De riolering onder onze straat wordt vervangen. Een paar weken geleden verschenen de graafmachines. Metalen armen trokken diepe wonden in de aarde, schoven met een angstaanjagend gemak de stenen opzij waarop wij de afgelopen acht jaar gelopen hebben. De eerste dagen speelden onze kinderen in het zand; het was mooi weer. Toen kwamen de eerste regenbuien. Het bleef regenen. Als ik zit te schrijven trilt het hele huis. Een oud huisje als het onze; ik weet niet of het zal blijven staan. Ze snoeiden onze hazelaar. Ze laten voor onze deur hun peuken vallen. Ze dringen steeds dieper ons leven in en de ravage wordt almaar groter. 

Afgelopen vrijdag zijn mijn vrouw en ik een weekendje naar Antwerpen geweest. De kinderen bij oma. Het was nodig. De laatste maanden vielen ons zwaar. Niets ging vanzelf. Waden door modder. We moesten eruit.

Onze opengereten straat lieten we achter ons en in Antwerpen keken we elkaar aan. We zagen elkaar. We stelden elkaar bijna de vraag: ‘Ken ik jou niet ergens van?’ 

Wanneer je een hotelkamer binnenstapt zijn er nieuwe mogelijkheden, nieuwe verwachtingen en nieuwe zorgen. Je wilt van alles, maar je wilt niet van alles moeten. Je wilt niets, maar je weet dat je niet voor niets hier naartoe bent gekomen. Ook al heb je thuis zelf ook een ligbad, je bent blij als je ziet dat er hier ook eentje is. Je zult ontspannen.

De eerste wandeling, armen in elkaar vastgehaakt. Het eerste café, de eerste drankjes. De eerste vermoeide benen, de eerste schouderophaal wanneer de volgende culturele bezichtiging wordt overwogen. ‘Als de kathedraal geld kost hoef ik er niet naar binnen.’ Belgisch bier vloeit, de woorden komen vanzelf. Het eerste driftige gesprek, het eerste plezier, de eerste lachbui. Duizend jaar oude vermoeidheid achter onze ogen. Een laatste drankje in de verlaten hotelbar. Het malle, net iets te sjieke pakje en de eenzame zwijgzaamheid van de barkeeper is als een bevestiging: wij zijn hier. Tikkeltje zenuwachtig wanneer de lift naar boven glijdt. Naar de kamer, de nacht in.

Ontbijt. Roestvrijstalen schalen. Blij met ei. Rode ogen van het hete douchewater en de drank van gisteravond. Toegestane, perfecte stilte. 

Twee mensen zonder kinderen. Waren we dat weekend meer onszelf, of juist mínder? Geen idee. Als ik namens mezelf spreek: ik ben een huis vol met lachspiegels. Hier mooi, hier lelijk, hier lachwekkend, hier droevig, hier een vader, hier een jongen, hier een kind. Soms hoor ik een geluid dat lijkt op een pianoakkoord, maar dan scherper en gespeeld met veel meer dan tien vingers. Dan weet ik: één van die spiegels is gesneuveld.

Uiteraard regende het op de terugweg. Ruitenwissers die steeds precies de maat van de muziek misten. Ogen die dichtvielen.

Teruggekomen schrok ik van onze straat. De ravage was onveranderd gebleven. Onbewust was ik ervan uitgegaan – had ik gehoopt – dat na de afgelopen twee dagen alles weer bij het oude zou zijn. Maar het was weekend geweest; die mannen hadden überhaupt niet gewerkt. 

We gingen het huis in. Nog steeds zonder kinderen. Mijn vrouw wees me op een bruine vochtplek op het plafond. Misschien door alle trillingen, dachten we. Van buiten kwamen kinderstemmen. Daarna de stem van oma. Ik was er nog niet klaar voor. Het weekend was te kort geweest. Nog lang niet alle wonden waren geheeld.