Deze ochtend heeft het ernstig afbladderende, op sommige plaatsen rotte hout van onze dakgoot de aandacht getrokken van een clandestiene schilder. Een kleine Ier met haviksogen. James, maar Jim voor vrienden. Ik ben een vriend. Tien minuten lang onderhandelt hij met me. Ik kan het niet betalen, zeg ik steeds, en word iedere keer onderworpen aan een ludiek toneelstukje waarbij hij in overleg gaat met zijn kompanen, en dan tóch de prijs weer kan verlagen. ’I’ll take care of everything!’ Omdat ik het ben. Omdat hij verf over heeft. Omdat hij het niet kan aanzien hoe slecht ons dak eraan toe is. Tijdens het praten schudt hij me steeds de hand, en ik moet zeggen: dat schept toch een zekere band. 

Dan toch zijn laatste aanbod. Hij wil dat ik nú beslis want hij is een ’one deal man.’ Een discutabele bewering, aangezien hij al vier keer de prijs heeft bijgesteld en me al acht keer de hand heeft geschud. 

Wait,’ zeg ik, ’I have to speak to my wife first.’ De grijns op de harde Britse koppen laat er geen misverstand over bestaan: ik ben ontmaskerd als eunuch. 

Mijn vrouw leest de krant aan de eettafel. Ik struikel over m’n woorden als ik haar de situatie probeer uit te leggen. Ze kijkt me aan. ‘Dat kan ik nu niet beslissen.’

Geïrriteerd begin ik te ijsberen. ‘Maar Jim staat te wáchten! Hij wil het nú weten!’ 

Ze kijkt me alleen maar aan. Ik zucht, loop naar de voordeur en mompel iets over risico’s durven nemen.

Jim en ik schudden elkaar opnieuw de hand. Ladders en stellages verschijnen. Ik besef dat deze dag op twee manieren voor mij kan aflopen. Jim doet zijn werk goed en ik heb de situatie juist ingeschat = ik ben een man. Hij levert prutswerk af, jat een kinderfiets en kakt op het gazon = ik ben een onderdeurtje. En wat ik nog niet heb verteld, ook niet tegen mijn vrouw, is dat ik de rest van de dag niet thuis zal zijn. Ze is woedend. ‘Maar James kan alleen vandaag!’, roep ik. ‘Het is een now or never deal!’ Ik hef mijn handen naar de hemel alsof alleen God me begrijpt.

Wanneer ik mijn fiets van het slot haal klinkt de taal waarin de mannen spreken ineens niet meer Iers. Ik versta ze niet. Het zijn zigeuners! denk ik. Niet dat ik iets tegen zigeuners heb, maar je hoort verhalen over zigeuner-huisschilders en diefstal. (Kijk maar niet zo. Jij zou het ook denken.) 

En dan wordt het nog erger. Als ze zien dat ik wegfiets wisselen ze een omineuze blik uit. Pas in de trein besef ik wat ze van plan zijn. Ze gaan mijn vrouw verkrachten en mijn kinderen vermoorden. Want ging hun blik niet ook gepaard met een grijns? In gedachten hoor ik James lachen als een wolf. ’Didn’t I say that I would do EVERYTHING?

De rest van de dag? Een kei in m’n maag en een postelastiek om m’n keel. Ik stuur berichtjes maar krijg er geen terug. Pas wanneer ik met een bezwete kop eindelijk mijn fiets voor ons huis parkeer kom ik enigszins tot rust. Alles is geschilderd. Mijn gezin leeft nog. 

Als Jim me de hand schudt vraagt hij om extra geld. Voor zijn jongens, voor een biertje. Ik geef hem twintig euro. Weer een hand. En kan ik niet ook wat wiet voor hem kopen? Ik weiger. Ik wil dat ze weggaan. En rot op met die hand! Mijn oudste zoontje, achter het raam, zwaait naar me. 

Pas wanneer Jims busje de straat uit is gereden loop ik het huis binnen. Ik ben een man. Een one deal man.