een brief

Op mijn tafel ligt een envelop van de notaris. Een envelop die, in zekere zin, al twee jaar lang naar me onderweg is geweest.

Het raam staat open. Ik hoor de onderburen hun tuin vegen. Grijze wolkenfronten vreten aan een laatste kavel blauw. In de keuken staat een aluminium koffiepotje; ik wil koffie maken maar ik weet dat het potje nog vies is en dus laat ik het zo. Sowieso vind ik koffie zetten te triviaal.

Werken wil ook niet echt lukken. De onderbuurman duwt een kliko door het gangetje; de wieltjes rollen over de spleten tussen de tegels. Ik luister en ik voel een gemis wanneer het geluid is opgehouden. Vogels zingen in de bomen. Dan luister ik daar maar naar.

Kleine dingen, kleine concentratie. Zelfs nagelbijten is ineens te futiel om nog aan te beginnen. Ik zou kunnen stofzuigen of afwassen. Ik denk dat dat zal helpen, dat ik daar een opgeruimd gevoel aan zal overhouden, maar aan de andere kant: mijn god, een beetje met die afwasborstel in de glazen gaan staan peuren, met als enige doel dat die glazen er schoon van worden. Ik zou alle glazen wel in de glasbak willen gooien, en dan nieuwe kopen. Maar hoe? In een winkel? Echt naar een winkel gaan en daar glazen uitkiezen en die dan afrekenen, in alle ernst?

Geef me liever weer zo’n geluid als dat van de kliko. Geef me het kleinste, meest banale geluidje dat je me kunt geven. Laat het ritmisch zijn. Laat het almaar doorgaan.

Ondertussen heeft het grijs het blauw helemaal opgegeten. Dat is geen metafoor. Ik wil daar niets mee zeggen. Ik zeg gewoon wat ik zie.

Op tafel, naast de envelop, liggen Lego-poppetjes. Ze liggen verspreid, op hun rug en op hun buik, als na een veldslag. Maar ze zijn niet dood. Ze liggen daar te doen alsof. Ze wachten af. Ze wachten op mij. Als ik opsta en de wereld weer inga dan zullen ook zij opstaan. ‘Dat duurde echt fucking lang,’ zullen ze tegen elkaar zeggen, terwijl ze elkaar overeind helpen en het stof van hun kleren slaan. ‘Zag je hem staren? Dat was the thousand yard stare, man! Dit keer dacht ik echt: die blijft daar voorgoed zitten.’ Een ander zal zeggen: ‘Ik ook, man, ik ook. Maar zie, hij is alweer opgestaan. Ik zei het al eerder, en ik zeg het nu weer: het komt echt wel goed met die jongen.’

Ze zullen naar elkaar knikken en dan doen wat Lego-poppetjes doen wanneer je er niet bij bent. Laatst kwam ik thuis en vond ik er eentje naast de afstandbediening. De tv stond aan. SBS fucking 6. Dat poppetje heb ik een kwartier lang onder mijn oksel geklemd.   


Deze stukjes ontvangen als nieuwsbrief? Klik hier

mbt schrijven

Ik was op muziekfestival Down The Rabbit Hole om wat te vertellen over schrijven.

Het was 11:00 en het terrein nog zo goed als verlaten, iedereen nog slapend in z’n tentje. De locatie van mijn praatje was een houten kerkje. Ik had geen publiek; we besloten wat later te beginnen.

Er kwam een Vlaamse dame binnen. Speciaal voor mij, zei ze, omdat ze me een dag eerder, in een andere tent, waar ik helemaal niet was, ook al een verhaal had zien vertellen, en dat had ze heel goed gevonden. Het bleek Rutger Lemm te zijn geweest, die kleiner is dan ik en geen tatoeages heeft. ‘Je lijkt sprekend op hem,’ zei ze. Ik wees naar mijn tatoeages. Ze haalde haar schouders op. Nu is het dus officieel: tatoeages maken echt op niemand meer indruk.

