Zaterdagavond zaten mijn jongste en ik in de pizzeria. Tegenover elkaar aan een hoge tafel. Tijdens het eten ging hij te ver naar voren zitten, schoof hij van het bankje af en stootte hij met de onderkant van zijn kin tegen de tafel. Hij schrok en huilde. Toen ik hem troostte vroeg hij: ‘Is er bloed?’ Hij vroeg het enigszins hoopvol, en toen ik zei dat er geen bloed was keek hij teleurgesteld. 

De pijn verdiende bloed.

Daarna liepen we door de stad, hij en ik. (Zijn oudere broer was naar een wedstrijd van PSV.) We liepen langs de kerk waarachter ik als tiener coke heb zitten snuiven met een vriend die nog niet zo lang geleden zelfmoord heeft gepleegd. Langs het eetcafé waar ik voor het eerst de moeder van mijn kinderen kuste. Langs de straathoek waar de politie me van een andere man trok. We kwamen langs een kroeg waar ik nu wel eens kom. ‘Nog wat drinken?’ vroeg ik. Hij wilde eerst wel en toen niet. We stonden al in de deuropening. Binnen zaten groepjes jonge mensen. Ik zag één meisje naar me kijken. ‘Kom,’ zei mijn zoon, en we liepen door, en in de bus naar huis dacht ik aan mijn toekomst met dat meisje, die ik nu niet zou hebben.  

Toen ik hem naar bed bracht gaf ik hem een zaklamp en liet ik hem oefenen met het recht leggen van zijn deken in het donker, zodat hij me voortaan niet meer iedere nacht wakker roept: ‘Mijn deken ligt niet goed!’ Hij oefende het. Het lukte. Meteen had ik spijt. Nu zou hij me ’s nachts niet meer wakker roepen. Nu was die fase voorbij.

Ook ik vind dat je bloed zou moeten zien. Dat het zou moeten bloeden. Ik heb het nu niet over de grote gapende wonden. Niet over kanker of misbruik of oorlogstrauma’s. Vaak zie je dat wel in de ogen. Ik heb het nu over de ontelbare kleine sneetjes. Het bloed dat stroomt uit al die kleine sneetjes.

Iedere dag hier een stukje. Deel ze, als je wilt. Ik schreef ook een roman: Bidden en vallen. Tot morgen.