Een zaterdag in december. Alle dingen kreunend onder de massa van het einde. Een kleine kerstmarkt op het veldje bij ons in de buurt, volkse bedrijvigheid, een ijzig blauwe lucht. Ergens verderop ineens een luide, macabere knal; zwarte strijker in een vuilnisbak. Buurtbewoners die kerstliederen zingen op een podium, uitversterkt door een piepende geluidsinstallatie. Een vrouw die voor de tweede keer in de rij staat voor gratis warme chocomel en wederom te horen krijgt dat, precies als zij aan de beurt is, de thermoskan helemaal leeg is getapt. ‘Dit is toch niet normaal meer’. Haar blik op zoek naar medestanders, verontwaardiging overrijp als bedorven kaas. 

Mijn vrouw met een plastic bekertje glühwein. Ook gratis, en toch niet op. Onze twee zoontjes aan een lange tafel, in de weer met een kerststukje, hun vingers rood van de kou, het volgende moment nederig geknield onder een kroon van langwerpige ballonnen, in elkaar gedraaid door een grijze man met een stoppelbaard die, wanneer de volgende hebberige kinderen zich melden zegt: ‘Ik ga effe een sigaretje roken’. Dan rondjes op een kleine draaimolen, bediend door een rillende puber op een kruk die glimlacht wanneer ik tegen hem zeg: ‘Volhouden’. 

Een zaterdag verborgen voor de wereld, diep en veilig in de schoot van volkse burgerlijkheid. Ik haal diep adem, adem uit en zie mijn warmte condenseren. Het is hier goed. Het is hier minstens even goed als ergens anders. 

’s Avonds de oppas. Onze zoontjes die hem bespringen als hij binnenkomt, onze hond die tussen zijn benen in gaat staan. We kunnen weg, mijn vrouw en ik. Het is toegestaan.  

Vermoeid op de fiets, een elastiek gespannen tussen ons en ons bed, steeds strakker, tot het knapt wanneer we het restaurant binnenlopen en plaatsnemen onder een opgezette koeienkop. 

Mijn vrouw proeft drie wijnen en kiest de Sloveense. ‘Sloveense wijn’, zeg ik verbaasd, maar toch ook weer niet echt verbaasd. Iets zeggen om het zeggen. De avond nog breekbaar, het bloed nog stroperig. 

Een vergeten bestelling en een jonge ober met krullen die naast ons door zijn knieën zakt en zegt: ‘Mijn excuses, maar…’ Vergeven nog voor hij begon met praten. En ik zie het in zijn ogen: hij had niet anders verwacht. 

Onze eerste zinnen nog als reddingslijnen vastgeknoopt aan de kinderen. Geen haast, gewoon rustig laten vieren. Gesprekken over werk. Over ons. Lachen waar het gaat, zwijgen waar het mag, snauwen waar het niet anders kan. Dan weer lachen. Handen op tafel, vingers vervlochten. Wakkerende kaarsen, stomend eten. Buiten de knarsende kou, de almachtige avond die geen idee heeft dat wij hierbinnen zitten. Life is weather, schreef Salter. Life is meals. Oogcontact met een vrouw aan een ander tafeltje. Oogcontact met een man. Oogcontact met de ober. Zoeklichten die elkaar beschijnen, elkaar oplichten en elkaar loslaten, niet echt ergens naar op zoek maar ook niet in staat om met zoeken te stoppen. 

Een vriendelijke glimlach bij het zien van de rekening en dan vijf minuten lopen naar het nieuwe filmhuis om de hoek. Onze voetstappen niet onze voetstappen, maar de voetstappen van ieder echtpaar dat ooit een winteravond betrad.  

Cognacje mee de zaal in. Lichten uit. Mijn vrouw omwikkeld met haar sjaal en na tien minuten in slaap gevallen. Ik steeds dieper weggezakt in mijn stoel. Beren in een grot, te moe en te vroeg in de winter voor dromen over de zomer. Onze fietsen vergeten bij het restaurant, daar nog steeds scheef tegen de muur geparkeerd, ijskristallen op de zadels.