Uiteindelijk druppelden er nog een man of vijftien binnen. Eén brak stelletje hoorde me een minuut aan en vertrok weer. 

Na afloop van mijn verhaal vertelde een vrouw dat ze dacht non-fictie wel te kunnen schrijven, maar dat fictie haar onvoorstelbaar moeilijk leek. Ik antwoordde dat voor mij het verschil niet zo groot is. Materiaal is materiaal, of het nu in je hoofd is ontstaan of daarbuiten. Personages zijn personages, echt of verzonnen. En veel van de afwegingen zijn hetzelfde: begin ik met een beschrijving, met dialoog, met een analyse? Wat laat ik weg, wat niet? Wat is belangrijk? Wat is het verhaal? Bovendien wordt non-fictie altijd pas naderhand opgeschreven, en dus put je uit herinneringen, notities en geluidsopnamen. Het verleden ís al fictie.

Ik vertelde dat ik altijd alert ben op emoties, op de kleine gebeurtenissen, omdat ik daarin het materiaal voor mijn stukjes vind. Als ik ontroerd ben, of me rot voel, of gefascineerd ben door iemand in de trein, dan gaan er alarmbellen af. Want die ontroering, die komt ergens vandaan, daar zit iets, en dat is wat ik zoek. 

‘Maar is dat niet ook vervelend?’ vroeg een meisje. ‘Dat je op het moment zelf meteen bezig bent met een nieuw stukje?’ Ik knikte. Want het is zo: een moment, of een emotie, kan ik vaak niet ondergaan zonder er in gedachten al de eerste woorden over te typen, waarmee ik een scherm optrek tussen mij en de ervaring. Ik zei dat ik die reflex desondanks niet kwijt zou willen, omdat ik verder nergens goed in ben.

Na afloop liep de kerk leeg. Ik stond nog een beetje te dralen. Het praten had me uitgeput. Dat voel ik altijd pas wanneer ik weer mag zwijgen. En er is een soort gewetensnood, omdat ik vermoed dat ik de dingen net iets anders heb verwoord dan ik bedoelde.

Ik keek door de deuropening naar buiten. Het was inmiddels gaan regenen. Ik wist: hier zit een stukje in.


Leuk als je mijn stukjes wilt delen. Ik verstuur ze ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet Bidden en vallen.

repent or perish

Het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie is onheilspellend. Zo voelt het wel, toch? Nu vertrekken zij, dan Frankrijk, dan wij, etc. Ieder voor zich. Dan ieder tegen de ander. Het uiteenvallen van een werelddeel. De ondergang van een samenleving.

Ik verbaas me erover dat er nog geen eind-der-tijden-predikers zijn opgestaan. Als ze wél al zijn opgestaan, dan zijn ze in ieder geval niet erg zichtbaar of populair. Gek toch? Dit lijkt me de tijd bij uitstek om met Armageddon te dreigen en zieltjes te winnen. 

Door de hele geschiedenis heen werden op die manier nieuwe religies opgericht. Ze begonnen altijd met een rebel, iemand die tegen de heersende religie in opstand kwam. Want als een religie eenmaal groot is, dan worden de priesters dik en zelfvoldaan en moge de rijken hun zonden afkopen. De kunst, als profeet, is dan om, vanaf je sinaasappelkistje, de sluimerende ontevredenheid onder het volk aan te wakkeren. Belangrijk daarbij is dat je dreigt met de Apocalyps. Sluit je aan bij het ware geloof, voor het te laat is. Als de revolutie dan is geslaagd, en jouw religie is aan de macht, dan worden er in jóúw naam kerken gebouwd, met steeds meer goud, en steeds rijkere priesters. En voor je het weet staat er op de hoek van de straat weer een nieuwe boze profeet te schreeuwen.   

