Huilend loopt mijn vrouw het huis binnen. Zojuist heeft ze ons oudste zoontje naar school gebracht. Ik zit aan tafel met onze jongste. Ik weet al dat ze huilt voordat ik haar zie of hoor. Misschien verwachtte ik het. Snel loopt ze door naar de keuken, waar ze koffie inschenkt. Heel even ben ik daarmee bezig, met het feit dat ze huilt en toch koffie gaat drinken. Thee of water, dat drink je tijdens het huilen, maar koffie? 

Meteen erna voel ik irritatie. Misschien was de gedachte aan koffie er alleen maar om deze irritatie nog niet toe te laten. Ik wil niet weten waarom ze huilt omdat ik geen zin heb in problemen. Ik heb genoeg van problemen. Daarnaast moet ik zo lesgeven en ben ik nog steeds niet van mijn bronchitis af. Een antibioticakuur ten spijt krioelen er al weken mieren in mijn longen en keel. Ik kan dit er nu gewoon even niet bij hebben. 

Aan tafel, met haar koffie, probeert ze zich in te houden voor haar jongste kind, die niettemin meteen ziet dat ze huilt en vlak voor haar gaat staan. ‘Zal ik jou opvrolijken met een apendans?’ Ik lach om hem. Mijn vrouw ook, door haar tranen heen. Ik denk aan mijn kindertijd, en hoe ook ik vaak mijn moeder probeerde op te vrolijken. Droefheid overvalt me, maar ik wíl niet droevig zijn. Opnieuw laait de ergernis op. 

Ik hoor de verbetenheid in m’n stem wanneer ik vraag: ‘Wat is er nu weer aan de hand?’  

‘Ik heb het nu dus zien gebeuren,’ zegt ze, en vertelt hoe ze andere jongetjes tegen ons zoontje heeft horen zeggen: ‘O nee hè, heb je hem weer’, en heeft gezien hoe hij werd weggeduwd bij het raam toen hij haar stond uit te zwaaien. Daarna zegt ze dat het haar schuld is. Zij is ook zo weerloos. Hij heeft het van haar.

Kijk, en dit is dus precies waar ik geen zin in had, want nu scheurt mijn hart open en sta ik in een poeltje van mijn eigen bloed. Ik wil mijn zoon van school halen en hem neerzetten op de hoogste, witste wolk. Ik wil mijn vrouw vasthouden en het gif uit haar zelfbeeld zuigen. Maar het kan niet, zo werkt het niet, en daarbij heb ik haast. Ze kijkt naar me en zegt: ‘Niet boos zijn, alsjeblieft.’ 

Ik heb een trein te halen. Ik weet niet wat ik moet zeggen. De mieren rukken op en kriebelen met duizend pootjes. Ik heb iets onder de leden, iets ernstigs, ik weet het ineens zeker. Ik kijk naar mijn jongste zoontje. Opnieuw doet hij de apendans. Drie jaar oud en voelt zich nu al geroepen om ons op te vrolijken. Ik kan het niet aanzien. Ik geef hem en mijn vrouw een kus en loop naar buiten, het bloed klevend aan mijn schoenen, mijn woede het enige wat instaat tussen mij en een afgrond de zichzelf almaar dieper graaft. Buiten is het mild. Ik zie dat de zon gaat doorbreken. Het waait. Ik sluit mijn ogen en sta even middenin de onmogelijkheid. 

Volgens het zenboeddhisme schuilt satori – verlichting juist in deze onmogelijkheid. De onvoorwaardelijk acceptatie van het eindeloze vallen. Vallen zonder houvast, zonder ooit de aarde te raken. En zo, met mijn ogen dicht, en de wind die langs mijn gezicht strijkt, geloof ik dat dit waar is. Heel even weet ik het zeker. En dan fiets ik weg, met mijn bloedend hart, met al mijn onmacht, gebukt onder het gewicht van alle dingen, vederlicht.