Ik lag gisteren in bad met het raam open te wachten op het onweer. Het moest komen. Het was me beloofd. Het had om acht uur al moeten komen en inmiddels was het na tienen. Het hing in de lucht; ik rook het op de fiets naar huis, na de training.

Ik lag in bad en ik wachtte. Ik gaf de lucht – de atmosfeer, de goden – geen keus. Het was geen verzoek.

Ik had het nodig. Klaar met die hete dagen. De zomer. De klamme, troebele waas in mijn hoofd en in mijn ziel. Ik wilde het uitstorten. Uit mezelf storten. Uit mezelf gestort worden. Gestort worden.

Koelte. Verlichting. Helderheid.

Het begon. De eerste flitsen, een paar achter elkaar. Aarzelend, alsof de lamp eerst nog even moest worden uitgetest. Donder rolde door de lucht als rimpels op water, van ver naar hier. Het eerste morren. Grommen. Toen het bulderen en kraken. Ja, dacht ik. Kom, dacht. Harder, dacht ik.

De wind stak op, deuren sloegen dicht. Het onweer kwam dichterbij, de donder volgde steeds sneller op de flitsen, de regen begon te vallen. Ik snoof de lucht op, proefde de lichte metaalsmaak. Het was nu vlak boven me.

Ik weet dat het een egocentrische gedachte is, maar ik had het gevoel dat de bliksem me zocht. Mij specifiek. Dat de bliksem ieder moment door het open raam naar binnen zou komen. En dan? Me meesleuren de lucht in? Me doen verdampen? Elektrocuteren in het badwater?

Ik dacht na over wat ik daarvan zou vinden. Verzwolgen worden door het onweer. Erdoor worden opgenomen. Of ik dat heel erg zou vinden.

Het dreef weg. Alleen de regen bleef over. Ik zakte met mijn hoofd onder water en blies grote bellen en knipperde snel met mijn ogen. Borrel, borrel, flits, flits. Donder en bliksem, donder en bliksem. Ik ben donder en bliksem!


Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met cabaretier Katinka Polderman. Je kunt je HIER op mijn stukjes abonneren. Mijn roman heet Bidden en vallen.