Ik schrijf dit in Hongkong. In een fel verlicht eetzaakje. De tv staat aan. Het personeel is heel streng maar de flessen bier zijn heel groot (Tsingtao, 640 ml). Dit is mijn vierde en laatste avond hier. Ik wacht op toast met zoete boter en een omelet.

De reden dat ik hier ben is dat het hoofdpersonage van mijn roman-in-wording hier straks ook is. Hij verliest in deze stad zijn verstand, wat ik me – nu ik hier een paar dagen heb doorgebracht – nog steeds heel goed kan voorstellen. Het gaat allemaal zo snel, het is allemaal zo veel. Terwijl wij ons bekommeren over Zwarte Piet en de Islam nemen ze hier de wereld over. 

Als je Hongkong van een afstandje bekijkt zie je heel veel kleuren. Als je vervolgens dichterbij komt zie je dat die kleuren zijn opgebouwd uit nog meer kleuren. Voor Hongkong zijn kleuren wat moleculen zijn voor massa.  

Om me heen zitten veel jonge mensen. De dragen moderne kleren en trendy brillen. De almaar groeiende middenklasse is nonchalant; achteloos zwaaien ze met eetstokjes en ze kletsen met dezelfde comfortabele zelfverzekerdheid als de hippe jongeren thuis. Mij negeren ze.

Ik denk hier veel aan mijn gezin. Ik heb thuis de boel enigszins beroerd achtergelaten. Als ik mijn ogen sluit zie ik een pad van verwoesting. Kijk, daar heeft hij gelopen. En nu is hij weggevlucht. Ik zie onze straat voor me, die momenteel is opengebroken vanwege de riolering, en het voelt alsof ik dat heb gedaan, alsof ik tijdens mijn vertrek alle straatstenen heb losgetrokken. 

Mijn bestaan gaat gepaard met collateral damage. (Ik had ook ‘nevenschade’ kunnen gebruiken, maar gek genoeg lijkt dat minder gangbaar.) En ik weet heus wel: je kúnt niet leven zonder collateral damage. In zekere zin ís het leven zelfs collateral damage. Maar soms kijk je achterom en kun je niet anders dan je hoofd laten hangen. Ik liet mensen achter in verwarring. In tranen. Zelf was ik ook verward. ‘Ik weet niet meer wat ik voel’, zei ik, en was verdwenen.

Op mijn hotelkamer, waar de airco lucht uitspuugt die naar sigarettenrook en parfum ruikt, lees en schrijf ik berichtjes op mijn telefoon. Voor mijn jongens spreek ik boodschappen in. De eenzaamheid is dan op z’n grootst en misschien ook wel het schuldgevoel. De reusachtigheid van deze stad bedrukt me, alsof alle wolkenkrabbers zich naar me toe hebben gebogen. Tegelijkertijd zou ik hier willen verdwijnen. Een kleurtje worden waaruit al die andere kleuren zijn opgebouwd. Met eetstokjes in mijn hand, lachend, opgaan in de rook waar ze hier hun vis mee drogen. (Ze vreten gedroogde vis als chips uit plastic zakjes.) Of ik verander in het neonlicht dat steeds rondom de wandreclame van Guinness kruipt in de pub naast mijn hotel. Rond en rond ga ik dan, terwijl de vadsige Britse expats naar me staren met glazige ogen, hun levens nog mistroostig vastgehaakt in hun moederland terwijl ik allang voorgoed ben opgegaan in het artificiële licht van Hongkong. 

Ze schotelen me zojuist mijn toast en omelet voor. Ik zit hier amper vijf minuten. Het tempo waarmee ze hier je eten bereiden doet je je afvragen waar ze in de Nederlandse keukens zoal mee bezig zijn. Behalve koken, bedoel ik. 

Ik eet. Niet alles, maar wel het meeste. Daarna betaal ik de strenge oma achter de kassa en stap naar buiten, de lichtjes in. Een man in een rolstoel wil erlangs en begint tegen me te schelden. Geen idee welke kant ik op moet en toch loop ik. Wat kan ik anders doen dan lopen? En wat moet ik hier langer dan een paar dagen? Deze stad heeft mij niet nodig.

Schat, ik kom naar huis toe.