Ik was in m’n eentje naar het Museum Volkenkunde in Leiden geweest, voor de tijdelijke expositie over boeddhisme aldaar. Dat viel een beetje tegen, zowel de expositie zelf (misschien leerzaam en boeiend als je er nog helemaal niets vanaf weet) als de werkelijkheid die volgde op de ingebeelde romantiek van een dagje solo museumbezoek (gesmeerde boterhammetjes in rugzak, boek mee, zogenaamd heerlijk sereen, in alle tevredenheid en rust). 

Hoe dan ook, toen ik uitstapte op Eindhoven Centraal hoorde ik live muziek. Ik voegde me bij de groeiende groep mensen die ernaar stond te kijken. Het betrof een… Jezus, hoe noem je het als een groep mensen zomaar ineens ergens iets leuks of ludieks doet? Ik kom er niet op.

Enfin, ze waren zeker met z’n dertigen. Violisten, contrabassisten, blazers. Ze speelde iets vrolijks, up-tempo. Misschien een polka? En ze zongen er ook bij. Jonge mensen. Je zag het plezier en de lichte gêne op hun gezichten; het besef: we doen dit echt, en het gebeurt nu. Ook was er choreografie: ineens verspreidden ze zich en koos ieder van hen een toeschouwer uit, om vervolgens alleen voor diegene te spelen. Het bouwde op tot vlak voor een crescendo, viel stil, en barstte los. Nu dansten ze erbij, terwijl ze nog steeds speelden. Zomaar een dinsdagmiddag op perron 5. 

Toen ze klaar waren applaudisseerden we voor ze. Mijn emotie was van scepsis en nukkigheid naar dankbaarheid en vreugde gegaan. Je kunt hier dus zomaar in terecht komen, besefte ik. Ongevraagd, onverwacht, onaangekondigd. Er kan een verdwaalde ziel, verblind en beschadigd, een wapen trekken, maar dit kan ook. En heel even, tijdens dat concert, vreesde ik een dergelijke aanslag. Blijkbaar liggen die twee dingen in mijn hoofd dicht bij elkaar. We worden gevormd door onze tijd; een paar dagen geleden, in de Apenheul, maakte mijn zoontje van negen van zijn vingers een pistool, en zei grinnikend: ‘Ik ga een aanslag plegen.’

Maar de kracht van die muziek, die niet uit dwaling en woede voortkwam, maar uit liefde, en die niet werd gebracht door niet één, maar door dertig mensen, overtuigde me ineens van het feit dat het met ons wel goedkomt. Ook het grapje van mijn zoon, hoe morbide ook, sterkte me in het idee dat we hiermee kunnen omgaan. Dat we steeds, als nieuwe huid, en niet eens als eelt, over onze wonden zullen groeien.


Eigenlijk bevind ik me in een vakantiereces, maar dit stukje wilde ik niet tot na de zomer laten liggen; het was zo lekker vers. Wil je na de vakantie mijn stukjes per mail ontvangen? Klik hier. In augustus een goed boek lezen? Het heet Bidden en vallen.