Columns

Air

13-10-11

Mijn oudere broer Krijn kwam ooit thuis met nieuwe sportschoenen. Dat was bij ons thuis sowieso iedere keer een grootse gebeurtenis, wanneer één van ons vier jongens nieuwe schoenen had gekregen, maar ditmaal kon je zelfs het meubilair de adem horen inhouden. Trots wees Krijn naar het plastic gaas achterop zijn hielen. ‘Ik heb air,’ zei hij met geveinsde nonchalance.

Ik had er al wel van gehoord, van air, maar de term had tot dan toe een louter mythische connotatie gehad. Aura, karma, reïncarnatie, het zesde zintuig... air.
Het daaropvolgende weekend, bij mijn vader in Rotterdam, zeurde ik om sportschoenen met gaas achterop de hiel. ‘Dan hoef ik een jaar geen nieuwe schoenen meer echt-niet-echt-niet-echt-niet!’ En ik kreeg ze ook. Het waren niet bepaald sportschoenen van een a-merk. Als er zoiets bestaat als imitatie-kunststof dan is dat waar ze van waren gemaakt. Maar soit, ik had air. Met iedere stap die ik zette, schoot er een elektrische scheut euforie door m'n lijf.
Toen ik na dat weekend terugkwam in Eindhoven, rende ik met een buik vol blijdschap direct naar mijn broer toe. Piepend en slippend kwam ik met mijn rechter gaas-hiel onder zijn neus tot stilstand. ‘Kijk, Krijn!’ riep ik. ‘Ik heb ook air!’
Kalmpjes liet Krijn zijn Sjors & Sjimmie stripboekje zakken en contempleerde gefascineerd mijn voeten. ‘Dit,’ zei hij grijnzend, en wees opnieuw naar zijn eigen schoenen. ‘Is air.’
Pas op dat moment kreeg ik in de gaten ik dat hij niet naar het gaas achterop zijn hielen, maar naar de raampjes in zijn zolen had gewezen.
‘En dat,’ sprak hij met koel plezier fonkelend in zijn ogen. ‘Is géén air.’

Twitter