken aan een samensmelting van de boeken van Alex Boogers en die van Irvine Welsh, en dan met name Filth en Marabou Stork Nightmares. Dat grimmige, meedogenloze, vieze, afschrikwekkende.

En zo strak geschreven, dit boek. Zo feilloos. Zo hard, nuchter, koud, goed, weerzinwekkend. En wat Walter doet, wat ik altijd zo gaaf vind in andermans boeken, als het tenminste echt goed gedaan wordt, is de dialogen schrijven zonder aanhalingstekens. Je weet wel, zoals Cormac McCarthy ook doet. Dat maakt het geheel nog meer gestript, stijlvast, netjes. Na zo’n boek vind je aanhalingstekens ineens lelijke dingen die een boek er alleen maar rommeliger op maken. Als ik het zelf probeer lukt het voor geen meter; je weet niet of er gesproken wordt of dat de verteller aan het woord is.

Verdomme zeg hé, die Walter.

Het boek van Walter van den Berg is nu verkrijgbaar. In ander nieuws: mijn eigen roman, Bidden en vallen, is genomineerd voor de Nederlandse Boekhandelsprijs 2016

al fietsend

Hoe zit dat met groenten/ vruchten en mineralen? In bananen, bijvoorbeeld, zit magnesium. In aubergines zit kalium en koper. Of neem ijzer in spinazie. Worden die mineralen ín de vrucht/ groente gemaakt? Of neemt de plant die op uit de aarde en komen ze zo in de vrucht? Dus een banaan die groeit op aarde zonder magnesium bevat geen magnesium? Of toch? En als de vrucht de mineralen wel zelf maakt, waarván dan? Uit het niets? Kan spinazie ijzer máken? En wat gebeurt er als de vrucht op de aarde valt en wegrot? Blijven de mineralen dan in tact? Of kunnen mineralen ook vergaan?

Het zadel van deze fiets is echt kut. Het zakt steeds schuin naar achteren, waardoor ik op de punt zit. Het is niet te doen. Hoe zou het zijn, stel, dat je hier de Tour de France mee zou móéten fietsen? Wanneer gaat het dan écht niet meer? Het publiek is verbaasd, maar hóé verbaasd? Je team moedigt je aan. Je hebt de beste coaches. Maar wanneer zeggen ook zij: dit slaat nergens op, kom er maar vanaf? Zou het niet cool zijn als er ook een fietswedstrijd bestond voor mensen met gewóne fietsen? 

Brian Johnson, toen die auditie deed voor AC/DC, en hij introduceerde zichzelf aan de rest van die band, nadat hun eerdere zanger Bon Scott net was overleden, en hij begon voor het eerst tegen hen te praten, dachten die lui toen niet: Hoor dan hoe deze vent praat; alsoffie de hele dag op keelpastilles gemaakt van schuurpapier zuigt en sjekkies met steenkool rookt! Die kan toch niet zíngen? Hoezo komt hij auditie doen?! En hoe vet was het toen Brian het mocht proberen en hij bleek te kunnen zingen zoals hij zingt? (Thun-der!)

Oké, ik ben thuis. Fiets op de standaard. Lekker naar binnen. Kopje thee. Beetje porno kijken misschien.

Ja, ook deze stukjes staan ertussen. Ik maak geen onderscheid. Lover of man and beast alike. Morgen plaats ik een recensie van Schuld, de nieuwe roman van Walter van den Berg. Zelf schreef ik ook een boek: Bidden en vallen.

jarig

Ik was gisteren jarig. Zaterdagavond ging ik met een paar vrienden eten en aansluitend naar een rockbandje kijken. Om twaalf uur zou ik dan jarig zijn; je snapt het principe. Ik was met jongens die ik al meer dan twintig jaar ken. Met wie ik zelf tien jaar lang in een bandje zat. We hebben nu kinderen, vrouwen, banen, hypotheken, exen.

Zesendertig is een vreemde leeftijd. Je kunt nog meedoen met de twintigers. Je krijgt nog geen blikken: Wat doen die oude lullen hier? Je kunt gewoon naar een hip rockbandje kijken en doen alsof je niet stiekem toch ook al een beetje cynisch bent (‘Dit is gewoon The Ramones!’ schreeuwde ik tegen een vriend, en bij een volgend nummer: ‘Dit is gewoon The Strokes!’). En ja, ik kon ook nog gewoon een beetje flirten met een mooi meisje daar. Toch voelde ik het: de bulldozer die me langzaam uit de wereld van de jeugd duwde. Nog ietsjes verder en ik zou de diepte in tuimelen.   