Precies zo ging het bij Jezus. (Ik was erbij, moet je weten.) Hij zag de kerken, de pracht en praal, de decadentie, het nepotisme, en hij zag dat het verkeerd was. Hij zei: hoeren en criminelen, jullie mogen er allemaal bij. Jullie kunnen jezelf redden, sluit je aan. Dat was slim. Het lukte. Vervolgens verviel natuurlijk ook het Christendom in decadentie, nepotisme, machtsmisbruik, extremisme, moord, etc. En zo was het cirkeltje weer rond. Toen kreeg je de boze Luther. Enfin, ad infinitum.

En weet je, eigenlijk hebben de Brexiteers exact hetzelfde gedaan. Ze stonden op een sinaasappelkistje en waarschuwden het volk voor rampspoed. Hun belofte was een puur Verenigd Koninkrijk. Hun doemscenario was een land zonder eigen cultuur, vol met serieverkrachters. Sluit je aan en red jezelf! En het lukte. Het volk was ontevreden en bang genoeg om hen te volgen, de heersende klasse rijk en zelfzuchtig genoeg om die woede te valideren.

Maar goed, wat wil ik hier nou eigenlijk mee zeggen? Ik weet het niet precies. Misschien dit: mócht je het einde van de wereld willen prediken, now would be the time to do so.


Een stukje op zaterdag. Kan gewoon. Als je de stukjes als nieuwsbrief wilt ontvangen, klik HIER. Roman: Bidden en vallen.

puur goed

Dit wordt pas het tweede en alweer laatste stukje van deze week, vrees ik. Mijn jongens hebben juni-vakantie. Dat is een nieuwe vakantie. Een week lang. Je zou zeggen: hou gewoon nog even vol tot de grote vakantie, maar blijkbaar denken ze daar op school anders over. Ik heb er moeite mee. Mijn hoofd staat er niet naar. Ik ben kribbig, heb geen geduld.

Hoe dan ook, ik had het de vorige keer over mijn oudste. Nou, hier is hij weer.

Kort geleden heb ik de documentaires op Netflix ontdekt. Maandag zat ik Marley te kijken, de meest recente en meest complete docu over Bob Marley. Mijn oudste kwam bij me staan en keek mee. Hij wilde weten wie Marley was, en waarom beroemd, en waarom die moordaanslag, en waarom dat vreemde haar, etc.

De docu naderde het einde. We zagen dat concert waarbij Marley de handen van de twee rivaliserende politieke leiders boven zijn hoofd tegen elkaar aandrukte. We zagen het uitzinnige publiek, de idolate fans. We zagen Marley geld aan de armen geven. We zagen de vele (!) vrouwen over hem vertellen. We zagen hem bevlogen zingen en dansen. Daarna de begrafenis en de rouwstoet. 

‘Die Bob Marley was echt zo’n lieve man,’ zei mijn zoon. Maar hij zei het meerdere keren. Hij zei het steeds opnieuw: ‘Die Bob Marley was echt zo’n líéve man.’

Ik had een beetje een kater en raakte ontroerd. Door Marley, zeker, maar ook door die woorden van mijn zoon, die bijna een mantra voor hem leken te zijn.

Hij wilde het goede zien. Door het te blijven zeggen overtuigde hij zichzelf ervan: deze man was puur goed.

Ik herken die behoefte. Om van sommige dingen, of mensen, zonder aarzeling te kunnen zeggen: dit is goed. En natuurlijk was Bob Marley niet alleen maar goed, en lief, en perfect. Maar soms is iemand goed genoeg om aan jouw beeld van goed te kunnen voldoen, en dan wil je van geen kwaad meer weten. Je wilt erin kunnen geloven, in puur goed. Omdat het hoop heeft, en troost. Omdat je dan kunt geloven dat het echt bestaat, dat het echt mogelijk is. En meer nog: omdat je het herkent. Omdat je zeker weet dat jij ergens, diep van binnen, ook zo bent.

Hij keek naar Bob Marley en zag het goede in zijn eigen hart.


