We gingen naar de Apenheul. Mijn vader, mijn twee zoontjes en ik. Er zijn daar heel veel debielen. Of beter gezegd: er zijn daar heel veel mensen, en onder mensen zijn nu eenmaal heel veel debielen. Ze kunnen het niet laten: hun armen en handen uitsteken naar die loslopende, kleine aapjes. Overal staan borden: doe dat niet, ze vinden het niet fijn, ze kunnen bijten.

Ik kon het niet aanzien. De walgelijke ik-weet-van-niks-glimlach, de nog walgelijkere ah-joh-moet-toch-kunnen-grijns. Telefooncamera’s in de aanslag, zelfgenoegzaam en trots als een snotkleuter wanneer een aapje inderdaad over hun arm liep. Vurig hoopte ik dat al die mensen tyfushard in een vinger zouden worden gebeten, en alle letters van het Hepatitis-alfabet zouden oplopen.

Dit zijn dezelfde mensen die hun hond laten poepen en dan doorlopen met een blik die zegt: Ik ben nog altijd een fatsoenlijk, goed mens. Minder erg dan Assad, ja, dat weet ik. Minder erg dan de beulen van IS, zeker, dat begrijp ik heus wel. Maar mijn woede, mijn onbegrip, is bij deze mensen niettemin groter en vooral urgenter; ik kan daar niets aan doen.

Hoe dan ook. De Apenheul was cool. Dat moet gezegd. Grote, groene, natuurlijke verblijven. Een duidelijke route. Niet te veel horeca en andere geldklopperij. En natuurlijk, na de honderdste gibbon begint je enthousiasme voor de aap wat af te nemen, maar als je echt begint te geeuwen is er wel weer een mooi klimkasteel voor de kinderen.

Ook was er een mini-museum over onze voorouders. Levensgrote aapmensen, in verschillende stadia van de evolutie. Mijn oudste zoon werd er kriegelig van. ‘Ik vind het hier een beetje eng,’ zei hij, en liep naar buiten. Toen hij weg was keek ik zo’n aapmens recht in de ogen. Ik snapte het wel. Het is alsof je in jezelf kijkt, wie je ooit was, maar tegelijkertijd kijkt naar iets dat je bent verloren. Het is herkenning, vervreemding en weemoed in één. Al zal mijn zoontje die poppen simpelweg angstaanjagend hebben gevonden; laat ik vooral niet te veel projecteren.

Eén van de laatste verblijven waar we doorheen liepen was het thuis van een grote witte gibbon of makaak. Er was een overdekte loopbrug voor de mensen, en direct ernaast takken en touwen voor die apen, zonder afscheiding. Opnieuw de bordjes: deze apen lopen soms tussen de mensen door, geef hen vooral de ruimte en raak ze niet aan. Eén zo’n aap zat vlak voor ons op een tak. De loopbrug stond vol mensen. De aap keek om zich heen, maar leek de mensen niet te zien, of niet aan te willen kijken. Ineens sprong hij tussen ons in. Zijn landing maakte een doffe, luide klap op het hout. Een aap met gewicht. Hij liep tussen ons door, kalm en zelfverzekerd, en ging aan de andere kant op de balustrade zitten. De mensen verdrongen elkaar om vooraan te staan, veel te dichtbij. Ik keek naar hen, met hun kleren en telefoons en kinderwagens en horloges en schoenen, en ik begreep het van die aap, dat hij deed alsof we er niet waren, met die blik vol dédain in zijn ogen. 

Bij de souvenirwinkel was ik sterk; mijn jongens hebben niks gekregen.


Alle mogelijke overeenkomsten met bestaande personen berusten op louter toeval. Mijn stukjes per mail ontvangen? Klik hier. Mijn roman kopen? De titel is Bidden en vallen.