'Eén man, één enorme lul, en heel erg veel BN'ers.'
Superlul groeit op in een klein, christelijk dorp. Zijn aangeboren afwijking – een lul haast groter dan hijzelf – is gedurende zijn jeugd een bron van schaamte, zelfhaat en afzondering. Op zijn achttiende wordt het vooruitzicht van een leven als freak en kluizenaar hem te veel en springt hij uit zijn slaapkamerraam.
Die sprong zal zijn leven veranderen. Superlul breekt alleen maar zijn benen en wordt naar het ziekenhuis gebracht, alwaar het pikante nieuws over de jongeman met de reuzepik als een lopend vuurtje rondgaat. Hij verlaat het ziekenhuis als de god van het geslacht en gaat op kamers wonen in Amsterdam. Zijn naam gonst door de stad. Journalisten komen op zijn spoor. sbs6 zendt een shockdoc uit. Superlul is te gast bij dwdd (waar Yvonne Jaspers nog maar net op tijd kan wegduiken als hij zijn naakte lid op tafel kwakt) en wordt tijdens rtl Boulevard aangerand door Albert Verlinde. Lange Frans werpt zich op als beste vriend en manager. In rap tempo volgen een eigen column, een jurylidmaatschap en natuurlijk zijn eigen reality-soap: Superlul komt klaar.
Maar zo snel als je ster kan stijgen, zo snel kan hij ook weer ter aarde storten. Superlul bedriegt zijn vriendin Carice van Houten, verliest alle schnabbels, en dreigt zelfs lager in de bn'er-keten terecht te komen dan Regilio Tuur. Het zijn donkere dagen voor hem.
Gelukkig krijgt hij een laatste kans. Van John de Mol mag hij meedoen aan Celebrity Jungle Bungle, een gevaarlijke afvalrace op een tropisch eiland. Daar kan hij zichzelf bewijzen en zowel zijn sterrenstatus als zijn geliefde terugwinnen. Maar gemakkelijk zal het niet worden. Dit keer kan zijn grote lul hem niet redden...
Dertien, veertien jaar oud was ik toen de dimensies van mijn geslachtelijke wildgroei zich begonnen af te tekenen. O, de keren dat ik naakt op de rand van mijn bed heb gezeten met dat naakte, vleeskleurige dier slapend tussen mijn benen, bang om mezelf daar zelfs maar aan te raken. Hoe ik huilde. Hoe mijn tranen als ontgoochelde pelgrims naar het verre uiteinde van mijn voorhuid sjokten.
Hij hóórde niet bij mij. Hij wás mijn lul niet.
Als ik op die leeftijd had geweten van het bestaan van Body Identity Integrity Disorder – de geestelijke aandoening waarbij iemand het gevoel heeft een lichaamsdeel te veel te hebben en daar desnoods, als de chirurg het niet wil doen, zelf het mes in wil zetten – dan had ik mijzelf hoogst waarschijnlijk dusdanig gediagnosticeerd. Maar dat had dan geen fuck uitgemaakt. Naar de dokter of psycholoog zou ik toch niet zijn gegaan, niet met die knuppel tussen mijn knieën. Überhaupt naar buiten gaan vond ik al moeilijk genoeg. En daarbij hád ik natuurlijk ook helemaal geen Body Identity Integrity Disorder. Er wás in mijn hoofd helemaal geen sprake van misrepresentatie van lichaamsdelen; geen vervormd en onrealistisch fysiek eigenbeeld. In mijn geval was het juist de wérkelijkheid, de absurditéít van de werkelijkheid, die mij vervreemdde van dat ene, bepaalde, reproductieve deel van mijn lijf.
Nee, ik had een geheel andere aandoening. Ik had rbaetscs. Ridiculously Big, Almost Eiffel Tower Sized Cock Syndrome.
Daar doet een psycholoog dus helemaal niets aan. En had ik niettemin getracht, in een wanhopige bui, om zelf het handeltje af- of bij te snijden, dan had dat zonder enige twijfel mijn dood betekend. Ik zou sneller zijn doodgebloed dan ware ik onthoofd. Mijn lul, tenslotte, was dikker dan mijn nek.