Mijn moeder en stiefvader waren niet thuis die nacht. Ik en drie vrienden waren op stap geweest. Er was een meisje meegekomen. Ze was fors gebouwd; niet dik, maar een beetje breed en hoekig. Ik nam haar mee naar mijn zolderkamer waar ze tijdens het geven van orale seks een bloedneus kreeg. Ik zei er niets van, wilde niet dat ze zou stoppen. Het bloed sijpelde over haar lippen, sijpelde op mij. Ze bracht haar hand naar haar neus en keek naar haar vingers. ‘Maakt niet uit’, zei ze. Toen ze klaar was knikte ik naar de deur. Ik zei dat ik wilde slapen. 

De volgende ochtend liep ik met mijn kater de huiskamer in. Waarschijnlijk had ik al gekotst. Op de bank lag een vriend te slapen. Hij vertelde me dat het meisje ’s nachts bij hem was komen zitten. Ze hadden tv gekeken en daarna hadden ze het met elkaar gedaan. Het was heerlijk geweest, beweerde hij. Ze waren samen in slaap gevallen en het meisje had pas net het huis verlaten. Ik had hem natuurlijk in het ongewisse kunnen laten, maar ik was jong en wreed en aarzelde geen moment. ‘Lekker gekust?’ vroeg ik, en vertelde hem alles, tot in detail, met een grijns op m’n gezicht.

Het meisje had een vaste vriend. Dat wisten we. We kenden hem. Hij was een soort-van-maat van ons. En daarbij een skinhead. We concludeerden dat zijn vergeldingsactie het minst gewelddadig zou zijn als hij rechtstreeks van ons hoorde wat er was gebeurd. 

Dit herinner ik me nog heel goed: die vriend en ik aan mijn moeders bureau, bang en zenuwachtig, kibbelend over wie het telefoontje zou gaan plegen. En de telefoon zelf, zo eentje met een draaischijf. Toen al ouderwets, maar toch. We waren kinderen.

Dat soort nachten waren er veel. Als de seks bij mij thuis had plaatsgevonden joeg ik het meisje in kwestie met een smoes naar buiten. Iets als: ‘Mijn ouders komen zo thuis’. Ik heb meisjes in het holst van de nacht op straat gezet en ze gammel zien wegfietsen. 

Als het bij een meisje thuis was gebeurd verdween ik zodra de alcohol was uitgewerkt. Ik voelde altijd iets van walging. Ik was preuts, niet in de gebruikelijke zin van het woord, maar misschien in de zin van bijna christelijke wroeging en schaamte. Ik denk nu dat ik op die momenten meer van mezelf walgde dan van die meisjes, maar toen kon ik dat nog niet zien; ik wilde zo snel mogelijk mijlenver bij ze vandaan geraken.

Al die vroege weekendochtenden waarop ik door onbekende straten slenterde zijn in mijn geheugen versmolten tot één ochtend. Het begint pas net licht te worden. Op een paar dronkelappen en ongure types na is er niemand op straat. Vogeltjes beginnen te zingen. Ik ben brak en moe, maar ook opgelucht omdat weer alleen ben, omdat ik me heb weten los te maken. Eenmaal in bed kijk ik naar de wekker – het is 07:00 of 08:00 – en val nerveus in slaap, melancholiek om redenen die ik niet begrijp.  

Als ik op dit moment mijn ogen sluit zie ik mezelf weer lopen door diezelfde straten, op diezelfde samengesmolten ochtend, maar nu met een bos rozen in de hand. Ik klop aan bij al die meisjes. Ze schelden me de huid vol. Ze vertrappen mijn rozen met statige, sexy schoenen. Ik laat mijn hoofd hangen, mijn gezicht is rood van schaamte.