Nadat ik Oscar zijn krekels en de beloofde wasmotlarf had gevoerd ging ik wandelen. De vrieskou, de zon, de strakblauwe lucht; naar buiten gaan was zo vanzelfsprekend dat het bijna als een verplichting voelde. Bijna kwam ik ertegen in opstand. (Wie zegt dat ik niet binnen kan blijven? Dat zullen we dan nog wel eens zien!)

Maar zo kinderachtig ben ik niet. Ik ging het bos in, de heide op. Er is een stukje waar je soms Schotse Hooglanders tegenkomt. Ik vond het zeer gepast dat ik er een zou tegenkomen, omdat het er echt de dag voor was, en echt de gemoedstoestand (och, de schitterende contemplaties die ik zou hebben wanneer ik het dier in de ogen keek!), maar ik zag er geen. Niet erg; in feite zijn het natuurlijk ook gewoon koeien, maar dan wat mooier uitgedost. (En zelfs dat is een kwestie van smaak. Als je het aan een gewone koe vraagt dan zal zij misschien zeggen: ‘Hooglanders zijn pretentieuze aanstellers.’)

De zon en de kou en de bomen en het blauw. Het goud. De condens. Mijn voetstappen. Gedachten die als wolken voor de weidse uitgestrektheid van het land trokken, opklaarden, terugkeerden, etc. Je weet hoe het is: je wilt híér zijn, je wilt de mooie dag en de wandeling ervaren in alle puurheid, zonder afdwalen, zonder piekeren. Maar het lukt niet. Het lukt nooit. Ook niet na een nacht ayahuasca. Je bent hier en je bent weg en je bent weer hier en je bent weer weg. En het is oké. Dit is wat je bent.

Joggers, wandelaars, een enkele mountainbiker. De drukte viel alleszins mee. Ik was alleen, voelde me verwijderd van de anderen, van de mens. Niet helemaal tevreden met de stilte en met mezelf, maar tevreden genoeg.

Tot ik bij het grote ven in Waalre kwam. Ineens was ik daar, stond ik op de oever, en gebeurde alles tegelijk. Er schalde muziek over het ijs. Just a small town girl, living in a lonely world. She took the midnight train goin’ anywhere. Ik dacht dat ik droomde; het was Don’t Stop Believing van Journey. Dat nummer is als een bom in mijn hart, vanwege de eindscène van The Sopranos. Ik geloofde ook mijn ogen niet. Ineens waren er overal mensen. Schaatsers, ijshockeyers, honden, kinderen. Auto’s geparkeerd tussen de bomen. Mensen met boterhammen, met drank. A singer in a smokey room, a smell of wine and cheap perfume. Ik zag een blaffende herdershond achter een puck aanrennen. Het zonlicht maakte alles goud en haarscherp. Voorzichtig liep ik het ijs op, als een geest die niet kan geloven dat hij ineens een lichaam heeft. Ik stond daar en was overweldigd. Het was zo surreëel en tegelijk zo echt, zo tastbaar. Het massieve water onder mijn voeten. Some will win, some will lose, some were born to sing the blues. Een ijshockeyer schaatste recht op me af. Ik dacht: hij gaat dwars door me heen, ik ben mist. Maar hij remde af, kwam raspend tot stilstand en vroeg of hij de puck mocht hebben. Daarom, merkte ik, stond ook de herdershond al een tijdje naar me te blaffen. Ik schopte de puck naar de jongen toe en bleef nog even zo staan en wandelde naar huis. Oh, the movie never ends. It goes on and on, and on, and on


Abonneer je hier