ayahuasca/ marokkaanse jongen

Zaterdagavond/ nacht deed ik voor het eerst mee aan een ayahuasca-ceremonie. Ik ga daar nu niet uitgebreid over vertellen, want dat kost te veel tijd en te veel woorden.

Er waren tien anderen. We lagen op bedjes. Even na mij kwam er een Marokkaanse jongen binnen. In tegenstelling tot de anderen stelde hij zich niet aan iedereen voor. Wel aan mij, omdat ik op het bedje naast dat van hem lag. Hij keek niemand echt aan, was gesloten, onvriendelijk, onrustig. 

Toen we een beetje waren gewend moesten we wat vertellen over de reden dat we waren gekomen. De Marokkaanse jongen sprak laconiek, met een lichte grijns. Zich openlijk committeren zou wellicht als zwakte hebben gevoeld. Maar wat hij zei verried een dieperliggend sentiment. ‘Ik zal je eerlijk zeggen,’ zei hij. ‘Ik heb een beetje een schild om me heen.’ Hij wierp een vluchtige blik op de mensen om hem heen: wit, autochtoon, of hoe je het ook noemen wilt. ‘Misschien is het ook de maatschappij of zo…’ Die laatste zin liet hij hangen. 

Ook hij deed dit voor het eerst. We dronken de ayahuasca, het licht werd gedimd, we praatten niet meer, wachtten af, gingen onze eigen werelden in. Kaarslicht flikkerend. Om beurten kronkelend op onze matrassen, wentelend als pieren waar zout op is gestrooid om daarna met hemeltergende kracht al dat ongemak in onze emmertjes te kotsen. Eén keer, toen ik kotste, veranderden mijn gezicht en stemklank in die van een demoon. 

Maar goed. Tussen twee dosissen in, op een moment van relatieve rust en helderheid, dacht ik aan de jongen naast me. En zijn houding. En hoe ik hem meteen, onbewust, had ingeschat als ‘typisch zo’n Marokkaans gastje’ zonder fatsoen. Ik dacht aan wat hij had gezegd, dat zinnetje over de maatschappij. En ineens zag ik haarscherp hoe het werkte.

Iemand als Geert Wilders. Zijn beweging. Het sentiment dat hij uitdraagt. Minder, minder, minder. Zijn aanhang. De dingen die ze roepen. Dat is wat het wantrouwen wekt. De jongen was hier vanavond binnengekomen bij een groep mensen die hem mogelijk niet moesten. In potentie kon iedereen hem hier haten. Daarom dat schild, daarom die houding. Goed, dat wist ik misschien al wel. Het meer indringende besef was dat ik ineens begreep dat het dát schild is dat mensen als ik (wit, tolerant, links, middenklasse?) doet denken, hoe subtiel ook: Ah, dus toch. Veel van hen zijn dus tóch onaangepast. Kan niet eens even iedereen een hand geven. 

Met andere woorden: de giftige haat die extreme types als Wilders de wereld insturen weet via hun directe slachtoffers ook de gematigden binnen te dringen. En zo verspreidt het zich. Het was natuurlijk die ayahuasca, maar ineens zag ik het voor me. Ik zag exact hoe het ging, in beweging. Ik zag de haat als een slang iedereen binnendringen en almaar langer en dikker worden.

Ondertussen lag de jongen naast me op zijn zij, in zijn slaapzak. 

Ergens in de nacht – geen idee wanneer – nadat ik had gekotst, tikte hij me aan en spoot hij bloemenwater in mijn open handen. 

Na de ceremonie, toen we aan de soep zaten – buiten was het nog donker – vertelde hij dat hij pas in zijn slaapzak was gekropen nadat hij had gezien dat ook ik onder mijn deken was gaan liggen. ‘Ik had het ijskoud, maar ik dacht: ik ga echt niet als eerste in m’n slaapzak liggen.’ Als hij eerder dan ik had toegegeven, zou hij hebben verloren. Ik keek hem aan en we schoten in de lach. Ook bleek dat hij iedere keer dat hij moest kotsen, dat op het toilet had gedaan. ‘Ik kan dat niet met mensen erbij, man.’ Je kotst je remmingen en opvoeding er niet in één keer uit, natuurlijk. Ayahuasca of geen ayahuasca.

En zo zaten we. Iets kwijt, misschien. Iets rijker, misschien. Ieder van ons hoe dan ook de som der delen.


Abonneren op deze stukjes? Klik hier. Romannetje kopen? Vraag naar Bidden en vallen

the movie never ends (vervolg van gisteren)

Nadat ik Oscar zijn krekels en de beloofde wasmotlarf had gevoerd ging ik wandelen. De vrieskou, de zon, de strakblauwe lucht; naar buiten gaan was zo vanzelfsprekend dat het bijna als een verplichting voelde. Bijna kwam ik ertegen in opstand. (Wie zegt dat ik niet binnen kan blijven? Dat zullen we dan nog wel eens zien!)

