Boeken

Smet

  • Het boek
  • Fragment
  • Quotes
  • In de media

Genomineerd voor de BNG nieuwe literatuurprijs

Smet is een ontroerende en humoristische vertelling over vijf eenzame, compulsieve mensen en hun queeste naar een leven zonder hun beklemmende angsten. Maar tegelijkertijd is het een geëngageerd relaas; een wanhopige schreeuw om houvast en hoop in een tijd waarin de naderende ondergang van onze samenleving haast een gegeven lijkt.
 
Ondanks hun respectievelijke neurotische handicaps en de constante dreiging van een klimaatcrisis, verschuivende wereldmachten, een uitgestorven oceaan en het apocalyptische jaar 2012, bundelen de vijf leden van Het genootschap van de levenden hun krachten om de zoon van een van hen – een loverboy en drugsdealer – terug op het rechte pad krijgen. Zo hopen ze niet alleen de jonge Joseph te redden, maar ook hun eigen demonen te verslaan en een reden te vinden om het leven met nieuwe moed tegemoet te treden.

Echter, wat begint als een groepje enthousiaste lotgenoten, transformeert al snel naar een dogmatisch verbond, aangevoerd door de blinde en zelfverklaarde profeet Mark Ickenroth. Zijn vader, een cynische neuroot en Tourette-patiënt, ziet het allemaal met argusogen aan. En ook de Thaise werkster, Boonchan, lijkt niet helemaal mee te kunnen gaan in deze goddelijke missie. Er ontstaat wrijving, en al snel blijkt de strijd geen gezamenlijke, maar een die ieder van hen alleen zal moeten voeren. En terwijl de leden vechten voor hun respectievelijke genezing, komt ondertussen het einde van de wereld onherroepelijk dichterbij...

Impending doom.
‘En in het Nederlands?’
‘Weet ik veel. Gewoon, het gevoel dat er iets ergs staat te gebeuren.’
‘Het einde?’
‘Het is gewoon allemaal zo... Soms heb ik het idee... Als ik op straat loop, of nou ja, toen ik dat nog met enige regelmaat deed... Het is soms gewoon net alsof ik in de Matrix rondloop, van die film, u weet wel. Alsof ik de enige ben die het rode pilletje heeft geslikt, de enige die ervoor heeft gekozen zijn ogen te openen en de wereld om hem heen te zien zoals ze is.’

‘En hoe is de wereld om je heen?’
‘Een microkosmos. Kleine beestjes. Tijdelijk. Tijdelijk. Elk moment nu... Wat ik bedoel is, hoe kunnen mensen opstaan en niet meteen weer instorten?’
‘Andere mensen zijn zich misschien niet de hele tijd bewust van hun vergankelijkheid, of die van de aarde. Of ze vinden misschien juist daarom dat hun dagelijkse beslommeringen er wel toe doen.’
‘Ah ja, het blauwe pilletje. Ogen dicht. Kies je god en blijf peddelen. Dat ziet u toch zelf ook wel? We zijn een consequentie. Een resultaat. Een flinterdun en tijdelijk stadium in een biljoenen jaren durend proces. We zijn begroeiing. Mos op een stuk steen. Toevallig ooit een boek over het heelal doorgebladerd?’

‘Wat is je punt?’
‘Ach, hou toch op. Die mooie ringen van Saturnus? Die leuke planeet waar we stickers van tegen het raam van onze kinderen plakken? Weet je wat dat zijn? Het is puin. Puin van een neergestorte maan. Dat bedoel ik, we worden voorgelogen. We romantiseren alles. Maar er is niks moois of romantisch aan. Weet u, die ringen hangen er volgens astrologen maar een miljoen jaar. Luistert u? Máár een miljoen jaar! Volgens hen, volgens hun redenatie, moeten we blij zijn met zoveel geluk omdat het zo ontzettend toevallig is dat ze er juist hangen tijdens ons korte bestaan. Daar moeten we van genieten, is de opvatting. Een miljoen jaar! Befjekutanus! Een miljoen! Wat voor referentiekader moet een mens in godsnaam hebben, wil hij daar nog wijs uit kunnen? Wat moet zoiets ons zeggen? Ik bedoel, wat betekent het? Weet je hoe ze afstanden meten in het heelal? In lichtjaren. Weet je hoever een lichtjaar is?’
‘Ik denk niet dat...’
‘Een één met dertien nullen. Flaplul! Dertien! Wat heb je aan die getallen als je hoofd er te klein voor is?’

