Onze jongste is ziek. Hij grijpt steeds naar zijn voorhoofd, wil de pijn wegdrijven, braakt alles uit wat hij eet en drinkt. We voeren hem water met een lepel. Vanochtend vroeg zijn we al naar de dokterspost geweest en vanavond moeten we terugkomen. Het is nog ochtend. Buiten lonkt een blakende zaterdag; onze oudste is niet te houden. Geen herrie in huis, heeft de dokter gezegd. Dus ik roep heel hard: ‘Geen herrie in huis!’ 

Terwijl de oudste zijn jas staat aan te trekken – ik neem hem mee naar een grote speeltuin – zweeft mijn wijsvinger aarzelend boven het scherm van mijn telefoon. Vanavond zou ik naar een kickboksgala gaan met mijn favoriete CDA-raadslid (lang verhaal). Vrijkaartjes. All access. Eindhovens trots Robbie ’the rabbit’ Hageman moet vechten. Ik had me al verheugd op de adrenaline-shots en het keihard scanderen van ‘Hageman! Hageman!’ Na een laatste blik op m’n vrouw en het lijkbleke, getormenteerde mannetje op haar schoot, verstuur ik tandenknarsend het bericht: ‘Ik kan vanavond niet mee. Kaartje kan naar iemand anders.’

Het verblijf in de speeltuin verloopt, in eerste instantie, relatief pijnloos. Ik zit aan een tafeltje in de zon met een glas bruiswater (kater, want herfstbok) en een boek. Mijn zoon is waar ik hem op dit soort momenten het liefst heb: God weet waar. 

Maar dan verschijnt er een wesp ten tonele. Het beest heeft het gemunt op de kan E124-rode ranja van mijn zoon, maar hij vliegt trager dan een wesp zou moeten vliegen en is bedekt met een groezelig vachtje. Ook al word ik onrustig van het beest, ik laat hem zijn gang gaan. Ik heb gehoord dat de brutale wespen die je in de nazomer ziet, de wespen die midden op je biefstuk gaan zitten en zeggen: ‘Wát?’, dat die door hun koningin zijn verstoten. Het grootste deel van hun leven hebben ze keihard moeten werken, larven moeten voeden, en kregen in ruil daarvoor suikerwater te drinken. Maar als de larven groot zijn heeft de koningin de mannen ineens niet meer nodig en worden ze verbannen, inmiddels verslaafd aan suiker. Gevallen soldaten zonder meester of doel. Fuck the world-wespen. Deze successie van gedachten leidt me naar het kickboksgala waar ik niet zal zijn, en dan naar zelfmedelijden. 

Een sms van m’n vrouw. Het gaat ietsje beter met onze jongste. En ook: een vriendin heeft haar gevraagd of ze mee uit eten gaat. Ongelovig staar ik naar het scherm. De wesp stijgt op van de ranja en vliegt ineens akelig dicht bij m’n gezicht. Ik ga staan, mep ’m keihard dood met m’n boek en gooi ’m de struiken in. Verderop staat een jongetje te schelden. Iemand heeft horizontale streepjes geschoren in het haar boven z’n slapen en hij draagt een kickboksbroekje. Ik sms mijn vrouw: ‘Moet je zelf weten, maar ik heb mijn avond afgezegd omdat onze zoon ziek is.’ 

Nog steeds heb ik die muffe herfstbok-mond. De dode wesp in de struik, met zijn schimmelvachtje en zijn uitgedoofde ogen, blijft naar me roepen. Hij bespot me, lacht me uit. Wanneer ik er echt niet meer tegen kan stuur mijn vrouw een tweede sms: ‘Ga jij maar uit eten. Kan best.’ Maar uiteraard ben ik te laat; ze heeft haar vriendin reeds afgezegd. Mijn vergif heeft de juist plekjes al bereikt. Niemand wint vandaag.

Het ventje met de geschoren streepjes heet Delano. Dit weet ik omdat nu zijn moeder naast me staat en schreeuwt: ‘Delano! Nie mee zand naar kindere gooie!’ 

Ik fucking háát Delano.