Er wordt omgeroepen. Er is in deze trein een bende bedelaars actief. Ze leggen pakjes met papieren zakdoekjes bij je neer met een zielig briefje erbij. Gaarne deze mensen te negeren.

Ik ken het fenomeen. Ze leggen een pakje zakdoekjes bij je neer, lopen door, komen terug en hopen dat je het pakje hebt vervangen door een Euro.

De sfeer in de coupé verandert. Of liever zeg ik: de realiteit van de coupé verandert. Het is niet dat het nou zo spannend is dat er bedelaars in de trein aanwezig zijn. Net als ik zullen ook de meeste anderen hier vaker met hen te maken hebben gehad. Het is niet eng, niet gevaarlijk. Ze zijn niet echt lastig. Het is hooguit irritant.

Het is slechts de plotse aanwezigheid van de mogelijkheid, hoe nietsbetekenend ook. Ergens in de trein zijn bedelaars en ze kunnen in deze coupé komen. Niet iets om ons echt zorgen over te maken, om zelfs maar mee bezig te zijn. Maar er is nu het besef van een mogelijkheid, hoe banaal ook, dat er net niet was. Dat heeft de aard van de werkelijkheid veranderd. Het is alsof er een extra noot is aangeslagen op een gitaar met duizenden snaren. 

De glazen deur zwaait open en er komt iemand binnen. In ieders hoofd klinkt het: bedelaar. Het is een meisje van de railcatering. In de coupé: een minuscule maar voelbare rise and fall van alertheid, een korte koerswijziging van de focus. Opnieuw gaat de deur open. Een vrouw in een schort met een emmer en poetslappen. Weer de lichte deining van anticipatie. Heel even zijn onze radio’s afgestemd op dezelfde frequentie, om vervolgens meteen weer van elkaar af te wijken en ons te bespugen met onze eigen, afzonderlijke, innerlijke herrie.

Alles lijkt weer hetzelfde te zijn. Een slaapverwekkende maar valse notie. De trein snelt voorwaarts met open mond, vreet hapje voor hapje de aanstaande seconden en meters van onze levens op. 


De geruchten zijn waar: je kunt je op deze stukjes abonneren. Klik hier. Mijn roman heet Bidden en vallen.