Mijn ex appte me. Dat ze veel aan Cuba denkt. Onze hond, niet het land. Ze stierf twee jaar geleden, in hetzelfde weekend waarin mijn ex en ik uit elkaar gingen. Mijn ex en ik staan allebei op het punt van verhuizen. Zij gaat ons huis uit, ik ga erin. Dan krijg je dat: de herinneringen, het verdriet, de geesten. Dan komt ineens je hond weer tot leven. Dan hoor je haar, zie je haar, ruik je haar. Dan kijkt ze naar je met een blik die zegt: Hé, ik was er ook ooit. Ik bestond. Ik leef in jullie. Er is geen jullie zonder mij.

Ze was tien toen ze stierf. Dat is de gemiddelde sterfleeftijd voor een Bullmastiff, geloof ik. Grote honden. Hun hart is hun achilleshiel. (Hm, het woord achilleshiel gebruiken voor een ander lichaamsdeel werkt niet, merk ik. Nou ja, het zij zo.)

Hoe dan ook, haar hart was versleten. Nog maar de helft van het aantal hartslagen dat ze behoorde te hebben. Het kostte haar steeds meer moeite om haar mand uit te komen. Dat viel me eerst niet op, omdat ze van zichzelf ook al een beetje een luilak was; de mand kwam ze sowieso al niet makkelijk uit. Als het tijd was om te gaan wandelen riep ik haar naam en bleef ze liggen, ogen dicht. Na nog een paar keer roepen opende ze haar ogen en staarde ze naar de muur, alsof ze me negeerde. Pas als ik tegen haar mand schopte kwam ze traag en geeuwend overeind. Soms zelfs dan niet; dan greep ik de mand aan één kant vast en kieperde ik haar eruit. Vijfenveertig kilo.

Soms, als ik ’s nachts dronken thuiskwam, ging ik bij haar liggen. In die mand. Dan ervoer ik, ondanks de dronkenschap, haar sterke geur en subtiele geluiden. Ze was warm, een beetje klam en bezweet van het slapen, en die dierlijke geur snoof ik op. Als zij diep zuchtte, zuchtte ik ook. Het maakte ook mij een beetje een dier. Dat was prettig; de simpele rust van het beest-zijn.

Tien jaar lang. Een huwelijk. Dat blijft onbevattelijk. Ze was er een eeuw en ze was er een tel. Ik weet niet hoe dat kan, hoe dat werkt. Hoe oud word ik? Tussen de zeventig en tachtig? Mits geen ongeluk, mits geen kanker. Dus dat zijn zeven honden. Zeven keer die periode. Zeven keer een eeuwigheid, zeven keer een vloek en een zucht.

Tijdens haar laatste wandeling viel ze zijwaarts op de stoep en kon niet meer opstaan. Ze keek me aan, een beetje als wanneer ze op een bak eten stond te wachten: Kom op, baasje, doe iets. Maar nu met meer afhankelijkheid, paniek. Ik droeg haar naar huis. Ik liep daar met een heel leven in mijn armen.


Je abonneren op mijn stukjes kan hier.