het boek, de voortgang

Gisteren heb ik met Elik, mijn uitgever en redacteur, over Wij zeggen hier niet halfbroer gesproken. De stapel A4’tjes op tafel tussen ons in, haar aantekeningen in de kantlijnen. En zeker: een streep door een zinnetje hier en daar. Maar een boek telt natuurlijk ook heel veel zinnetjes, dus ik kan er best een paar missen. We willen publiceren in het voorjaar.

Een meesterwerk wordt het, zegt ze. Mocht je het nog niet weten: het is een boek over mijn jeugd. De ondertitel is: Een jeugd. Waarmee ik hoop te communiceren dat het geen heel erge jeugd betreft, of een heel spectaculaire. Het is gewoon een jeugd, zoals mijn leven ook gewoon een leven is. Een leven hoeft niet uitzonderlijk te zijn om zich te laten vertalen naar mooie literatuur. De schrijver moet alleen oog hebben voor het uitzonderlijke ín dat gewone leven.

De stapel zit nu nog in m’n tas. Ik ga er komende week weer mee aan de slag. Het werk dat ik heb te verzetten is niet onverzettelijk. Het is niet als met Bidden en vallen, toen ik al die personages en tijden met elkaar moest verweven en steeds weer moest terugbladeren om te kijken of het allemaal nog wel klopte.

Ook het omslag is klaar. Dat laat ik je nu nog niet zien. Als je ook maar een beetje verstand hebt van marketing dan weet je dat je mensen steeds een teaser moet geven. Ook dit stukje is een teaser. Ik mag niet meteen alles prijsgeven. Ik moet de mensen hongerig maken.

Nee, wacht, mensen zíjn natuurlijk al hongerig. Altijd hongerig. Ik moet hun honger dus naar me toe zien te trekken.

Ik liet het boek ook al aan schrijver Walter van den Berg lezen. Die mailde me vervolgens dat hij me wilde knuffelen. Ik hoop niet dat ik diezelfde aandrang bij jullie allemaal teweeg breng. Een mooie boel zou dat worden. Maar als ik dat ervoor over moet hebben; het zij zo.


Ik stuur je deze stukjes graag automatisch per mail. Klik hier als je dat wilt. Mijn roman heet Bidden en vallen. Fijn weekend.  

ontbijtracisme

‘Er was laatst een bruin jongetje in de wijk,’ vertelt mijn oudste zoon (9) aan het ontbijt. ‘Die zei dat ik zijn geloof beledigde, en hij noemde me witte dit en witte dat.’ Hij vertelt er opgewekt over. Al snel weet ik waarom. ‘Let op wat ik toen deed,’ zegt hij, en hij begint te beatboxen. Hij laat de beat drie maten doorgaan en zegt dan: ‘Nigga nigga nigga.’ Een grote grijns.

‘Nee!’ roep ik, kwaad. Hij schrikt. Ik zucht. ‘Dat moet je niet doen,’ zeg ik. ‘Iemand pesten om zijn huidkleur, dat vind ik echt heel erg.’ Waarop hij uiteraard antwoordt: ‘Maar hij zei witte dit en witte dat.’ Ik zeg dat hij het dan nog niet hoeft terug te doen, zich niet hoeft te verlagen tot het niveau van dat jongetje. ‘Noem hem dan een racist of zo,’ stel ik voor. Hij fronst, zijn neus gaat wat omhoog. Racist? Moet hij dáár indruk mee maken?

‘Maar in al die rapliedjes dan?’ zegt hij. ‘Die gasten zeggen de hele tijd nigga.’

Ik staar hem aan, kijk op mijn horloge, zie dat het tijd is om naar school te gaan, moet de overblijfboterhammen nog smeren, kijk naar m’n jongste (6), zie ook hem vragend naar me kijken (melk op zijn kin) en ik zucht opnieuw. ‘Ja, klopt. Dat ís ook raar. Zij mogen het wel. Het heeft een reden, maar die gaat helemaal terug tot de slaventijd.’ Allebei staren ze me aan. ‘Dat is te ingewikkeld voor nu, oké? Je moet gewoon accepteren dat het een regel is. Bruine mensen mogen wel nigga zeggen en jullie niet.’

