Ik denk steeds dat ik iets over het hoofd heb gezien, maar ik weet nooit wat. Het is niet iets kleins maar ook niet iets groots. Niet één ding. Vele dingen. Een golf aan dingen. Hele levens.

Gisteren stond ik met het restant van mijn griep onder mijn arm te tanken aan een verlaten, groene weg tussen dorpjes en landerijen. Tank bijna leeg. Ook bij het tankstation was niemand; ik kon betalen met pin aan de pomp zelf. Ergens tussen Cuijk en Gennep. De zon scheen. Ik hoorde vogels en ergens een grasmaaier en kinderstemmen. Ik keek recht op een heg en achter die heg kon ik wonen. Had ik kunnen wonen. Zou ik kunnen wonen. Er hing daar vast een schommel.

Dat bedoel ik, dat was dus zoiets. Dat had ik over het hoofd gezien. De beslissing om daar níét te wonen had ik nooit genomen, en moest ik dus nog nemen. Al met al geen kleine beslissing; een heel leven achter die heg. Wat gek dat ik er al die tijd zo laconiek mee om ben gegaan.

Raar om op pad te zijn. Een week binnen geweest. Ineens die zon, nu, die van alles van me wil. Word verliefd, schrijf een boek, ga sporten, bouw een huis met je blote handen. Een zoeklicht waarin ik bevries. Want de zon wil nog meer van me. Meer dan ik kan overzien. O ja, denk ik steeds. O ja, dit ook nog. Er zijn werelden, ontelbaar veel werelden, die ik alleen maar vanuit mijn ooghoek kan zien.

De stilte bij dat tankstation was veel te luidruchtig. Dus ik stapte in en reed bij mezelf vandaan.

Laatste stukje van de week. Deel de stukjes gerust. Ik verstuur ze ook per mail. Ik schreef een roman: Bidden en vallen.