Enfin, een aanrader dus, die docu. Te zien op Netflix. Ook heel veel andere goede docu’s. (Team Foxcatcher!) Mijn stukjes verstuur ik ook als nieuwsbrief. Mijn roman heet etc. etc. etc.

mijn grote oudste

Zondag presenteerde ik een literatuurmiddag hier in Eindhoven, met o.a. Thomas Heerma van Voss, Alma Mathijsen en Marieke Rijneveld. Er was ook muziek en zo.

Ik had mijn jongens, dus die moesten met me mee. We waren er al vroeg. Ik kwam binnen met het idee dat ze me tot last zouden zijn, dat het onhandig zou zijn. Maar dat viel mee. Ze vonden het spannend, gingen op onderzoek uit, luisterden en keken naar de soundchecks, bestelden wat te drinken in het café, stelden zich netjes voor aan de schrijvers.

Het was fijn om daar ook een vader te zijn, en niet alleen een presentator, een rol waar ik me nooit zo op mijn gemak bij voel. Fijn om ze af en toe even vast te houden, of ze op hun donder te geven (wat amper nodig was) of simpelweg even met ze bezig te zijn. Dankzij hen kon ik me aan mijn rol onttrekken.

Tijdens de voorstelling waren ze muisstil. Slechts één keer, toen Alma het over een Willem had, riep mijn jongste: ‘Zo heet onze poes!’

Als er werd voorgedragen keek ik soms naar ze. Ook al begrepen ze het niet, ze zaten er betoverd bij. Ik was trots, en omdat ik trots was presteerde ik beter.

Tijdens het eten, naderhand, zat mijn oudste bij ons aan tafel. Bij tien volwassen mensen. Hij hoorde ons praten en lachen. Je weet wel, zoals volwassenen doen. En toen begon ook hij te vertellen. Eerst nog tegen zijn buurman, maar vervolgens – toen de rest van de tafel toevallig stilviel – ineens tegen iedereen. Ik zag aan hem dat hij zich ervan bewust was dat alle aandacht ineens op hem was gericht.

Hij werd niet verlegen. Hij viel niet stil. Zijn lichaamstaal veranderde. Hij lachte, streek nonchalant zijn haar uit zijn ogen. Het was een proefrit. Zijn eerste anekdote voor een hele tafel. En hij genoot ervan. Hij voelde het zelf ook, dat hij ineens in iemand anders was veranderd, dat hij dit kon, als een golfsurfer die voor het eerst rechtop op zijn plank staat en wankel maar vastberaden die golf helemaal uit surft. 

Toen zijn jongere broertje voorbij kwam rennen, achter een nieuw vriendinnetje aan, gaven we elkaar een blik. Zo van: Kijk die kleine nou toch.

Het is tijd om mijn vaderschap te herzien.


Deze stukjes in je mailbox? Klik hier. Deel ze gerust met de knoppen hieronder. Mijn roman heet Bidden en vallen.

het maakt niet uit pt 2

Als je het stukje van gisteren niet hebt gelezen dan moet je dat misschien nu alsnog even doen. Ik wacht wel even…

Oké, dat boekje dus, die brief dus, dat zinnetje dus. Don’t worry about doing stuff or not doing stuff, it doesn’t matter. De brief van de vader aan de zoons vertelt eerst over een fictieve herinnering aan de overleden moeder/ vrouw. En dan dat zinnetje. Vaderlijke raad. Een conclusie na een geleefd leven. Ik las het en het raakte me.

Als je niet goed oplet zou je kunnen denken dat de vader apathie predikt. Of cynisme. Dat het allemaal geen fuck uitmaakt wat je doet, want het verandert toch niets en je gaat toch wel dood. Zoiets.

Maar dat bedoelt de vader geenszins. Hij predikt bevrijding. En die bevrijding biedt juist de mogelijkheid tot engagement, tot de omarming en diepe beleving van het leven.

Wat hij bedoelt, denk ik, is dat je straks oud bent en terugkijkt op je leven, en dat je dan gedaan hebt wat je hebt gedaan. Wat je ook doet, dat is je leven geweest. De kleine keuzes, die soms zo groot lijken, de kleine beslommeringen en piekeringen, die soms zo groot lijken; het maakt niet uit. Doe maar. Linksom of rechtsom.

