Tussen kerst en oud & nieuw zijn mijn ex en ik verhuisd. Zij vanuit ons huis naar een huurwoning, ik van mijn tussenwoning naar ons huis. Twee jaar na de scheiding. Verhuizen tijdens de feestdagen is een beproeving. Ik bedoel: de feestdagen an sich zijn al een beproeving, en verhuizen an sich is ook al een beproeving. Onze zoons vrij van school. Amai.

Maar waar ik over wil schrijven is de stort. Of de milieustraat, zoals het tegenwoordig heet. Misschien vroeger ook al hoor, maar wij noemden het altijd de stort. Ik heb een speciale band met de stort. Zelfs het wachten in de rij met auto’s vind ik indrukwekkend. Een beetje spannend, zoals ook wachten in de rij voor de Python in de Efteling spannend is.

Enfin. Tijdens het verhuizen veel ritjes naar de stort. Je verlaat het ene huis en betrekt het andere. Je probeert ruimte voor jezelf te creëren. Ruimte en overzicht. Niet alleen in je huis, maar ook in je hart en geest. 

De man bij de slagboom – nu zijn we echt aan de beurt! – heeft smetvrees. Hij neemt je stadspas aan met het bonnetje dat je krijgt. Hij wil je pas niet aanraken. Een man met smetvrees. Op de stort. 

Eenmaal op het terrein ben ik een vat emoties, maar ook draait mijn observatiedrang op volle toeren. Het volk; de mensen die de ornamenten uit hun leven komen weggooien. De kerels die er werken, hun laconieke houding, hun zwart geworden handschoenen, het Eindhovense dialect. De containers met daarin zo’n kolossale arm die alles plet en breekt. Alle geleefde levens die daar worden vermalen. Het is een wereld op zichzelf. Apocalyptisch, maar toch gezellig.

In de container met tapijt en kleden wierp ik ons paarse kleed. Onze hond, nu dood, heeft er nog op gelegen, en ik nam het mee naar mijn tussenhuisje, waar het twee jaar op de vloer lag. Tot ziens, kleed. Het is alsof je een orgaan wegwerpt. Een lever of een nier. Maar het orgaan is oud en heeft gezwellen; het moet eruit.

Mijn bruine bank. Met twee man heb ik het de container ingeworpen. Ik kocht het voor vijf euro op Marktplaats toen ik mijn tussenhuisje betrok. Een heel besmettelijk bankje. Vale, witte vlekken erop. ‘Dat is kwark,’ zei ik tegen de mensen die ik bezoek kreeg. ‘Echt. Mijn zoons knoeien steeds.’ En het was waar: sómmige van die vlekken waren inderdaad kwark. 

Maar bij het opruimen van ons gedeelde huis vonden we ook spullen die al veel ouder waren. Het kussen dat op de commode lag. Een fietsstoeltje. Als je zoiets in een container werpt is het geen nier of lever maar je hart.

We gingen ook wel eens aan het einde van de middag. Dan was het al donker. Vanuit de huurbus, in de rij, zag ik het witte licht van de stort. Ik hoorde vaag de machines malen en pletten. Achterin de bus lag mijn oude leven. Ik voelde me als Josh Brolin in de film die ik met kerst weer eens had gekeken: No Country for Old Men. Brolin keert in het donker terug naar een plaats delict, in de woestijn, en ziet wit licht in verte. Het zijn koplampen. Het is het licht dat zijn lot aankondigt. De consequentie van zijn keuzes en handelingen. ‘Can’t stop what’s coming,’ zegt de oom van de sherrif op een later moment tegen zijn neef, gespeeld door Tommy Lee Jones. ‘It ain’t all waitin’ on you.’


Ik zag dat bij een paar webwinkels Wij zeggen hier niet halfbroer al is te reserveren. Onder andere bij Linnaeus en Bol. Abonneer je hier op deze stukjes.