Na ieder nieuw stuk beschermende kleding dat ik bij hem aantrek kijkt mijn zoontje verdrietiger. Ik probeer hem te negeren, focus op de elleboogbeschermers, kniebeschermers, handschoenen. Wanneer ik zijn helm vastmaak knelt zijn vel tussen de plastic gesp onder zijn kin. Hij begint te huilen. Ik vloek. Hij zegt dat hij niet wil. Ik druk een ijshockeystick in zijn handen. 

Op zijn schaatsen strompelt hij, voor het eerst, over de rubberen tegels. Nog steeds huilt hij, zijn gezichtje rood en snotterig onder zijn te grote helm. ‘We zijn bijna bij het ijs’, zeg ik.

Ikzelf zette als kind nooit iets door, hield nooit iets vol. Overal mocht ik mee stoppen. Sporten, muziekinstrumenten, opleidingen. Het enige waar ik nu een beetje goed in ben, en wat ik misschien een halve dag kan volhouden, is schrijven. Nog steeds zet ik andere voornemens vaak niet door, zeg ik afspraken af of keer ik halverwege een bestemming alweer om.

Vorige week zijn we hier komen kijken. Mijn zoontje vond het cool. ‘Maar als we nu schaatsen kopen’, zei ik, ‘dan blijf je deze sport het hele seizoen doen’. Koortsig van het verlangen naar nieuwe schaatsen knikte hij. Wel de spullen willen hebben maar niet de moeite willen nemen. Komt me bekend voor.

Ik zak naast hem door mijn knieën. ‘Wat is er nou?’ vraag ik. Ik voel mijn woede gonzen, mijn frustratie razen. 

‘Ik wíl het gewoon niet’.

‘Luister’, begin ik, en alle woorden die daarna komen spreek ik tegen mezelf, tegen mijn kleine zelf. ‘Dat je angst voelt betekent niet dat je iets niet moet doen’. ‘Soms moet je er even doorheen’. Ik hoor de aarzeling in mijn eigen stem, heb geen idee of ik dit allemaal wel echt meen. Er welt iets groots en heets in me op. Ik kijk naar mijn jongen, naar het snot dat uit zijn neus bubbelt, en ik wil zeggen: oké, we gaan naar huis. Maar wat ik zeg is dit: ‘Je gaat het ijs op, desnoods huilend.’

De tocht over de rubberen tegels is oneindig. In de krant las ik dat een aantal wiskundigen het begrip oneindigheid wil afschaffen omdat dat een hoop formules en theorieën in de weg zou zitten. Daar ben ik het niet mee eens. Ik ben dan wel geen wiskundige, maar ik ben ook niet dom. Dit moment is oneindig. Het penetreert alle windrichtingen en kent geen grens. Dat geldt voor ieder moment, denk ik, maar je merkt het pas wanneer het heden, zoals nu, diep in de loop van een aangestoken kanon zit gepropt. Het klinkt misschien als een paradox – een oneindig moment – maar ik zeg dat het bestaat. De exacte formule moeten jullie maar van me te goed houden.  

Bij de baan staan de andere jongetjes al te wachten. Een grote machine rijdt over het ijs en strijkt het glad. Als ik mijn zoontje nogmaals wil toebijten dat hij zo dadelijk toch echt gaat schaatsen zie ik hem bij een paar jongetjes staan. Hij laat hun zijn handschoenen zien. Er wordt een highfive uitgewisseld.

Hij schaatst, valt, staat, lacht, valt en schaatst. En dan… dan slaat hij een puk weg. De puk racet bij hem vandaan, glijdt, en blijft glijden. Het is prachtig. Mijn benen voelen slap. Ik kan wel janken. ‘Henk?’ Een kennis tikt me op mijn schouder. De puk glijdt nog als hij en ik elkaar aankijken. We raken aan de praat. De dag vordert.