Het zinnetje raakte me zo omdat ik de laatste tijd alles nogal zwaar maak. Ga ik vanavond sporten of met een meisje iets drinken? Ga ik in bad of moet ik nog wat langer werken? Kan ik wel pizza eten met mijn zoons als we gisteren al friet hebben gegeten? Moet ik niet naar buiten? Moet ik niet…

De paradox: je dénkt je leven met aandacht en zorg te leven, maar in feite leef je het verkrampt, en in die verkramping ervaar je het als strijd, en ben je minder goed in staat het te omarmen. Maar het maakt niet uit. Volgende maand al niet meer; dan kijk je terug en deed je wat je deed, en dat was dan gewoon hoe je het deed. Dat is je leven, al die kleine afwegingen en keuzes inbegrepen.

De vader zegt: heb vertrouwen in het kompas van je hart. Hij zegt: leef.


Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Abdelkader Benali. Stukjes als nieuwsbrief: hier. Roman: Bidden en vallen. Verder: fijn weekend.

het maakt niet uit

Ik heb hier een boekje naast me liggen: Grief Is the Thing with Feathers, van Max Porter. De eerste keer dat ik eraan begon kwam ik er niet in. Ik dacht dat het aan het boek lag, maar het lag aan mij. Het was te druk in mijn hoofd. Ik was te snel afgeleid. De tol die ik betaal aan mijn kinderen en de social media, misschien. En dit boek pikt dat dus niet; zoals de kraai die er een grote rol in speelt keert het zijn rug naar je toe en zet het zijn stugge zwarte veren op.

De tweede keer zei ik: Oké, kraai, oké. En toen mocht ik naar binnen. Een schitterend, poëtisch verhaal over een vader en twee zoons die respectievelijk hun vrouw en moeder verliezen. Wanneer de pijn en onmacht het grootst zijn belt er een kraai aan. De kraai zegt: I won’t leave until you don’t need me any more. De kraai is troost, is de dood, is rouw, is pijn, is een heelmeester, is ons eigen hart. Soms liefdevol, soms streng, soms vilein.

In other versions I am a doctor or a ghost. Perfect devices: doctors, ghosts and crows. We can do things other characters can’t, like eat sorrow, un-birth secrets and have theatrical battles with language and God. I was friend, excuse, deus ex machina, joke, symptom, figment, spectre, crutch, toy, phantom, gag, analyst and babysitter.

Drie perspectieven: dat van de zoons, dat van de vader en dat van de kraai. Om en om.

Ik slaakte iedere pagina wel een zucht. De feilloze zinnen, de wijsheid, de nuchtere compassie. 

Sinds ik het las – en dit is de eigenlijke reden van dit stukje – is er één zinnetje dat aldoor door mijn hoofd blijft gaan. Helemaal tegen het einde, als de kraai al is vetrokken, jaren na de dood van de moeder, schrijft de vader aan zijn zoons een brief. In die brief zegt hij: Don’t worry about doing stuff or not doing stuff, it doesn’t matter. Zonder expliciete context.

Wacht, ik heb alweer over de driehonderd woorden. Ik laat jullie even mediteren op dat zinnetje. Dan schrijf ik morgen de rest.

Goed? Nee? Ja? Nee? (Hint: It doesn’t matter.) 


Het boek is ook verkrijgbaar in het Nederlands: Verdriet is het ding met veren. Zie de knopjes hieronder, mocht je het stukje willen delen. De stukjes liever als nieuwsbrief ontvangen? Klik hier. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen

denk ’t niet

Het was een fascinerend filmpje, gisteren, van politieke partij DENK. Eerst schoot ik in de lach. De regie en choreografie zijn enigszins knullig en ludiek. En de punchline: ‘Trap er niet in!’ (Met een uitgestoken wijsvinger, waarop je ze in gedachten flink ziet oefenen.) Het is makkelijk en lekker om het filmpje op basis van die knulligheid af te serveren. Dat gebeurde op o.a. Twitter dan ook veelvuldig. Althans in mijn hoekje van Twitter.

