Mijn vrouw is vanochtend in de weer geweest met familiefoto’s en een prikbord. Een half uurtje geleden vertrok ze met de kinderen naar een speeltuin. Het prikbord is klaar, maar moet nog worden opgehangen. Het ligt op tafel te wachten tussen nog veel meer foto’s. Ik ben alleen thuis en drink koffie aan dezelfde tafel. De foto’s maken me week van binnen. Verschillende versies van onze twee zoontjes kijken me aan: baby, dreumes, peuter, kleuter. Ook mijn vrouw in haar kraambed, haar huid anders dan normaal, baby tegen haar borst, haar ogen groot en waterig. Ernaast hangt ze ook, maar dan als klein meisje. Op die foto glimlacht ze ondeugend, zoals ze ook nu heel soms nog wel eens doet, meestal na een paar wijntjes. Mooi is dat. En hier, ik als kind. Een schoolfoto. Ik zie onzekerheid, of ongemak, in m’n ogen. 

Diepe melancholie overspoelt me. Hoe de dingen gaan, hoe we alles kwijtraken. Ik wil graag denken dat dat kind nog in me zit, maar ik weet dat het niet zo is. Mijn gladde huid, mijn pyjama op zondagochtend; we kunnen elkaar nooit aanraken. Ook mijn eigen jongens veranderen steeds, en de jongens van vandaag zijn morgen alweer verdwenen. 

Dit is dus precíes waarom ik nooit foto’s bekijk. Ik kan er niet tegen. De treurigste klassieke muziek speelt zich af in mijn hoofd. Een stapel zandzakken drukt op mijn hart.

Even later, te voet naar de bushalte, zie ik een man achter een kinderwagen lopen. Ik ken hem. Hij is net zijn vrouw verloren aan kanker en in die kinderwagen ligt zijn kleinkind. Het regent zacht en hij staart recht vooruit. Ik loop door een wolk van zijn eenzaamheid en verdriet. Hij ziet me niet. Ik zeg geen hallo.

In de bus zit ik naast een meisje. Begin twintig. Hotpants van spijkerstof om haar middel. Volle blote benen strekken zich naast me uit. Ze leest een roman. Een Engelstalige roman. Ook draagt ze een koptelefoon en ik kan horen wat ze luistert: Thunderstruck van AC/DC. Een halfnaakt meisje dat een boek leest, nee, literatúúr leest, én naar AC/DC luistert? De combinatie drijft me tot waanzin. Heel even raken onze benen elkaar en ik ben bang dat explodeer. En precies op dat moment, als haar been het mijne raakt, denk ik aan de foto, thuis op tafel, waarop mijn vrouw en ik hand in hand naar het altaar lopen. 

Deze gedachte leidt – zoals alle gedachten uiteindelijk doen – naar mijn moeder. Zij kent de man met de kinderwagen ook. Ik stuur haar een berichtje: ‘Het was zo’n mooi, eenzaam beeld.’ Meteen krijg ik een berichtje terug: ‘En toch gaat het helemaal niet slecht met hem!’

Ik denk terug aan hoe hij daar wandelde en ik realiseer me ineens dat hij misschien gewoon aan de messen van zijn grasmaaier liep te denken. Dat hij die nu toch echt eens moet laten slijpen. De wolk van eenzaamheid en verdriet waar ik doorheen liep was mijn eigen wolk. En nu zit ik hier naast dit meisje, ook weer in een wolk.

’s Avonds, thuis, hangt het prikbord netjes aan de muur. Mijn jongens slopen de huiskamer. Mijn vrouw probeert op de bank een tijdschrift te lezen. Mijn jongste zoontje valt en begint te huilen. Meteen gaat zijn broer naast hem zitten en aait over zijn rug. ‘Lief broertje’, zegt hij. Ik wil het prikbord van de muur halen en opbergen. Ik kan er niet tegen. 

Het is te veel. Het is te groot.