Bij het kickboksen kreeg ik een maatje toegewezen. Met hem moest ik oefeningen doen, sparren, etc. Mijn maatje was vleziger dan ik. Groter, ook. We moesten elkaar de dojo door duwen, elkaar op de rug nemen en squats maken, als kikkers over de vloer springen. Hij zweette wat meer dan ik, en ook wat betreft conditie scoorde hij nog lager dan ik.

Na de training, toen ik nog slapjes een beetje tegen een zak stond te trappen, raakten we aan de praat. Hij had de training zwaar gevonden. Op een zeker moment zei hij: ‘Ik zit nog in een foute wereld.’

Bleek dat hij drugs gebruikte. ‘Welke dan?’ vroeg ik. ‘Welke niet,’ zei hij. ‘Sinds een paar dagen probeer ik clean te blijven. Lukt niet helemaal. Ik heb vandaag nog een vriend uit huis gegooid. Die zat te gebruiken waar ik bij was. Ik dacht eerst dat ik die verleiding wel kon weerstaan, maar nee. ‘

Ik keek hem een tijdje aan, wist niet goed wat te denken. Het was de schaamteloosheid waarmee hij vertelde, het gemak waarmee hij me in vertrouwen nam. Hij zei: ‘Ik ga dit gebruiken als houvast.’ Met dit bedoelde hij kickboksen.

Misschien liep hij al dagen rond met dit verhaal, op zoek naar een luisterend oor. Of misschien had hij niks meer te verliezen, niks meer om zich voor te schamen. En waarom zou hij ook? Ik zocht naar iets in zijn ogen. Een smeekbede, wanhoop, een roep om aandacht of hulp. Ik wist niet of ik dat wel of niet zag. Hij was vooral bedeesd, vriendelijk.

In de kleedkamer vertelde ik hem over mijn eigen gebruik, vroeger. Dat ik een keer psychotische verschijnselen heb gekregen na een te hoge dosis speed en dat ik er toen wel klaar mee was. Toen hij wegging gaf hij me een hand. Nee, het was meer een soort vastpakken; ik stond met m’n rug naar hem toe, dus de hand kwam diagonaal. Hij greep ernaar, als het ware.

Door de kou en in het donker liep ik naar huis. Ineens was er iets veranderd. Met zijn woorden had hij iets aan me overgedragen. Het was alsof ik hem nog op mijn rug voelde zitten. Ik wilde hem eraf gooien, weer licht zijn. Tegelijkertijd wilde ik hem naar de overkant dragen.

Stukjes, stukjes, stukjes. Ieder’n dag. Like ze, deel ze, whatever. Mijn roman heet Bidden en vallen.