Toen ik klein was had ik een beste vriendje. Joop. Als ik niet bij hem speelde speelde hij bij mij. Joop had flaporen, twee oudere zussen en ook nog een jonger halfbroertje. Dat halfbroertje heb ik daar ook ooit zo genoemd, ‘halfbroertje’, waarop er een ijzige stilte viel. Hun moeder keek naar me en zei: ‘Wij zeggen hier niet hálfbroertje.’ 

Echt begrijpen deed ik het niet. Ikzelf had drie oudere halfbroers die ik wél gewoon halfbroers mocht noemen. En zij mij evengoed, al werd ik in de regel vaker met ‘bastaard’ en ‘koekoeksjong’ aangesproken.

Mijn broers wilden Joop nog wel eens pesten. Dan smeerden ze bijvoorbeeld limonadesiroop of van dat witte schuurmiddel op zijn fietszadel. Met Joop kon je heel goed ‘in je fantasie spelen’, dus samen fantaseren dat je iets was dat je niet was. Een ninja, of de commandant van een UFO, of een man met een sigaret. Ik had nog een ander vriendje met wie je dat dus niet kon doen. Hij was er zo eentje die een Lego-auto uitpakte, keurig volgens het boekje assembleerde en dan bovenop een kast plaatste. Daar zat ik dan naar te kijken, woedend van frustratie.

Joops achternaam was Mooren, wat perfect rijmde op oren.

De laatste keer dat ik Joop zag was een paar jaar geleden toen ik met mijn vrouw in het ziekenhuis zat te wachten op haar zoveel-weken-echo. Ik had Joop toen al zeker tien jaar niet meer gezien. Hij stapte met zijn zwangere vrouw de wachtkamer binnen. Ze woonden eigenlijk in Brazilië, vertelde hij, waar zijn vrouw vandaan kwam en waar hij meubelmaker was, en ze zouden er snel weer naartoe teruggaan.  

Het gekke is: ik weet niet of hij op dat moment nog flaporen had. Blijkbaar heb ik er niet op gelet, wat ik een erg prettige constatering vind. 

Nu is het zo dat mijn oudste zoontje sinds september op een nieuwe school zit. Eén van de eerste dagen waarop ik hem tussen de andere ouders stond op te wachten zag ik ineens een van Joops zussen staan. En wat denk je? Haar zoontje zit bij mijn zoontje in de klas. En ik zag het. Ik kon het zien. Het ventje lijkt op Joop, maar is wat bonkiger. 

‘Jij en mijn oom waren beste vrienden hè?’ Dat heeft hij me nu al een paar keer gevraagd, bijna hoopvol. Daarna wil hij weten wat Joop en ik zoal deden, en of het dezelfde dingen waren als die hij nu met zijn vriendjes doet.

Ik heb hem inmiddels ook al een keer achterin de auto gehad. Met hem en mijn zoontje was ik onderweg naar een overdekte speeltuin (waar ouders komen om te sterven). Af en toe keek ik naar hem in achteruitkijkspiegel en glimlachte dan. Ik heb mijn vriendje Joop in de auto zitten, dacht ik steeds. Zelfs het autorijden was ineens cool omdat ikzelf ook weer een jongetje was, achter het stuur van een échte auto. (Of nou ja, een Prius, maar toch.) 

Maar toen begon hij te praten. En te praten. En bleef hij maar praten. Ik hoorde de muziek niet meer, terwijl ik juist iets op had staan waar ik echt zin in had. Ik hoorde mijn zoontje achterin zoeken naar openingen die er niet waren. Het ging maar door, mijn dierbare nostalgie was compleet aan flarden geschoten. Toen ik er goed en wel genoeg van had gehad riep ik keihard: ‘Oké! En nu even niet praten!’ 

Hij was meteen muisstil. Mijn zoontje ook. Daar voelde ik me best wel rot onder. Maar ook weer niet écht rot. En ook niet erg lang.