Mijn oudste: ’Maar jij doet het wél.’

Ik: ‘Ja, wanneer ik meezing met die muziek.’

Oudste: ‘Ja? Dus?’

‘Luister,’ zeg ik. ‘Ik zeg dit ook gewoon voor je eigen bestwil. Je krijgt er mot mee. Leg je er gewoon bij neer. Jij mag geen nigga zeggen. Zéker niet om iemand te kwetsen.’

Een tijdje is het stil. Dan, naast me, begint mijn jongste binnensmonds de beat van zijn oudere broer te imiteren. Gevolgd door: ‘Nigga nigga nigga.’ Hij kijkt me even aan en moet er dan zelf heel hard om lachen. Ik laat mijn hoofd naar voren vallen, druk mijn gezicht in de Honey Loops met melk.


Leuk stukje? Deel hem gerust, bijvoorbeeld met de knoppen hieronder. 

bedelaars

Er wordt omgeroepen. Er is in deze trein een bende bedelaars actief. Ze leggen pakjes met papieren zakdoekjes bij je neer met een zielig briefje erbij. Gaarne deze mensen te negeren.

Ik ken het fenomeen. Ze leggen een pakje zakdoekjes bij je neer, lopen door, komen terug en hopen dat je het pakje hebt vervangen door een Euro.

De sfeer in de coupé verandert. Of liever zeg ik: de realiteit van de coupé verandert. Het is niet dat het nou zo spannend is dat er bedelaars in de trein aanwezig zijn. Net als ik zullen ook de meeste anderen hier vaker met hen te maken hebben gehad. Het is niet eng, niet gevaarlijk. Ze zijn niet echt lastig. Het is hooguit irritant.

Het is slechts de plotse aanwezigheid van de mogelijkheid, hoe nietsbetekenend ook. Ergens in de trein zijn bedelaars en ze kunnen in deze coupé komen. Niet iets om ons echt zorgen over te maken, om zelfs maar mee bezig te zijn. Maar er is nu het besef van een mogelijkheid, hoe banaal ook, dat er net niet was. Dat heeft de aard van de werkelijkheid veranderd. Het is alsof er een extra noot is aangeslagen op een gitaar met duizenden snaren. 

De glazen deur zwaait open en er komt iemand binnen. In ieders hoofd klinkt het: bedelaar. Het is een meisje van de railcatering. In de coupé: een minuscule maar voelbare rise and fall van alertheid, een korte koerswijziging van de focus. Opnieuw gaat de deur open. Een vrouw in een schort met een emmer en poetslappen. Weer de lichte deining van anticipatie. Heel even zijn onze radio’s afgestemd op dezelfde frequentie, om vervolgens meteen weer van elkaar af te wijken en ons te bespugen met onze eigen, afzonderlijke, innerlijke herrie.

Alles lijkt weer hetzelfde te zijn. Een slaapverwekkende maar valse notie. De trein snelt voorwaarts met open mond, vreet hapje voor hapje de aanstaande seconden en meters van onze levens op. 


De geruchten zijn waar: je kunt je op deze stukjes abonneren. Klik hier. Mijn roman heet Bidden en vallen.

thaise soep

Al eerder schreef ik over wandelen. Dat ik dat sinds kort graag doe. Of eigenlijk heb ik het nu twee keer gedaan, maar ik voel dat ik het zal blijven doen. Ik lijk voor de neerslachtigheid en onrust uit te lopen, alsof ze me niet kunnen bijhouden, en dat is fijn.

Maar wat ik nog niet schreef is dat ik na het wandelen een Thais soepje ben gaan eten. Tom Yum soep. Dat heb ik ook al een keer gedaan zónder dat ik had gewandeld. Er is een Thais restaurant hier vlakbij en iedere keer had ik dezelfde ober. Nu al volstaat ‘the usual’ als hij me vraagt wat ik hebben wil.

Ik zit dan in m’n eentje aan een tafeltje en wacht op mijn soep. De soep is krankzinnig heet. Op de kaart staan er vier pepertjes achter. Dat is natuurlijk relatief, maar de ober zegt zelf ook dat het echt een krankzinnig hete soep is. Ik neem de soep heel serieus. Als hij voor me wordt neergezet, dampend en geurig en gevaarlijk, leg ik mijn boek en telefoon weg en haal ik diep adem. Ik ga rechtop zitten, sluit even mijn ogen. Lichte nervositeit koerst door mijn gestel.