Maar na het lachen (ook heel hard om het aanhalen van Montesquieu en het daarbij getoonde boekomslag) bleef ik toch zitten met een akelig gevoel.

Hun boodschap, en vooral hun tactiek, is exemplarisch voor deze tijd. De tactiek van Wilders, van Trump. Ze hebben het over ‘de media’, als één groep, één orgaan. En zeggen feitelijk dat de media per definitie een eigen agenda heeft. Met andere woorden: alle mogelijke kritiek op, of voor hen ongunstige verslaggeving over DENK, is weg te zetten als valse propaganda.

Ze azen op de complotdenkers. En die zijn er nogal wat. Hoe chaotischer de tijden, hoe meer van hen. Want het is lekker: al je onbegrip en woede kunnen verklaren en wegvagen. Als je zeker weet dat de hele wereld tegen je samenzweert is het wat makkelijker om je eigen ellende en onmacht te accepteren.

De hele media zit in een complot. Dat is nooit te weerleggen, want iedere journalist die dat probeert zit in dat complot. Héééél toevallig stond juist vandaag in de krant dat er een onderzoek wordt ingesteld naar schimmige praktijken gedurende de zakelijke loopbaan van Öztürk. Maar ja, dat kwam van de media.

Ze zeggen: de media zijn niet te vertrouwen. Ze bedoelen: de media zijn irritant, want ze dwarsbomen aldoor onze snode plannetjes.

Het schrijnende is dat DENK zogenaamd staat voor minder racisme en meer integratie. Ik geloof ze voor geen seconde. Het zijn opportunisten. Machtswellustelingen. En ze kijken het trucje af bij Trump en Wilders. Het is tragisch en zonde dat een dergelijk belangrijk maatschappelijk thema wordt gekaapt door mensen die het gebruiken als vehikel voor het vergaren van macht.

En Sylvana Simons is er misschien gewoon ingeluisd. Haar beweegredenen zullen in eerste instantie best oprecht zijn geweest, maar ze is, vrees ik, misschien niet intelligent genoeg om te kunnen zien wat er gebeurt. Of misschien ook te ijdel. Misschien te boos. Misschien te gekwetst.

Ja, het is een lachwekkend filmpje. Maar een veelzeggend filmpje. Een eng filmpje.


Misschien een overbodig stukje, dit. Er is al veel over geschreven en dit is niet bepaald mijn gebied van expertise. Maar ik heb het al zitten typen, en ik heb zo gauw even niks anders. Ik verstuur deze stukjes ook als nieuwsbrief

het is goed

Mijn oudste zoon ging gisteren voor het eerst met de waterscouting een nachtje weg. Kamperen en zeilen in Lith (wat klinkt als de naam van een stad voor vampiers, but that’s neither here nor there).

Eind van de middag werd ik gebeld. Hij was op het strand in een scherf gaan staan. Een snee van drie centimeter. Ze waren met hem naar de huisartsenpost gereden, waar ze hem lokaal verdoofden en hechtten. Meteen daarna, in het kamp, deed hij al snel te wild, dus toen begon het weer te bloeden en konden ze opnieuw met hem naar de huisartsenpost. Hij huilde, om de angst en de pijn en omdat zijn ouders er niet waren, maar hij wilde niet dat we hem kwamen halen. Hij beet op zijn lip en zette door. Wilde ook de filmavond niet missen.

De dag erna was volgepland met activiteiten. Daar kon hij niet aan meedoen, dus ging ik hem halen, na het ontbijt. 

Toen ik de auto daar parkeerde, bij het water, zag ik hem al zitten. Bij zijn tassen. Pips. Zodra hij me zag moest hij een beetje huilen. Pas als je je ouders ziet voel je weer hoe klein je nog bent. Nu pas liet hij het toe, dat hij het eng had gevonden. Ik omhelsde hem, kuste hem.

