Bij ons op het veldje speelt vaak een jongetje alleen. Robbie, heet hij. Zeven of acht jaar oud en rafelig, halflang rood haar dat boven zijn ogen recht is afgeknipt. Je kunt zien dat ze bij Robbie thuis niet geloven in de kapper. Ook geloven ze niet in nieuwe kleren of in mode. Laatst had hij een broek aan die én heel wijd was én te kort; felgroene sokken in sandalen. Vaak als ik de hond uitlaat zie ik hem lopen. Of meestal is het rennen of dansen wat hij doet, vaak met een groot, leeg waterpistool in zijn handen. Urenlang alleen. Hij praat in zichzelf. Soms huppelt hij. Hij verwondert zich over dingen die er ogenschijnlijk niet zijn. Het lijkt soms net alsof hij niet op ons veldje loopt, maar op de landingsbaan van een magisch vliegveld waar het een komen en gaan is van sprookjesfiguren. 

‘Robbie!’ roepen mijn zoontjes als ze hem zien. Ze vinden hem stoer omdat hij ouder is. Ze zijn nog te jong om hem raar te vinden. Als ze hem roepen lacht hij en begint hij in het wilde weg te praten. Ik versta er nooit iets van; hij praat als Goofy. 

Als mijn zoontjes met Robbie spelen is dat nooit van lange duur. Ergens hapert het. Misschien zien ze zijn wereld niet en weigert hij om eruit te komen.

Als je naar Robbie kijkt vrees je voor zijn toekomst. Zijn hele voorkomen zegt: pest mij. Zijn enige hoop is de absolute acceptatie van zijn eigen excentriciteit. Met een beetje optimisme en goede hoop kun je je voorstellingen maken van Robbie over vijftien jaar: een gearriveerde mode-ontwerper, een nietsontziende kunstenaar. Maar laat je ook maar het kleinste beetje pessimisme toe dan is zijn voorstellingen heel anders: een verslonsde man met een zonnebril die uren doorbrengt bij de automaat met gratis koffie in de Albert Heijn, een man die op zijn dertigste nog thuis woont en oude munten verzamelt.

De vader van Robbie is oud genoeg om zijn opa te kunnen zijn. Hij heeft een grijs matje en een leren jack met op de rug een adelaar waaronder ‘Kawasaki’ staat geschreven. Ik woon hier al acht jaar en heb hem nog nooit zonder die jas gezien. Ook heb ik hem nooit op een Kawasaki zien rijden. Noch op een andere motor. 

Laatst was ik met mijn jongste zoontje (3) in de speelgoedwinkel. Robbie was er ook. Hij stond in z’n eentje met een Wii computer te spelen, zo eentje waarop je spellen kunt uitproberen. ‘Robbie!’ zei mijn zoontje, en ging bij hem staan. Al na een minuut was het mijn zoontje die de controller van de Wii vasthield. Robbie mopperde wel, maar in zijn Goofy-stem drong weinig overtuigingskracht door. Ik zei tegen mijn zoontje dat hij de controller aan Robbie moest teruggeven, maar was tegelijkertijd ook trots. Nog maar drie en nu al sterker dan dit ventje van zeven of acht. Mocht er een hongerwinter uitbreken en mijn zoontje en Robbie gaan voor dezelfde aardappel… Een lelijk, bloeddorstig soort trots. Trots die misschien – heel misschien – debet is aan alle oorlogen. 

Mogelijk is Robbie een profeet. Mogelijk zelfs de zoon van God. Als de dag des oordeels aanbreekt zullen wij beoordeeld worden op hoe wij omgingen met Robbie. 

‘Robbie!’ roep ik vaak als ik hem tegenkom. ‘Hoe is het?’ En voel dan hoe flinterdun mijn affectie is. Hoe snel ik hem in de steek zou laten wanneer de pleuris uitbreekt.