Mijn vrienden. Zo mooi, hoe onze wielen meteen in de rails van vroeger klikten. Tien jaar samen optrekken, toeren in een busje, wakker worden op de vloer van vreemden. Ik zie ons ouder worden, ik zie de eerste grijze haren en rimpels, maar het blijft moeilijk om ons niet als jongens te zien. Dezelfde harde humor, hetzelfde haarfijne begrip. In die zin was er nog niks aan de hand. We hoorden daar. Het was niet moeilijk om erin te geloven.

Om half twee, in een kroeg iets verderop, kwam onze maskerade ten einde. Vermoeide mannen aan een biertje dat tergend langzaam werd gedronken. Er werd gegaapt. De wallen verschenen. Ik liep naar huis met een vriend die bleef slapen, onze levens zwaar in onze benen. En die twintigers natuurlijk ergens aan het dansen. Helemaal uit hun bol natuurlijk.

Felicitaties zijn niet nodig. Zeggen dat zesendertig nog hartstikke jong is, ook niet. Wat je wél kunt doen is mijn roman kopen: Bidden en vallen. Of dit stukje delen, bijvoorbeeld met de knopjes hieronder.

600

Omdat ik deze nieuwe website heb kan ik zien hoeveel mensen me bezoeken. Dat kon met die andere site niet. Iedere dag dat ik een nieuw stukje plaats wordt de site vierhonderd tot vijfhonderd keer bezocht. Daarnaast plaats ik ieder stukje ook op Facebook. Daar scoren ze tussen de zeventig en tweehonderd likes, meestal iets meer dan honderd. Dus laten we gewoon zeggen dat mijn stukjes door zeshonderd mensen worden gelezen. 

Ik vond dat eerst heel weinig. Mijn populairste stukje op Lindanieuws.nl, destijds, werd honderdduizend keer aangeklikt. Ik ken iemand die schrijft voor De Correspondent, en zij zou huilen bij zeshonderd kliks. Of neem Ronnie Flex of zo; zijn videoclips worden honderdduizenden keren bekeken. Maar toen zat ik gisteren koffie te drinken met een vriend. En hij zei: ‘Iedere dag zeshonderd mensen, dat is iedere dag een uitverkochte middelgrote theaterzaal.’ Daardoor vond ook ik die zeshonderd mensen ineens een mooi aantal. Nu zie ik mezelf als iemand die iedere dag het podium van een uitverkochte zaal oploopt. En buigt.

Dan nu wat over de stukjes die het goed doen en de stukjes die het niet goed doen. Stukjes die het goed doen zijn vaak een beetje ontroerend of melancholisch. Stukjes die het wat minder goed doen zijn de wat abstractere, zoals die waarin ik graag een zeekoe zou willen zijn, of die waarin ik plots een robot ben geworden. Op nummer één, met stip, staat het stukje over Siewert van Lienden. Maar dat is omdat dat stukje heel veel werd gedeeld op Twitter. Mensen zijn gek op kritische stukjes over de actualiteit. Ik broed al een tijdje op een nieuwe, maar volgens mij is onder me het ei al gaan rotten.

Nou ja, wat ik maar wil zeggen is: ik vind het leuk dat jullie er zijn. Fijn weekend en tot maandag!

Je kunt de stukjes delen met de knoppen hieronder. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen. En voor degenen die zich rot voelen over het stukje van gisteren: zondag ga ik met mijn moeder naar een klassiek concert. Ik zal lief voor haar zijn. 

aubergine, mama, boek, koffie met hagelslag

Half achtig. Mijn moeder kwam een Curverbakje eten brengen en in het halletje stonden we nog wat te kletsen. Normaal houd ik haar buiten de deur, maar het regende.

H: ‘Lekker. Ik eet het morgen want nu heb ik al gegeten. Ik heb gekookt. Ben voor één aubergine naar de bio-supermarkt gefietst. Aubergines van de Albert Heijn komen uit Spanje en daar gebruiken ze veel gif.’

M: ‘Aubergine, hoe doe je dat? Ik kan daar niks mee.’

H: ‘Hoog vuur bakken, met Kikkoman.’

M: ‘Ik las laatst dat je je daar niet zo druk over moet maken, over producten die van ver komen. De man die dat schreef was trouwens heel-‘

H: ‘Niet afdwalen, blijf bij het onderwerp. Wat zei hij? En ging dit over afstand die een product aflegt, en dus de brandstof die het kost en het milieu, of over de bestrijdingsmiddelen?’

M, onzeker:  ‘Over de afstand.’

H: ‘Wat was zijn argument dan? Hoe kan de afstand niet uitmaken? Schepen, benzine… Nou?’