De eerste paar happen zijn het ergst. Mijn middenrif raakt in paniek en begint te schokken. Mijn buikspieren spannen zich onvrijwillig aan. Ik krijg onmiddellijk de hik en moet boeren laten. Dat laatste probeer ik binnensmonds te doen, maar voor de zekerheid zorg ik ervoor dat ik zo ver mogelijk bij andere mensen vandaan zit. Overigens ben ik meestal alleen in de zaak, want ik ga er zitten zodra ze opengaan, om 16:30. Om de paar happen leg ik de lepel even neer en geef ik mijn lichaam de kans om zich te herpakken. Halverwege de soep is de hik verdwenen maar staan mijn lippen in brand en krijg ik een loopneus. Zweet parelt op mijn gezicht. 

Heel blij ben ik met dit nieuwe ritueel. Net als het wandelen is het iets om op te focussen. Ik kan ondertussen niet een beetje met m’n telefoon pielen. Er zijn alleen ik en de handeling. Bovendien is er in beide gevallen sprake van een overgangsrite; er moet iets overwonnen worden, er is inspanning en er is afzien, en geen tijd of plaats voor wereldlijke zaken. In feite is het een soort meditatie. In feite kan álles meditatie zijn. Je hoeft alleen maar goed op te letten.


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik dan in godsnaam hier. Mijn roman heet Bidden en vallen. Vanavond en morgenavond ben ik de interviewer van dienst tijdens Meestervertellers op het NFF. Klik hier voor meer info.

whopper

Locatie: een Burger King op een station ergens in een stad in Nederland. Het is laat en ik ben aangeschoten en ik eet een Whopper. Ik eet nooit een Whopper. Ik eet nooit bij Burger King. Ik was ooit twee jaar lang vegetariër.

Als ik aangeschoten ben word ik altijd gelijke delen filosofisch en recalcitrant. Daarom zit ik nu een Whopper te eten. Het is een statement. Want om nou heel rigide er een punt van te maken om nooit bij de Burger King te eten (dierenleed, milieu) maar vervolgens wel auto te rijden, per vliegtuig te reizen, vaak in bad te gaan, geen vluchteling in huis te nemen, etc. Dat slaat nergens op. Soms moet je voelen, en bekrachtigen, hoe vloeibaar en relatief moraliteit is. Soms moet je het monster durven zijn dat je van binnen bent. Ellebogen op tafel, ketchup op je wangen, drankwalm, vlees tussen je tanden. Het monster dat je óók bent, naast die engel, en die heilige.

Zenmeester Shunryu Suzuki, een vegetariër, wist dit ook. Hij merkte eens op dat één van zijn pupillen – een jonge monnik – hem te zeer imiteerde en te weinig handelde vanuit eigen inzicht en authenticiteit. Toen ze eens samen onderweg waren en wat gingen eten bestelde de monnik iets vegetarisch, maar Suzuki bestelde een hamburger. De monnik was verbaasd maar durfde zijn meester er uiteraard niet op aan te spreken. Eenmaal aan tafel verwisselde Suzuki de twee borden. De hamburger was voor de jonge monnik. Het was een zen-les zonder woorden. Een koan.

Ik nam me voor – dronken is het altijd heerlijk om je dingen voor te nemen – om binnenkort mijn zoontjes mee te nemen naar de Burger King en ze daar een Whopper te laten eten. Een ware zen-les voor mijn kinderen, besloot ik. Dat voornemen voelde goed. Ik was trots op mezelf, zo tussen de blaadjes sla en proppen papier en de andere verloren zielen in het donker van de avond, riekend naar bier en fastfood, in m’n eentje, met die smerige hamburger voor me, terwijl een vadsige vrouw met vlechtjes het vuil op de vloer om mij heen wegveegde.


Je wéét dat je deze stukjes ook per mail kunt ontvangen. Klik hier. En je wéét dat je eigenlijk mijn roman zou moeten kopen: Bidden en vallen. Arigato!