Op de terugweg stopten we bij McDonalds’s voor pancakes met stroop en een Egg McMuffin. Ik droeg hem naar binnen, als een bruid.

Hij at in stilte. Niet sip, maar ook niet wild, zoals gewoonlijk. De dag met spelletjes zou hij moeten missen, maar hij had dit: de aandacht, de zorg, de pancakes. En hij was moe. Ik zag een soort berusting die ik nooit eerder bij hem zag. Acceptatie. En ik denk dat hij dat zelf ook voelde, want toen ik zijn blik ving glimlachte hij naar me zoals een volwassene dat zou doen. Zo’n glimlach die zegt: Het is goed. Die even goed naar binnen toe troost als naar buiten toe.

En ineens was ik een soort van blij. Blij dat hij in die scherf was gaan staan.


Een stukje op zondag?! Wel heb ik ooit! Deze stukjes als nieuwsbrief ontvangen? Klik hier. Ik schreef een roman: Bidden en vallen

spiritualiteitje speciaal

Op het perron. Een strook zonlicht langs de rand, kaarsrecht, parallel aan het dak. Ik loop in S-bochten: zon in, zon uit, zon in, zon uit. Mensen op bankjes, mensen met telefoons, wachtend. Vrouwen in jurkjes. Geluiden: vogels, verkeer, een omgeroepen mededeling. Dingdong; een frequentie, trillende lucht, geregistreerd door de fijne haartjes in mijn oor en dan in mijn brein omgezet naar geluid: Dingdong. Hoor ik dat geluid, of máák ik dat geluid? En als ik het maak, wie is het dan die het hoort? De mensen om me heen, allemaal gemaakt van moleculen die zo oud zijn als de oerknal. Maar goed, wat is oud, want wat is tijd? Moleculen opgebouwd uit atomen, elektronen, etc. De kleinste deeltjes niet eens deeltjes, geen materie, maar stroompjes energie die verdwijnen en weer verschijnen, die op meerdere plekken tegelijk kunnen zijn, onafhankelijk van tijd en ruimte en die toch, nu, hier, ogenschijnlijk een lichaam op het perron vormen. Met huid en zweet. En heerlijk lang haar. O, kijk naar haar, zie haar. Ik ga van hitsige fantasieën naar me zorgen maken naar mijmeringen naar ideeën voor een boek naar het geluid van een ringtone. Van associatie naar associatie. Ben ik degene die denkt, of degene die de gedachten registreert? Op momenten als dit denk ik aan dat boek, Why Does The World Exist?, waarin aan wetenschappers, filosofen en religieuzen wordt gevraagd: waarom is er iets ipv niets? Al die mensen hebben er veel over te zeggen, maar niemand weet het. Niets bestaat niet. Niets heeft geen temperatuur. Niets kan niet. Dus is er dit. Dit perron. Dit onbegrijpelijke maar tegelijk vanzelfsprekende samenraapsel van bewustzijn, materie, perceptie, licht, geluid. (De vrouwen!) We hebben het er maar mee te doen. En het is meer dan we aankunnen. Zet je hart open, zet je hoofd open, en je zult zien dat het te veel is, dat het te groot is, dat je er alleen maar beduusd middenin kan staan. Daarom heb ik nooit begrepen waarom we mensen spiritueel noemen die spreken over ‘meer tussen hemel en aarde’ en een ‘hogere macht’ of een ‘andere wereld’. Die zijn niet spiritueel, die kunnen alleen het mysterie híér niet meer zien. Daarom zoeken ze naar iets anders. Alsof ze deze wereld inmiddels wel kennen. Dat is geen spiritualiteit, dat is escapisme, en in zekere zin cynisme. Maar prima hoor. Ze doen maar. Ik sta hier goed. Want kijk naar haar, en zie haar. En O! O! O!


Laatste stukje van de week. Kijk HIER de uitzending van De Nachtzoen terug. Abonneer je HIER op mijn stukjes. Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Eric Corton.