In de achtertuin heb ik een stukje braakliggend terrein. Er staat alleen een magnolia die al een paar jaar op sterven na dood lijkt te zijn. Slechts een paar blaadjes krijgt hij, iedere lente, en die zijn dan ook nog een beetje rafelig, met bruine plekken. Vroeger, toen ik hier nog met m’n ex woonde, deed hij het veel beter. ‘Vanwege je ex!’ roepen jullie nu. Ja, dat kan, maar waarschijnlijker is het omdat we de plant ooit hebben verplaatst. Dit stukje aarde is hartstikke onvruchtbaar.

Ik besloot er iets aan te doen. Ik haalde het onkruid weg en maakte plaats voor nieuwe planten. Ik sleurde m’n jongens mee naar de Intratuin, waar ze allebei een plant mochten uitkiezen. M’n oudste koos een braam en noemde die Bram. Bram de Braam. M’n jongste koos een witte bes en noemde die Jack Sparrow. Ook kocht ik speciale aarde voor fruitbomen en een zak mest.

Ik was net bezig met het graven van het eerste gat toen mijn spade iets hards raakte. Mijn zoons kwamen kijken. Het was een rand van iets. Een pot, dacht ik. Nee, het was metaal. Een badkuip? Hoe meer ik groef, hoe groter die bak bleek te zijn. Het was warm, ik zweette me kapot. Ik trok m’n shirt uit. M’n jongens trokken ook hun shirt uit, ook al stonden zij gewoon stil. Ik groef door. Eerst die bak leegscheppen, besloot ik, want anders krijg ik die er nooit uit. Er zat van alles in. Dus in de aarde in die metalen bak. Stukken leer en scherven glas en halve theekopjes. Het leer bleek van twee enorme werkschoenen te zijn. Die kwamen eruit: twee gore, grote werkschoenen. Maar het werd nog erger: ik haalde hele stukken golfplaat eruit, van een oud dak. Toen we hier net kwamen wonen stond hier een schuur. Die hebben we laten slopen. Er zat asbest in dat dak, realiseerde ik me nu. ‘Wat is asbest?’ vroeg m’n jongste. ‘Afblijven!’ riep ik. Ik groef verder en kwam nu ook nog een smerig wit goedje tegen dat nog zacht was. Stopverf?

‘Fuck it,’ zei ik. ‘Ik stop.’ Ik gooide de aarde terug.

Ik besloot het gat voor Bram verder naar links te graven, maar toen dacht ik: als de aarde hier zo goor is, dan trekt dat gif ook in Brams bramen, en die eten we dan op. Dus schepte ik wéér alle aarde terug. Wel gooide ik er wat mest bij, voor die magnolia, en voor het onkruid dat er wat mij betreft nu welig zal tieren en dat ook maar onkruid is omdat wij het onkruid noemen.

Bram en Jack staan nu ergens anders; ik heb voor allebei een terrastegel weggehaald naast de blauweregen.

Op Twitter die avond droomde een Amsterdamse columniste hardop over betaalbare huizen in Brabant. Met een tuin. Ik zei ja, inderdaad, ik heb een tuin. Ze zei: ‘Dat wil ik dus ook! De krant lezen in je eigen tuin. En vogels horen. En de meiden een beetje zien rondscharrelen. De kat die zich wast.’ En vervolgens: ‘Een zandbak. Koffie. Wapperende was. Met jezelf afspreken dat je over een kwartier echt aan het werk gaat. Nog een uur blijven zitten.’

Ik vroeg me af of dat ook gold voor mijn Eindhovense stadstuintje met asbest. Of de columniste zoiets in gedachten had. Maar ik hield m’n mond; ik gunde zowel haar als mezelf de droom van het idyllische Brabantse leven. Daarna gooide ik de vuilniszak met asbest weg, dronk ik een Duveltje en maakte ik me een tijdje zorgen over kanker. Op een zeker moment hield dat vanzelf weer op.

Het onkruid tiert inmiddels welig. De magnolia, die jankerd, is nog altijd sip.


Ik schrijf wat minder stukjes de laatste weken. Niks aan te doen. Wil je ze automatisch per mail ontvangen? Klik hier. Mijn nieuwste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.