‘Goed, door de grootsheid van het heelal voel je je klein en onbetekenend. Dat is op zich niets...’
‘Ja, ja, enzovoorts. Luister, u begrijpt het niet. Als u ruis hoort op uw tv of radio, weet u wat dat is? Dat zal ik u vertellen. Het is de echo van een explosie die veertien miljard jaar geleden plaatsvond. De big bang. De straling daarvan is nog overal op te pikken. Als je dat weet, dan wil je toch de deur niet meer uit? We leven in een sterrenstelsel in een universum met biljoenen sterrenstelsels die allemaal miljoenen lichtjaren van elkaar af staan, die imploderen en exploderen en hervormen en verdwijnen...’

‘Je had het zojuist over de ringen van Saturnus. Over de  gigantische tijdstermijnen die gelden in het universum. Waarom zou dan juist tijdens jouw leven de aarde vergaan? Tegenstrijdig, niet?’
‘Kijk om u heen, dokter. Open uw ogen. Er is te veel dat mis kan gaan. Er dreigen te veel catastrofes. Ik heb het niet alleen over meteorieten. Kijk wat er gebeurt in de wereld. We hebben onszelf in een hoekje gedreven. Luister, het is niet Murphy’s law, het is Murphy’s laws, met een S. Meervoud! Het zijn honderden duizenden Murphy’s laws. Ze zijn overal om ons heen en allemaal zijn ze klaar om hun stelling bewezen te zien worden. We koorddansen boven een vulkaan. Het is Russisch roulette met kruiskoppen. Nucleaire bingo. En dan, eindelijk, onvermijdelijk, the Big Bull’s Eye.’

‘Ah, profetie. Interessant. Want dit geloof in een voorgevoel, de overtuiging van een irrationeel idee... Is dat niet juist hetgeen waarom je normaliter gelovigen altijd zo fel afbrandt?’
‘Ach, ik haat gelovigen voornamelijk omdat ze niet echt geloven.’
‘Dat zullen zij niet met u eens zijn.’
‘Ballen! Nonsens. Hoe sterker iemand zijn geloof verkondigt en de leefregels handhaaft, des te banger is hij voor de ontmanteling ervan. Dat duidt op fundamentele twijfel. Angst. Ze zijn bang, ziet u? Ze geloven niet. Niet echt. Niemand gelooft ooit echt in iets. Sommigen hebben alleen wat meer behoefte aan een god dan anderen. Ze willen klein blijven. Als je te groot wordt, dan zie je te veel. Dan zie je de hoogte.’

‘En toch komt u met haast Bijbelse voorspellingen over het einde der tijden.’
‘Het einde van iets voorspellen is de enige onomstotelijke voorspelling die een mens kan maken... Ja, dan hoeft u niet zo te kijken, hoor. Ik weet al wat u denkt. Maar ik ben ook gewoon bang. Ik ben ook maar gewoon een mens. Haat u dat niet? Als mensen dat zeggen: Ik ben ook maar een mens? Ik bedoel, wat zeggen ze dan eigenlijk? Maar, trouwens, en daarbij, als mijn angst een rationele angst zou zijn, waarvan ík overigens dus nog steeds stellig ben overtuigd, dan had ik u niet nodig gehad. Ziet u de paradox?’

‘Maar zou het niet kunnen zijn dat je ergens anders bang voor bent, en dat vertaalt naar een doemscenario voor de aarde, om de echte oorzaak niet onder ogen te hoeven zien? Je zou na nine eleven niet de eerste zijn die...’
‘Aarspiskutballen! Wat was dat?’
‘Niets. Ik tikte met mijn theelepeltje tegen de rand van het kopje. Leun maar weer achterover. Wat ik zeggen wilde, is dat na nine eleven...’
‘Nine eleven! Nine eleven! Hou toch op met dat nine eleven, man! Verzin eens een nieuwe datum!’

'Een van de aanprijzingen voor zijn werk luidt dat zijn woorden als dartpijltjes zijn. Dat zal wel, het gaat er vooral om dat de pijltjes altijd daar op het bord belanden waar ze de beste punten opleveren.' - 8weekly

'Boek vol tragische en hilarische losers... Voor zijn nieuwe roman heeft Van Straten weer een handjevol figuren bij elkaar verzonnen die zowel een lach als een traan oproepen [...] De hele roman door laat deze creatieve literator de lezer proeven van zijn afwisselend meelevende en ironische schrijftrant.' - Eindhovens Dagblad

Twitter

 

Paperback, 334 p. | ISBN: 9789048802913 |
€ 17.50 | Verschenen: Oktober 2009