De ramen staan open. Buiten rijdt een loeiende ambulance voorbij. Door het loeien van de ambulance begint in een tuin vlakbij een hond te loeien. Het simultaan loeien van de ambulance en de hond zorgt voor een kort en scherp gevoel van gevaar, van rampspoed. Die emotie gaat op zoek naar een oorzaak, naar iets om zichzelf bestaansrecht te geven. Ik denk aan deadlines, aan de kikkervisjes die mijn zoons hebben gevangen en die akelig stilletjes in hun bak drijven, aan geld, aan mijn zoons, aan liefde. De gedachte aan liefde leidt naar de gedachte aan vrouwen. De gedachte aan vrouwen naar de gedachte aan seks. De gedachte aan seks naar de gedachte aan het zonnige weer. Door de gedachte aan het zonnige weer besef ik dat ik te weinig buiten kom, besluit ik dat ik hier eigenlijk niet moet blijven zitten. Het gevoel dat ik hier niet moet blijven zitten zorgt voor het idee dat ik iets móét. Iets groots, iets belangrijks, iets wat werkelijk het verschil zal maken. Als ik niets doe verspil ik tijd. De gedachte aan tijd leidt tot de gedachte aan sterfelijkheid. Ik ga dood. Mijn kinderen gaan dood. Die gedachte leidt tot een gevoel van gevaar, van rampspoed. Het gevoel van gevaar en rampspoed gaat op zoek naar een oorzaak, naar iets om zichzelf bestaansrecht te geven (refrein). En ook al is de ambulance nu voorbij, de hond blijft loeien. Ik zou willen dat hij stopte. Ik kan me zo niet concentreren op deadlines, kikkervisjes, geld, liefde, seks, sterfelijkheid, de dood, gevaar, rampspoed. 


Laatste stukje van de week. Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Michael Schaap (De Hokjesman). Als je mijn stukjes in de vorm van een nieuwsbrief wilt ontvangen klik je hier. Ik schreef een roman: Bidden en vallen