M, ogen knipperend: ‘Als je dat zo fel vraagt weet ik het niet. Ik neem de laatste tijd sowieso heel slecht nieuwe informatie op, ik vergeet alles meteen weer.’

H: ‘Heb ik ook. Maar ik had het dus over dat gif. Daar hadden we het over. Had hij daar ook iets over te zeggen? En over wie hebben we eigenlijk?’

M: ‘Zo lukt het me niet. Ik moet eerst veilig thuis zijn, dan weet ik het weer.’

H: ‘Oké, ga maar veilig naar huis dan.’

M: ‘Hoe gaat het met je boek? Het is behoorlijk zichtbaar.’

H: ‘Ja, heel zichtbaar, maar niemand koopt het.’

M, opnieuw knipperend: ‘Niemand?’

H: ‘Ja, nou ja, niet genoeg mensen om een eerste druk uit te verkopen.’

M: ‘Toch heb je niet te klagen hoor. Er zijn genoeg schrijvers die-‘

H: ‘Ik klaag ook niet, mam, maar jij vraagt hoe gaat het met mijn boek. Ik geef antwoord.’

M: ‘Het is ook niet echt een feel good boek hè?’

Nadat ze was vertrokken dronk ik oploskoffie. Sinds een paar dagen strooi ik een beetje hagelslag bij de oploskoffiekorreltjes. Ik doe dat alleen bij de avondkoffie. Die ga ik dan heel lekker zitten opdrinken, in m’n eentje.

Iedere doordeweekse dag hier een stukje. En over dat zichtbare boek, ik vond zojuist toevallig weer een leuke recensie

treinleven pt 3

Tegenover me in de trein zit een jongen van in de twintig. Simpel gekleed, slank. Een rugzak van de TU/E, de Technische Universiteit van Eindhoven. Die rugzakken zie je in onze stad heel vaak. De jongens die ze dragen fietsen altijd harder dan jij maar stoppen bij ieder rood stoplicht, ook al is er geen verkeer. Hij leest een boek, Horror in Architecture, waarin hij heel geconcentreerd zinnen onderstreept met een potlood.

Dan een jongen van Railcatering, vrolijk en beleefd. De jongen tegenover me vraagt: ‘Wat kost een flesje water?’ Waarop de verkoper zegt: ‘Eén euro zeventig.’ Heel beheerst haalt de jongen zijn portomonee tevoorschijn. Hij telt de muntjes uit en heeft het bedrag dan gepast. ‘Een flesje water, graag.’ Het is alsof hij iedere handeling wil uitvoeren op de manier die hij thuis heeft geoefend.   

De verkoper haalt het flesje uit zijn koeltas maar de jongen pakt het niet aan. Hij kijkt ernaar. ‘Die vind ik te klein,’ zegt hij. Een moment van ongemak hangt tussen hen in. Niet alleen tussen hen, maar ook tussen de passagiers in de directe nabijheid. ‘Ik heb geen andere,’ zegt de verkoper. ‘Dat kan,’ zegt de jongen. ‘Maar die vind ik te klein. Ik verwachtte vijftig centiliter en dat is drieëndertig centiliter.’ Ik zie dat het misverstand hem in verlegenheid brengt maar ook dat hij die verlegenheid accepteert. De verkoper loopt door, een beetje beduusd.

Ineens ben ik ongelofelijk jaloers op hem. Ik wil dat ook voor mij een transactie, hoe klein ook, gebaseerd moet zijn op redelijkheid en wederzijdse tevredenheid. Niet steeds O, doe dan maar. Niet steeds de lieve vrede willen bewaren. Niet steeds lui, laks, laf, zogenaamd laconiek en, nog erger, normaal. Nee, dat ik nadenk over waar ik mijn centjes aan uitgeef. Dat ik, ook al gonst de gedeelde of plaatsvervangende schaamte nog door de coupé, me daar niks van aantrek en ik, als het voorbij is, net als deze jongen heel doelbewust een thuis gesmeerde boterham met kaas uit een broodtrommel kan gaan zitten eten. Volledig in mijn recht. Geconcentreerd op mijn boek, onvermurwbaar. Misschien een beetje dorstig. 

