We liepen door het bos naar het water, mijn zoons en ik. Kijken of de kikkervisjes al pootjes hadden. Toen we terug naar de auto liepen raapte mijn oudste zoon een groen stukje plasticfolie van de grond. Van een Anta Flu snoepje. Ik bleef staan, aan de grond genageld. ‘Dus nog steeds,’ zei ik. ‘Mijn god. Nog steeds.’

Jarenlang liep ik dagelijks door dit bos met de hond. Ze overleed twee jaar geleden. Iedere wandeling zag ik overal van diezelfde Anta Flu snoeppapiertjes liggen. Ik werd er mesjogge van. Iedere wandeling was ik ermee bezig.

Ze lagen overal, op alle paden. Op sommige plekken heel veel, op sommige een enkele. De meeste papiertjes waren van de groene Anta Flu (menthol eucalyptus), maar sommige – veel minder – van de blauwe (mint menthol), en sommige – nog minder – van de oranje (classic).

Jarenlang. Anta Flu snoeppapiertjes. Overal. Bij elkaar opgeteld moet ik tientallen uren bezig zijn geweest met het overpeinzen van de reden, de motivatie, het systeem en/of de oorzaak. Ik heb ze ook een tijd opgeraapt. Kwam ik met jaszakken vol Anta Flu snoeppapiertjes thuis.

Was er iemand die dagelijks in het bos Anta Flu snoepjes liep te eten en dan de papiertjes achteloos op de grond liet vallen? Maar iemand die dagelijks in het bos loopt, heeft die geen affiniteit met het bos? Zal die de snoeppapiertjes niet netjes bij het vuil gooien? Daarbij impliceerde de hoeveelheid papiertjes een enorme consumptie van Anta Flu snoepjes, wat an sich al raar was. At diegene ze de hele dag door, en dus ook hier in het bos? Of alleen hier in het bos? Een gat in de jaszak misschien, waardoor ieder weggestopt papiertje meteen weer naar buiten dwarrelde? En zo ja, viel het diegene dan niet op dat hij of zij bij thuiskomst helemaal geen papiertjes meer in de jaszak had zitten? En dacht diegene niet, bij het zien van al die die papiertjes in het bos: Zeg, dat moeten haast wel die van mij zijn? Had diegene een systeem aangebracht in het eten van de snoepjes? Vijf groene snoepjes, dan twee blauwe, dan één oranje? Want hoe anders is die consistente kleurverhouding te verklaren?

Zo gingen er nog veel, veel meer scenario’s door mijn hoofd. Geen van allen waren logisch. Op een zeker moment zag ik een gek voor me. Iemand die expres, met een soort krankzinnige logica, die papiertjes door het bos verspreidde. Ik werd er woedend van. Woedend op de absurditeit. Woedend op wie er dan ook achter zat.

En ook nu weer. Dezelfde frustratie, dezelfde onbeheersbare behoefte om het mysterie te ontrafelen, om de verantwoordelijke te betrappen en door elkaar te schudden.

Ik vertelde mijn zoons erover. Ik wees naar het groene plastic in mijn zoons hand en ik vertelde. Ik zag de verwarring, het onbegrip en de woede in hun ogen. ‘Maar…’ begon mijn oudste. ‘Maar waarom zou iemand… Maar hoe kan… Maar wat…’

Ik schudde mijn hoofd. ‘Ik weet het niet, man. Ik weet het echt niet.’


Wat gek: ik probeer mijn stukjes rond de 300 woorden te houden, en juist bij een stukje over snoeppapiertjes lukt het me niet om onder de 500 te blijven. Mijn stukjes als nieuwsbrief ontvangen? Klik hier