Maar zo kinderachtig ben ik niet. Ik ging het bos in, de heide op. Er is een stukje waar je soms Schotse Hooglanders tegenkomt. Ik vond het zeer gepast dat ik er een zou tegenkomen, omdat het er echt de dag voor was, en echt de gemoedstoestand (och, de schitterende contemplaties die ik zou hebben wanneer ik het dier in de ogen keek!), maar ik zag er geen. Niet erg; in feite zijn het natuurlijk ook gewoon koeien, maar dan wat mooier uitgedost. (En zelfs dat is een kwestie van smaak. Als je het aan een gewone koe vraagt dan zal zij misschien zeggen: ‘Hooglanders zijn pretentieuze aanstellers.’)

De zon en de kou en de bomen en het blauw. Het goud. De condens. Mijn voetstappen. Gedachten die als wolken voor de weidse uitgestrektheid van het land trokken, opklaarden, terugkeerden, etc. Je weet hoe het is: je wilt híér zijn, je wilt de mooie dag en de wandeling ervaren in alle puurheid, zonder afdwalen, zonder piekeren. Maar het lukt niet. Het lukt nooit. Ook niet na een nacht ayahuasca. Je bent hier en je bent weg en je bent weer hier en je bent weer weg. En het is oké. Dit is wat je bent.

Joggers, wandelaars, een enkele mountainbiker. De drukte viel alleszins mee. Ik was alleen, voelde me verwijderd van de anderen, van de mens. Niet helemaal tevreden met de stilte en met mezelf, maar tevreden genoeg.

Tot ik bij het grote ven in Waalre kwam. Ineens was ik daar, stond ik op de oever, en gebeurde alles tegelijk. Er schalde muziek over het ijs. Just a small town girl, living in a lonely world. She took the midnight train goin’ anywhere. Ik dacht dat ik droomde; het was Don’t Stop Believing van Journey. Dat nummer is als een bom in mijn hart, vanwege de eindscène van The Sopranos. Ik geloofde ook mijn ogen niet. Ineens waren er overal mensen. Schaatsers, ijshockeyers, honden, kinderen. Auto’s geparkeerd tussen de bomen. Mensen met boterhammen, met drank. A singer in a smokey room, a smell of wine and cheap perfume. Ik zag een blaffende herdershond achter een puck aanrennen. Het zonlicht maakte alles goud en haarscherp. Voorzichtig liep ik het ijs op, als een geest die niet kan geloven dat hij ineens een lichaam heeft. Ik stond daar en was overweldigd. Het was zo surreëel en tegelijk zo echt, zo tastbaar. Het massieve water onder mijn voeten. Some will win, some will lose, some were born to sing the blues. Een ijshockeyer schaatste recht op me af. Ik dacht: hij gaat dwars door me heen, ik ben mist. Maar hij remde af, kwam raspend tot stilstand en vroeg of hij de puck mocht hebben. Daarom, merkte ik, stond ook de herdershond al een tijdje naar me te blaffen. Ik schopte de puck naar de jongen toe en bleef nog even zo staan en wandelde naar huis. Oh, the movie never ends. It goes on and on, and on, and on


Abonneer je hier

until you call on the dark

Zondagochtend reed ik naar huis na een nachtelijke ayahuasca-sessie. De sessie was zwaar en onbehaaglijk verlopen. Onbevredigend. Ik kwam er niet in, stoorde me aan de geluiden van anderen, werd steeds kwader en gefrustreerder. Zelfs het kotsen deed ik woedend. Toen ik tegen het einde op mijn buik lag zag ik mijn jongste zoon sterven. Ik schrok, omdat ik dacht dat het een voorspellend visioen was. Maar toen ik mijn aandacht verplaatste naar mijn oudste zoon stierf ook hij. En toen naar mijn ex, ook zij stierf. Mijn moeder, mijn vader, mijn broers, mijn vrienden. Iedereen die ik voor de geest haalde stierf; het beeld van ieder van hen vervaagde en verdween. Toen ik nog dacht dat het alleen om mijn jongste ging raakte ik in paniek, maar toen ik vervolgens iederéén zag sterven kwam er een soort weemoedige maar heilzame berusting over me heen. Als laatste keerde ik de blik naar binnen toe, naar mezelf, en – je ziet hem al aankomen – poef, ook ik vervaagde en loste op. Toen ik er tijdens het ontbijt aan terugdacht deed het me denken aan de allerlaatste scène van Six Feet Under.

Ik reed naar huis met het gevoel van die sessie nog in me. In het dashboardkastje, helemaal achterin, plakkerig en stoffig, vond ik het album IV, van Danzig. Die cd heeft in de auto gelegen sinds de laatste keer dat ik hem draaide, een jaar of drie geleden. Mijn pa zat naast me, mijn gezin achterin. Ik vertelde hem over de rol van het occulte in rockmuziek als deze. Over satanisme en black metal. Over de oude vriend van me, en zijn occulte seventies-rockband: The Devil’s Blood. Toen we na dat ritje uitstapten bleef mijn ex – toen mijn vrouw – geschrokken stilstaan na een blik op haar telefoon. Ze liet me een berichtje lezen: diezelfde vriend had zelfmoord gepleegd.

