Ik zeg de laatste tijd veel biertjes toe. Biertjes drinken. Ik zeg het toe aan goede vrienden maar ook aan kennissen of mensen die ik alleen digitaal ken. In de meeste gevallen is de intentie achter mijn toezegging oprecht, in sommige weet ik al dat ik er geen moeite voor zal doen. De toezeggingen stapelen zich op. Biertje, ja, biertje, zeker, ja, leuk, biertje.

Vaak is het de ander die het biertje voorstelt. Ik zeg dit niet om cool te doen. En jullie herkennen dit. Naarmate we ouder worden hebben we steeds minder tijd en steeds meer kennissen. Do the math. Mensen denken wellicht dat ik verlegen zit om een goed gesprek, om gezelschap. Dat snap ik uiteraard wel; ik schrijf over mijn scheiding en hartsymptomen. Soms heb ik ook het idee dat men het aanbiedt uit sociaal ongemak, om te laten blijken dat ze deugen, of gewoon om weg te kunnen komen; voorstellen om in de toekomst een biertje te doen is een effectieve afsluiter van een toevallige ontmoeting.

Ik weet het niet. Ik weet eigenlijk ook niet precies wat ik hiermee wil zeggen. Misschien dat ik best wel met meer mensen biertjes zou willen drinken. Dat ik het snap. Dat het waardevol zou kunnen zijn. Toch ga ik er zelden op in. En het is ook zo druk. Werk, kinderen. Allemaal clichés, dat weet ik. Maar soms voelt het ineens zo wezenlijk. Alsof je in een kar langs een hele rits mensen wordt gereden. Je probeert hun uitgestrekte hand te schudden, maar bent hen al voorbij. Je wilt ze aanspreken, maar bent hen al voorbij. Mensen, maar ook plaatsen en gebeurtenissen en ervaringen; die hele wereld die aan weerszijden ligt van de weg waarop jij voorbijraast.

Misschien heb ik het helemaal niet over mensen en biertjes; misschien heb ik het over iets heel anders. Ik denk ineens aan die titel van een boek van Bukowski: The days run away like wild horses over the hills. Misschien bedoel dat. Dat je eigen leven soms bij je vandaan lijkt te rennen.

Hier dagelijks zo’n stukje. Soms lukken ze, soms niet. Deel ze. Plak ze in je poesiealbum. Koop mijn boek.