Ik hoest nu al weken en het gaat maar niet weg. Bronchitis, zei de dokter. Ik slik een antibioticum en drink kamillethee. Daarbij slaap ik sinds een paar dagen op de bank. Mijn vrouw slaapt sowieso al slecht. Ik wil niet naast haar liggen en almaar door denken: niet hoesten, niet hoesten.

Op de bank heb ik iedere nacht heb ik hetzelfde uitzicht. Dus ook deze nacht. Ik lig op m’n rug en kijk door het glas van de tuindeur. Ik zie onze kleine, verduisterde stadstuin. Zwak licht vanuit het keukenraam van de buurman valt op het gras, het speelgoed, de buitentafel. Tegen de schutting staat een houten eetstoel ondersteboven op het gras. Het ding heeft te lang buiten gestaan en is compleet vermolmd. Ik heb heel vaak op die stoel gezeten. Eigenlijk iedere avond tijdens het eten. En nu is het net alsof ik hier niet meer woon. ‘Kijk, op die stoel zat hij altijd, en dan vertelde hij geanimeerd over zijn dag.’ Aan de poort hangt een lek opblaaszwembad, vaalgrijs en slap als een afgeworpen huid. En vlak achter het glas, tegen de zijmuur, is het hoekje met aarde waar zeven jaar geleden – toen we hier kwamen wonen – één van mijn beste vrienden een uur lang bezig is geweest met het uitgraven van een woekerende klimplant. We hadden toen nog geen kinderen. Het werk werd hem bemoeilijkt door onze nieuwe pup. Het beestje bleef maar tegen hem opspringen en kroop steeds bovenop hem. Diezelfde pup zit nu naast me, inmiddels acht jaar oud en meer dan veertig kilo zwaar. Zwarte kop vol omineuze rimpels, weemoedige ogen. Ze zit rechtop, bijna koninklijk, en ademt als een oude wijze. Ze staart naar buiten, naar de tuin, net als ik. Af en toe laat ze een lange, zachte scheet. Bewaakt ze me? Of zit ze hier ook altijd zo als ik boven in bed lig?

Ik draai me niet op m’n zij. Een zieke ligt op zijn rug, dat hoort zo. Volledig overgegeven aan het herstel. Ik stel me voor hoe witte bloedcellen zich via mijn bloed naar mijn keel begeven. Vreemd: die witte cellen, dat ben ik óók. Ik beweeg me door mijn eigen lijf. Maar het antibioticum, dat ben ik dan weer níet. Wat doet at spul eigenlijk? Ik bedoel nu, op dit moment. Wat is het in mij aan het doen?

Liggend op de bank is het niet moeilijk om voor te stellen dat mijn vrouw en ik in een scheiding liggen. De man moet altijd op de bank. ’s Nachts kun je geloven in ieder scenario dat je verbeelding je aanreikt. Post van de scheidingsadvocaat op een boekenplank. En door die stoel, daarbuiten, omgekeerd en in de steek gelaten, begint het langzamerhand zelfs aannemelijk te worden dat ik helemaal niet meer bestá. Ik ben gestorven aan de bronchitis. Nee, de bronchitis bleek geen bronchitis te zijn, maar iets veel ergers. ‘Sorry’, zei de dokter. 

Ik lig hier al niet meer. In deze huiskamer zijn alleen het diepgaande duister en mijn oude hond, die nu in haar mand ligt te piepen en trappelen. Ze droomt. Misschien droomt ze over mij. Ze herinnert zich onze wandelingen en ze mist me. 

En toch kun je me nog horen hoesten. ‘Als je goed luistert’, zal mijn vrouw tegen haar visite zeggen, wanneer de ergste periode van rouw voorbij is, ‘kun je hem nog horen hoesten’.