Boeken

Salvador

  • Het boek
  • Fragment
  • Quotes
  • In de media

Hartverscheurende roman over een liefdeloze man, en over het jongetje dat hem moet redden

Hendrie Perenboom is niet de man die hij wil zijn. Opgegroeid in een achterbuurt, op momenten meedogenloos, soms zelfs sadistisch. Nog altijd krijgt hij de paranoïde proleet in zijn hart niet uitgebannen. In de gevangenis omarmde hij het romantische cliché van de boetedoening, de wedergeboorte en de ontdekking van de literatuur. Hij kwam eruit als een nieuw mens; een man met een donker verleden, maar een betere toekomst. Of althans, dat maakte hij zichzelf wijs. En dat doet hij nog steeds wanneer hij een brief krijgt van een Spaanse vakantieliefde. Ze schrijft hem dat hij een zoontje heeft van acht jaar oud. Het nieuws is alles waar hij op hoopte. Het is zijn lot. Zijn reis naar Spanje zal hem redden en reinigen. Dat jongetje zal van hem een goede man maken. Hij zal dat jongetje zien en hij zal een vader zijn. Vaders zijn goed. Het vaderschap zal hem genezen. Hij zal liefde kennen. Niet langer zal hij steeds over zijn schouder kijken en daar zijn schaduw zien lopen. Ja, dat jongetje... dat jongetje zal hem beter maken.

Op blote voeten, in onderbroek en shirt, liep Hendrie over de weg naar de boulevard. Steentjes boorden zich in zijn voetzolen en vielen er weer uit. Hij liep over de zwijgende boulevard en tuurde naar de zee, het water zwart en ruisend en beschilderd met het bleke licht van de vlekkerige maan. Bij de trap bleef hij staan en keek hij om naar La Colmena. In het donker was het onmogelijk uit te maken waar het huis zich precies bevond, zeker met de lichten uit. Ook was het nog te vroeg in het seizoen voor de straatlantaarns. Maar daar ergens, ergens tegen die zwarte homp van een berg, lag de jongen te slapen. ‘Salvador,’ fluisterde Hendrie, en probeerde niet luider dan de fluisterende zee te zijn. Hij liep de trap af, voelde bij iedere stap het zand zijn voeten vastgrijpen als minuscule kinderhandjes, en liep een eindje de koude branding in. Het water rolde onder zijn voetzolen door en rolde weer terug, iedere keer een fluistering met iedere keer een andere intonatie. Van alle kleuren komt zwart in de meeste tinten, dacht Hendrie. Hij liep parallel aan de boulevard tot hij bij de pier kwam. Voorzichtig liep hij naar het einde van de soms spekgladde en soms vlijmscherpe stenen pier. Vanuit daar keek hij naar het strand, naar de baai. Hij was het vergeten maar hij wist het nu weer, de lengte van een pier lijkt altijd exponentieel veel groter dan de daadwerkelijke afstand. Het strand leek het strand van een andere plek, van een andere wereld. Hij keek naar een strand uit een andere dimensie. Alles wat hier bestond, bestond ook daar. En hij zag zichzelf daar staan, in de branding van die andere wereld. Een alterego. En hij zag ook de jongen in die branding spelen. Hij en de jongen, bezig met een zandkasteel, in dat pikkedonker, middenin die kille verlatenheid.
'Een opmerkelijk boek ... Op de meeste pagina’s krijg je het gevoel dat Van Straten iets wezenlijks bloot legt' NRC Handelsblad

'Opmerkelijke roman over een volksjongen die proletarische misère probeert te ontstijgen' NRC Handelsblad
Twitter

 

Paperback, 304 p. | ISBN: 9789048811182 |
€ 17.50 | Verschenen: Oktober 2011