Nu, in m’n eentje in de auto terug naar huis, zette ik het volume vol open zong ik alles luidkeels (en vals) mee. Until you caaaaaaall on the dark! Until you caaaaaall on the dark! Mijn brein sloeg aan het peinzen, nog onder de invloed van ‘het medicijn’. Is dat wat ik die nacht had gedaan? Had ik de duisternis aangeroepen? Misschien, maar daarmee had ik alleen maar het leven bevestigd, hoopte ik. Want wat moet je met een leven zonder de contouren van de dood? Memento mori en carpe diem zijn niet elkaars tegengestelde; het zijn twee zijden van dezelfde medaille.

Gedachten zonder conclusie. Drijfzand. Je kunt blijven peinzen of je kunt gewoon hard meezingen. Dus dat deed ik. De zon scheen fel, de vrieskou klampte zich vast aan een opwarmend wegdek. Ik racete terug naar huis. Voor het eerst was Oscar een nacht alleen geweest. Ik dacht aan de vette wasmotlarf die ik hem ging voeren. 


Vandaag voltooi ik de aller-, aller-, állerlaatste versie van Wij zeggen hier niet halfbroer, dat op 14 maart verschijnt. Klik hier als je je op deze stukjes wilt abonneren. Als je ze digitaal wilt delen met anderen vind ik dat heel fijn.  

walkabout

Gisteren ging ik wandelen. Ik was ietwat katerig. Niet van het feest van de Volkskrant en ook niet van het feest van Das Magazin, want op die uitnodigingen besloot ik niet in te gaan. Ik was niet in de stemming, niet sterk genoeg. Toch kwam ik zaterdagnacht pas om vier uur thuis, licht geurend naar parfum. Gek hoe dat werkt met voornemens en gemoedstoestanden.

Al veel vaker stond ik op het punt om te gaan wandelen, maar nooit deed ik het. Ik heb geen richtingsgevoel en weet in het bos de weg niet. Nu heb ik een app waarop ik routes kan downloaden en die me de weg wijst. De route die ik uitkoos was een rondje van tien kilometer. Ik begon in het bos hier vlakbij en liep via Waalre en Aalst weer naar huis.

Het duurde even voor ik echt vertrok. Iets hield me tegen. Ik kan ook gewoon hier blijven, dacht ik. Lekker met m’n Netflix, en Youtube-filmpjes over Mixed Martial Arts en Ayahuasca-retraites in Peru. Het was daarbij al half twee. Om nu nog te gaan wandelen… En het was meer dan dat. Ik was down. Ik stelde me voor hoe ik door het bos liep en in die voorstelling was ik nog steeds neerslachtig. Ik transporteerde de gemoedstoestand van de Henk hier naar de hypothetische Henk in het bos. De conclusie was dat het niets zou uitmaken: wel wandelen of niet wandelen.

Toen ik de straat uit fietste, naar het beginpunt toe, was het alsof ik met een elastiek aan mijn appartement vastzat. Ik kon niet zomaar weg. Moest ik geen jas meenemen? Geen tas? En los van die praktische bezwaren: wat ging ik nou eigenlijk dóén? Kon dit wel zomaar? Terugfietsen, naar binnen gaan, de deur achter me dichtrekken, me afzonderen; het lonkte.

Het elastiek knapte pas toen ik eenmaal in het bos liep en diep ademhaalde. Mijn bloed begon sneller te stromen, mijn tred was ferm. Af en toe keek ik op die app om te kijken of ik nog goed liep. Ik was hier nog nooit geweest. Dit was allemaal nieuw voor me. Ik was er zo enthousiast over dat ik het wilde roepen naar de paar mensen die ik tegenkwam: ‘HALLO! IK DOE DIT VOOR HET EERST! IK HEB HIER NOG NOOIT GELOPEN!’

Ook al had ik die app, toch voelde ik de opwinding van verdwaald zijn. Ik was ergens van losgekomen. Van mezelf, van mijn appartementje en mijn neerslachtigheid. De echte Henk was nu hier, en de hypothetische Henk zat nog thuis in z’n pyjama naar de laptop te staren, op tafel lege Duvel-flesjes en de proppen keukenpapier gebruikt bij het dwangmatig porno kijken, koffievlekken op z’n shirt, wallen onder z’n ogen. Oké, die laatste vier dingen niet werkelijk, maar de rollen waren wel degelijk omgedraaid; ik kon niet geloven dat ik echt had overwogen om daar te blijven zitten.

De meeste stukken was ik alleen. Zandpaden en bospaden. Ik vond het allemaal even bijzonder. De planten en bomen leken tot me te spreken. Ik kwam langs velden met heide. Er was een man in een weiland met een op afstand bestuurbaar vliegtuigje waar ik even naar bleef kijken en luisteren (het hoge geronk van de kleine propellers, ver weg, dichtbij). In Waalre liep ik langs een concours hippique. Ik liet een gestald paard aan m’n handen likken, keek in z’n donkere, schichtige ogen en dacht: Ik ken jou.


Deze stukjes automatisch ontvangen in je mailbox? Klik HIER. Mijn roman lezen? Vraag in de boekenwinkel naar Bidden en vallen.