Met m’n gezin in het bos. Onze hond ook. Herfstbladeren razen diagonaal ter aarde; voor het eerst hebben we onze kragen opgezet. In de verte loopt een stel ons tegemoet, vergezeld van een klein, loslopend hondje. Onze bullmastiff trekt aan de riem en gromt; houdt van kleine hondjes zoals pestkoppen van studiebollen houden. 

Hoe meer we elkaar naderen, hoe vreemder het kleine hondje eruit begint te zien. Op z’n aller vreemdst is hij vlak voordat we zien dat hij geen hondje, maar een varkentje is.  

‘Echt scháttig man!’ Dit roept mijn oudste zoontje. Hij en z’n broertje rennen ernaartoe, proberen het diertje te aaien, grijpen naar zijn krulstaart.  

Het stel blijft staan om te baden in onze verbazing en, ik geef toe, bewondering. ‘Een micro-pig’, legt de kerel uit. Nog kleiner dan een mini-pig en ‘poept thuis gewoon in de kattenbak.’

‘Zijn ze in de mode?’ wil ik weten.

Hij knikt uitbundig. ‘Ja, veel profvoetballers hebben er eentje’.

‘Varkens en tatoeages’, zeg ik. ‘Wie had die trend tien jaar geleden kunnen voorspellen?’

Hij ziet de tatoeages op mijn handen, aarzelt, knikt opnieuw maar nu minder uitbundig. Onze hond blijft snuivend aan de riem trekken, bezeten door het rare hondje. Haar lichaamstaal is anders dan normaal. Ze weet dat er iets niet klopt en toch wil ze het beestje te grazen nemen.

We wandelen verder, stoppen bij een waterven. Mijn zoontjes zien het water en beginnen er dennenappels in te gooien. Zonder aarzeling, vol overgave. Mijn vrouw en ik kijken om ons heen, zoeken een boomstam om op te zitten, en eigenlijk ook iets om over te praten. Sommige momenten tussen ons voelen onwennig, ook nog na acht jaar huwelijk.

Een tijdje geleden heb ik met mijn moeder een voorstelling in de schouwburg gezien. Op het podium liepen de gehele voorstelling twee echte kippen rond. Een witte kip en een witte haan. Ik keek soms meer naar die kippen dan naar de acteurs. Ze scharrelden naar voer dat op het tapijt was gestrooid, trokken zich niets aan van de acteurs en hun spel. Als de lampen werden gedimd gingen ze meteen slapen. Wanneer het licht weer aanging ontwaakten ze. Halverwege de voorstelling werd er een vuurkorf of een fakkel aangestoken. De haan liep er direct naartoe en maakte zichzelf groot, zoals hij bij een rivaal zou doen, zijn veren als witte vlammen, rode ogen als gloeiende kooltjes. Geen idee wat de acteurs op dat moment aan het doen waren.

Ik denk terug aan die haan, nu, hier aan het water. Ik weet het niet zeker, maar ik heb het vermoeden dat die haan – en onze hond, en misschien ook mijn zoons – dat zij iets kunnen wat ik niet meer kan en waar ik hopeloos naar verlang: de wereld tegemoet treden in welke vorm zij zich ook aandient, meteen, zonder met m’n ogen te knipperen, zonder schaamte, zonder afweging, onvoorwaardelijk, voorwaarts, met heel mijn hart. 

Mijn vrouw en ik kijken naar onze zoons, naar het water en het zilveren wolkendek dat erop is weerspiegeld. Ik weet niet precies hoe of wanneer maar intussen zijn we toch aan de praat geraakt. En ach, misschien is dat ook goed, dat de wereld je overkomt. Dat jij haar niet tegemoet treedt, maar dat zij jou omarmt, haast zonder dat je het in de gaten hebt.   

En zie, zelfs aan de pure bezetenheid van onze zoontjes komt een eind. Ze laten het water achter zich liggen en komen bij ons staan zeuren. En waar zeuren ze om? Wat moeten we voor ze kopen? Nou?