We hadden een meisje van zeven in huis. Mijn oudste zoontje had voor het eerst afgesproken met een vriendinnetje. Ilse, heette ze. Lange blonde staart en grote blauwe ogen. Een echt meisje-meisje. Ik vond dat heel spannend; ik kom uit een nest met alleen maar jongens en zelf heb ik twee zoontjes. Ik wist niet zo goed wat ik met haar aan moest. Ik praatte zachter en liever tegen haar dan tegen de vriendjes die we normaal over de vloer krijgen.

‘Ben je bang voor honden?’ vroeg ik, klaar om onze oude kolos in de koude achtertuin te flikkeren. De vriendjes die bang zijn laat ik altijd gewoon bibberen van de angst. Dan kniel ik met een lichte grijns naast de hond neer en zeg: ‘Ze doet niks. Kom maar’.

Maar Ilse was niet bang voor de hond. Nonchalant als een prinses onder het volk trad ze ons huis binnen. De hond snuffelde even ging aan haar voeten liggen. 

Ik keek steeds naar haar. Ik vond haar fascinerend. Een echt meisje. Ze was laconiek en op een leuke manier ongeïnteresseerd, wat bij mij de neiging opwekte om grapjes te gaan maken, haar aan het lachen te krijgen. Ik keek ook steeds naar mijn zoontje, om te zien hoe hij op haar reageerde, om te zien of er misschien al iets van gêne of ongemak bij hem leefde. ‘Zullen we op de Wii?’ vroeg hij verveeld. Voor hem was ze een jongetje met een paardenstaart.

Ze kregen sap en een snoepje. ‘Lust je deze snoepjes wel?’ vroeg ik aan Ilse. Geen idee waarom. Het voelde, denk ik, gewoon ongepast om haar trekdrop te geven. Ergens had ik de impuls om haar thee aan te bieden. Of misschien een glas chardonnay. Ik voelde me ongemakkelijk. Ik deed mijn best om niet te stuntelen.

Haar lieflijke schoentjes stonden in de gang en haar lange damesjas hing aan de kapstok. Ik zag ineens dat ik haar jas aan de grotemensenkapstok had opgehangen in plaats van aan de kinderkapstok. Ook dacht ik parfum te ruiken.

De twee speelden boven op de kinderkamer en ik zat beneden met koffie. Eigenlijk verwachtte ik haar elk moment beneden; dat ze in haar eentje de huiskamer zou binnenkomen en zou zeggen: ‘Leuk zoontje heb je. Maar goed, waar waren we?’

Toen ik ging plassen zag ik in de wc-pot – o, god nee – een remspoor. Had ze die al gezien? Driftig en niet geheel zonder schaamte begon ik te schrobben.  

‘We hebben een meisje te spelen’, sms’te ik mijn vrouw. En vervolgens, om haar op de kast te jagen: ‘Ze spelen nu boven doktertje’.

‘Echt?!’

‘Ja. Wat vind jij? Moet ik ingrijpen?’

Nadat Ilse door haar moeder was opgehaald was ik opgelucht. Ik durfde weer scheten te laten. Later vond ik op de bank nog een lange, blonde haar, die ik even tussen twee vingers hield alvorens hem naar de vloer te laten dwarrelen. Bijna rook ik eraan. Ik vroeg me af of het meisje het hier een beetje naar haar zin had gehad.

‘Dit moet je allemaal niet in je column schrijven hè’, zei mijn vrouw, ’s avonds, nadat ik haar over Ilse had verteld. ‘Over die remsporen en dat doktertje spelen en zo. En over die lange blonde haar. Straks wordt er met een spuitbus pedo op ons huis gespoten’.

‘O ja’, zei ik. ‘Oké, zal ik niet doen’.

‘Echt niet hè’?

‘Echt niet’.