We liepen dus in het bos toen mijn oudste zoon een Anta Flu snoeppapiertje vond. Zie het stukje van gisteren. In de buurt van het water, waar we naar kikkervisjes gingen kijken, liepen we langs een plek waar overal rode blaadjes van kunstbloemen lagen. Honderden rode kunststoffen blaadjes. Er zal een vuilniszak zijn opengescheurd of zo. Raar. Niet zo raar als de Anta Flu snoeppapiertjes, maar niettemin raar. De blaadjes liggen daar al maanden. Iedereen wandelt er met z’n hond voorbij, niemand ruimt het op. Ik had er genoeg van. Dan moest ik het maar doen.

Dus mijn zoons en ik kwamen terug, alledrie met een plastic boodschappentasje, om te gaan rapen. Mijn zoons hadden er al na vijf minuten genoeg van. Ze gingen klimmen en met honden spelen. Ik hoorde mijn oudste met mensen in gesprek gaan. Ik bleef rapen. Het aantal blaadjes leek niet minder te worden. Ik hoorde mensen gezellig kletsen en lachen. En ik maar rapen. Ik dacht aan van die wijsheden uit boeddhistische boekjes: als je iets goeds doet moet je dat doen omdat het goed is, en niet omdat je erkenning zoekt, of lof, of een beloning. Je ego moet als het ware oplossen in je handeling. Er moet niets meer zijn dan dat.

Toch merkte ik dat ik steeds dichter bij die mensen ging rapen, zodat ze me niet langer konden negeren. Ik kreunde en gromde er nog net niet bij. Toen kreeg ik waar ik naar snakte: aanspraak. Ik legde uit: al honderd keer was ik hier voorbij gelopen en nu kon ik er niet meer tegen; ik had besloten het op te ruimen.

‘Wat ook zo gek was,’ zei een mevrouw met een grote grijze Deense dog. ‘Toen je hier in het bos overal van die Anta Flu papiertjes vond.’ Meteen kwam ik overeind. ‘Een man deed dat,’ zei ze. ‘Die liet ze gewoon vallen. Hij is dood nu.’ Ik bleef haar aankijken. Het verklaarde waarom er veel minder van die snoeppapiertjes lagen dan vroeger. ‘Is hij dood?’ Ze knikte. ‘Maar hij liet ze gewoon vallen? Expres? Waarom dan? En at hij die snoepjes dan de hele dag door? En was hij dan ook de hele dag in het bos? En hoe zit het met zijn kleurensysteem?’ Hier had ze geen antwoorden op. Ik zou er nooit achterkomen. De man was dood. Dat voelde tegelijkertijd goed en onbevredigend.

Ik ging verder met rapen. De mensen gingen door met praten. In een film zou iedereen me zijn gaan helpen. Met z’n allen het bos weer leefbaar maken! Maar niemand hielp me. Zelfs mijn zoons niet. Toen mijn rug pijn begon te doen besloot ik dat ik klaar was. Nog lang niet alle blaadjes had ik opgeruimd. ‘Morgen kom ik terug voor de rest,’ zei ik, hard genoeg voor de mensen om me te kunnen horen, in de hoop dat ze zich heel rot  zouden voelen. Het leek er niet op. ‘Er zit kwijl op je jas,’ zei ik tegen mijn jongste. Op zijn jas zat een dikke klodder speeksel van de Deense dog. Ik zei het met verbeten stem en ik wees naar de kwijl. De mevrouw van de dog begon meteen heel schuldbewust mijn zoon te poetsen met een papieren zakdoekje. Dat was dan tenminste nog iets.

Ik ben nog niet teruggegaan voor de rest van die blaadjes.


Dit was het tweede en laatste deel over de Anta Flu snoeppapiertjes. Binnenkort verschijnt het verhaal in boekvorm en ook de filmrechten zijn al verkocht. Je kunt mijn stukjes ook als nieuwsbrief ontvangen. Ik schreef een roman: Bidden en vallen.