Dingen die niet in het boek staan. Vergeten, over het hoofd gezien. Ze melden zich nu, komen verhaal halen. Willen het verhaal ín. Het was te verwachten.

Er was Bolivia.

De familie die op Curaçao woonde (familie van mijn stiefvader) en bij wie mijn moeder werkte als nanny had/ heeft een geadopteerd kind uit Bolivia. Ze namen haar en haar drie blonde broertjes mee terug naar haar geboorteland, toen ze acht was, of negen, of tien?, en ik mocht mee.

Ik was een puber. Zestien. Ik had een kaalgeschoren kop en droeg een felrood Australian trainingsjack. Verdwaasd, in mezelf gekeerd, opgesloten in een harnas van verwarring.

Ik herinner me de kortademigheid in de ijle lucht. De coca-thee die we te drinken kregen tegen de hoogteziekte. Een indiaanse medicijnman die cocablaadjes op de vloer wierp, en in het vuur, en die zowel junglegeesten als katholieke heiligen aanriep. Hij was er om mijn familie te troosten, geloof ik. Vooral mijn geadopteerde nichtje. Haar te helen. 

Er was mijn oom, een succesvolle advocaat, die iedere avond een biefstuk bestelde, rare, en ik, die hem dat nadeed. Ik dronk wijn mee, misschien zelfs al whisky. Er was een avond waarop er een discussie was tussen de volwassenen en ik, aangeschoten, ineens meedeed. De volgende dag – ik was katerig en schaamtevol – vertelde mijn moeder dat mijn oom er zo van onder de indruk was geweest, zo positief verrast. Ik gloeide van trots, wat zeldzaam was.

Zwembaden, hotels, drukke markten, armoede, felgekleurde kleden van lama-wol.

De jungle. Een vierdaagse riviercruise over een zijrivier van de Amazone. Een boot uit vervlogen tijden, niet groot; er konden slechts een paar gezinnen op. De bemanning bestond uit Bolivianen, mannen met een lederen huid, rafelige kleren en in hun mond altijd wel ergens een gouden tand. Ik zat vaak voorop het schip. De jungle die voorbij trok. Gekrijs van vogels en apen. Ik zat er net zo lang tot ik kon geloven dat het echt was, al bereikte ik dat punt nooit helemaal.

’s Nachts gingen we op een klein bootje over kleine zijriviertjes varen. De Boliviaan die ons meenam scheen met een zaklamp tussen de takken langs de oevers. Ineens zagen we rode balletjes oplichten. Rode knikkers. De ogen van een krokodil. Hij greep hem uit het water. Hij grijnsde. Zijn gouden tand blonk.

De vier kinderen kwamen een keer hysterisch van angst het dek opgerend. Ze waren benedendeks geweest en hadden iets verschrikkelijks gezien. Een monster, an unspeakable evil. Ze waren ontroostbaar, wit van angst. We zijn er nooit achter gekomen wat er is gebeurd. Een geintje van de bemanning, waarschijnlijk, maar die hebben het nooit opgebiecht, vermoedelijk bang dat ze hun baan zouden verliezen.

En zoetwaterdolfijnen. Die heb ik gezien. Die bestaan dus echt. Of bestonden. Zo goed als uitgestorven nu. Ze zwemmen nog altijd achter me aan, zoals achter die boot toen, en willen dat ik naar hen kijk, verlangen iets van me, willen me iets zeggen.


Beschouw dit maar als bonusmateriaal bij Wij zeggen hier niet halfbroer. Je abonneren op deze stukjes kan hier.