Ik heb het hek van de mini-kinderboerderij open laten staan en nu zijn er twee geiten en een dwergpony ontsnapt. Ik had er niet eens naar binnen gemogen, dat lees ik nu pas. Het wordt al donker. Behalve mijn zoontje en ik, en nog één stelletje, is het hier verlaten. Ik zie de dieren langs een zwemplas rennen, richting de snelweg, en blijf staan waar ik sta.  

‘Ik ga ze wel halen, pap!’ 

‘Nee,’ roep ik nog, maar het is al te laat. Mijn zoontje rent bij me vandaan, ook richting de snelweg. De vrouw van het stelletje, in bikini, voegt zich bij hem. Ik hoor haar roepen, iets met ‘niet doen’ en ‘rustig’. Ik denk paniek in haar stem te horen. Misschien ziet ze iets wat ik niet zie. 

Toch blijf ik staan. Er moet hier iemand staan wanneer de dieren deze kant op worden gedreven. Iemand moet ze binnenlaten. Het hek open laten staan kan ik niet doen want erachter staat ook nog een hangbuikzwijn te wachten. Omdat ik dik ben? Daarom zij wel en ik niet? Leer mij hangbuikzwijnen kennen. Zo’n beest zal nooit denken: poe hé, deze man verkiest hier eventjes mijn veiligheid boven die van zijn eigen kind.

De man van het stelletje tilt zijn buik van de handdoek en gaat op z’n gemakje naar alle commotie staan kijken. Hij knikt naar me met een hebben-wij-weer-glimlach. Alsof we in hetzelfde schuitje zitten. Alsof zijn vriendin, net als mijn zoontje, de snelheid van een auto niet kan inschatten. 

Opgelucht zie ik de geiten tegemoet komen, opgejaagd door de vrouw en een setje stuiterende borsten. De beesten rennen netjes door het open hek en gaan meteen heel hard naar mij staan blèren. Ik durf ze niet aan te kijken. Geiten kunnen je hypnotiseren, dat weet iedereen. 

‘Blijf jij hier,’ zeg ik tegen de vrouw, en wil wegrennen. 

‘Hoeft niet,’ zegt ze, en knikt naar mijn zoontje, vlak achter de galopperende pony, armen wijd en trots als duizend apen in een gymzaal. 

En hop, het paardje staat binnen. Ik kom tot rust. De geiten komen tot rust. Ik haal m’n hand door de blonde lokken van mijn zoon. ‘Je hebt het geflikt.’ Een high-five.

Zijn gezichtje? Nu? O, man. Mijn hart spat open.

‘Mag ik nu pootjebaden?’ 

Het moment is voorbij. Nieuwe zorgen. Hij heeft z’n zwemdiploma nog niet. Ik wil nee zeggen, maar ik zeg ja. Hij loopt het water in en gaat steeds dieper, nu tot boven zijn knieën. De dieren en ik staan naar hem te kijken. De geiten beginnen te blèren. Ze vertrouwen het niet. Er is iets niet in de haak. Die beesten voelen dat aan. Ze kennen voodoo. 

Ik staar naar m’n zoontje, naar de vluchtige inktstrepen die hij achterlaat op het donkere water, en naar zijn silhouet, amper meer dan een schaduw. Ik voel dat ik zometeen naar hem ga roepen. ‘Niet te ver, kom terug.’ Ik voel dat ik dat ga doen, maar ik doe het nu nog niet.