Goed, dus afgelopen weekend was het feest in Amsterdam. Feest ter ere van ons. Het Wonder van Eindhoven. Al weken zorgt het voor lekker veel aandacht. We zijn bejubeld en bezongen. We hebben onze mooiste spulletjes en succesvolste artiesten getoond. Er zal ook vast veel zijn gelobbyd. In de krant las ik dingen als ‘de bescheiden jaren zijn voorbij’ en ‘geen Brabants Calimerogevoel meer’. Allemaal hartstikke positief, toch? Waarom heb ik dan toch dit weeïge gevoel in mijn buik?

Wellicht kan ik het nog het best verwoorden door middel van een analogie. Stel, je hebt een gezin met een paar zoons. De oudste zoon is de grootste en de sterkste. Dat weet hij zelf ook wel; hij is behoorlijk overmoedig en arrogant. Zo vindt hij het bijvoorbeeld leuk om het hoofd van een broertje onder zijn arm te klemmen en er een paar knokkels in te drukken. Of hij lacht een broertje uit nadat die is thuisgekomen met nieuw, maar kinderachtig speelgoed. Maar op een dag is hij in een goede bui. Eén van zijn broertjes is heel ijverig. Een zwijgzaam en ingetogen jongetje, altijd in de weer met technische lego. De oudste broer roept naar dit ijverige broertje: ‘Kom naar m’n kamer en laat maar eens zien wat je hebt gemaakt.’ Trots laat het ijverige broertje zijn zelfgebouwde vrachtwagen zien. Ook laat hij horen hoe goed hij al gitaar kan spelen. ‘Hartstikke mooi!’ roept de oudste broer. ‘Je bent echt goed bezig!’ Het ijverige broertje glundert van trots en doet enthousiast verhaal bij zijn moeder. Ondertussen belt de oudste broer een paar vrienden op. Want als je echt wil buitenspelen, dan moet je daar uiteraard niet je kleine broertje voor hebben. 

Als u mij nu veel te pessimistisch en defaitistisch vindt, dan kunt u bovenstaande gerust toedichten aan giftige verbolgenheid. Ik werd niet uitgenodigd voor Het Wonder en ook is mijn naam in niet één relevant artikel ter sprake gekomen. Dus dat zal het zijn.