Ook vandaag weer een stukje. Deze is iets te lang; mijn limiet is eigenlijk driehonderd woorden. Het zij zo. Je vindt deze stukjes ook op mijn Facebook. En ik schreef een roman: Bidden en vallen

treinleven pt 2

In de Starbucks op Eindhoven CS lopen een vader en zijn puberzoon met hun consumpties naar een tafeltje. De zoon – lang lichaam, mat en droog haar waarvan alleen het voorste beetje met gel is gemodelleerd – heeft een espresso en een bekertje water. De vader – fors, buik, bril, beige C&A-jas – heeft een enorme mok chocomel met erbovenop een ontzagwekkende berg slagroom. Hij glimlacht gegeneerd. Hij ziet zichzelf door de ogen van anderen: een net iets te dikke man met een veel te grote toef slagroom op zijn chocolademelk. Daarbij is het misschien een beetje kneuterig, een volwassen man met chocomel en slagroom. Maar de gêne is niet groot genoeg om hem tegen te houden; hij heeft er te veel zin in. Zijn glimlach zegt: sorry, ik weet hoe dit eruit ziet. Zijn fonkeloogjes zeggen: dit wordt smullen.

Ze gaan zitten. De puberzoon voelt zich opgelaten, opgesloten in zijn slungelige, nieuwe lichaam. Hij zwijgt en staart naar zijn espresso. De vader glimlacht even om zich heen en kijkt dan naar zijn zoon. Hij zoekt naar woorden. Hij doet zijn best. Hij wil die brug over. ‘Een ekspresso hoort zo klein te zijn hè?’ zegt hij. De zoon mompelt zonder op te kijken. ‘Slagroom op je ekspresso, dat is dus óók heel lekker, wist je dat?’ De vader zegt het te hard. De zoon mompelt, trekt zich nog verder in zichzelf terug en vat bijna vlam. Als hij een knop had die hij kon indrukken en zo zijn vader in een mushroom cloud van rook kon doen opgaan, zou hij hem indrukken.

O, vaders en zoons. De eeuwige kloof. De eeuwige stuntelige toenadering. Hun liefde als een homp klei, als een wit bestelbusje met panne langs de snelweg.

Ik noem dit stukje treinleven part 2, maar een part 1 zul je niet vinden. Het stukje fleece, echter, is feitelijk treinleven part 1. Dus daar begin ik met tellen, als je dat niet erg vindt. Heb je mijn roman al? Hij heet Bidden en vallen

kleine impressie van het weekend

Vrijdagavond kwam mijn oudste uit bed om te vertellen wat mijn jongste in zijn slaap mompelde: ‘Game-uurtje, game-uurtje.’ Daar moesten we allebei heel hard om lachen. Ik vind dat heerlijk, dat mijn kinderen nu oud genoeg zijn om samen met mij, los van elkaar, de ander uit te lachen.

Zaterdagochtend: tv en gamen. Mijn jongste eindelijk zijn gedroomde game-uurtje. Daarna moesten ze met me mee; sinds ik de sport heb herontdekt wil ik ook in het weekend kickboksen. Ze zagen me zweten en hijgen en keken toe terwijl ik ploeterde in de ring. ‘Jij hebt zó hard verloren,’ zei mijn oudste.

Naar Ikea voor een poef, twee kussens voor op de bank en een lamp. Ik had een knietje op mijn bovenbeen gehad; het begon te zwellen en ik liep mank; ik hield die klootzakjes niet bij. Ze ploften neer op alle bedden. Mijn oudste werd streng toegesproken door een medewerker met bril en tatoeage-armpje. ‘Het is in orde,’ zei ik tegen die man. ‘Ik heb ook tatoeages.’

Daarna mogen-we-nee’end door de kinderafdeling. ‘Mogen we-‘ ‘Nee.’ ‘Mogen we-‘ ‘Nee.’

Alle drie een milkshake. Mijn benen slap als pudding, pijnlijk en ruw. Mijn oudste zat op een kruk naast de machine en complimenteerde mensen met hun keuze. ‘Vanille, goeie!’ ‘Aardbei, lekker!’

‘Mijn muts!’ riep hij ineens, angst op zijn gezicht. ‘Ik heb mijn muts laten liggen!’ Nog een  keer de Ikea door. De héle ronde. Ik strompelde nu nog erger en ik vloekte, kokend tussen de hordes koopzombies. De muts lag naast een nep-laptop in een van de modelkinderkamers.

Ik duwde de spullen én de kinderen met zo’n metalen kar naar de auto. ‘Jij duwt echt zó langzaam,’ zei m’n oudste, de milkshake-resten nog om zijn lippen, de muts weer op zijn hoofd. Mijn jongste peuterde in zijn neus.

Toen ze in bed lagen kon ik eindelijk op de bank zitten met mijn voeten op de nieuwe poef. Alleen is het geen poef, want die waren te duur. Het is een goedkoop plastic krukje met een afgeprijsd kussen erop. Het kussen heeft flosjes.

Van maandag t/m vrijdag, als het lukt, iedere dag een stukje. For better or for worse.