Ze mailden me. Twee ondertekende printjes moest ik hebben. Kon dat niet digitaal? Nee, dat kon niet digitaal. Mijn werkplek is aan de eettafel in de huiskamer. De printer staat in de gangkast. Erbovenop ligt het pak A4’tjes. Om te printen moet ik dus naar de gangkast en die printer van de bovenste plank pakken. Ik zie daar altijd enorm tegenop. De snoeren die eraan bungelen, het pak papier dat dreigt er vanaf te glijden. Dan het aansluiten, de USB-kabel, de stroomkabel. Ruimte maken op tafel. Ik vind het het een handeling die een grotere reden vereist dan twee printjes. Een manuscript of zo. Zo, en dan ga ik nu mijn manuscript uitprinten, laat me mijn printer pakken en die installeren.

Ik zocht naar uitwegen, keek om me heen, ook in de richting van de gangkast. Ik vond de situatie onredelijk en verwachtte dat die me tegemoet zou komen. Wacht, ik kom de printer wel even brengen, zou de situatie bijvoorbeeld kunnen zeggen. Het zijn tenslotte maar twee printjes. Om dáár nu al die moeite voor te doen…

Maar de situatie zweeg en was roerloos. Ik stond op en deed wat gedaan moest worden. Niet van harte. Ik deed alles gehaast en lomp. Toen ik de printer van de plank pakte viel er een spaarlamp van diezelfde plank, wat ik zeer, zéér kinderachtig vond. 

De printer verslikte zich in het papier. ‘Natuurlijk,’ zei ik hardop. Ik moest het papier verwijderen en opnieuw een printopdracht geven. Toen de twee printjes waren uitgespuugd stond ik ernaar te kijken. Twee miezerige printjes. ‘Dit was het?’ zei ik. ‘Hierom moest ik die printer pakken en aansluiten?’ Ik ging er vanuit dat de situatie zich schaamde.

Stekkers los, klepjes dicht, pak papier er weer bovenop. Alles nog haastiger nu. Ik had tenslotte gedaan wat er van me was gevraagd. Ik had aan het miezerige verzoek voldaan. De situatie moest me dankbaar zijn en me ruim baan geven, me niet opzadelen met nog meer geneuzel. Mij nu nog iets flikken, dat zou wel héél schaamteloos en wreed zijn, dat realiseerde de situatie zich ook wel.

Toen ik de printer op de plank wilde plaatsen begon het pak A4’tjes te schuiven. In een flits zag ik wat er ging gebeuren: alle A4’tjes zouden zich door die kast verspreiden. ‘Nee!’ riep ik. Mijn handen gingen naar het pak papier. De printer was airborne. Ik besloot alsnog voor de printer te gaan, maar het was al te laat. Zowel de printer als het pak papier lazerden naar beneden.

Ik stond er hoofdschuddend naar te kijken en walgde van de situatie. Zo laf, zo petieterig. Dat je het zó wilt spelen, dat je híér je voldoening uit moet halen; wat ben je dan een zielig, stakkerig iemand. ‘Jammer,’ zei ik. ‘Zo jammer.’


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hierrrrrr. Gisteren hoorde ik van mijn uitgever dat er nu al een herdruk komt van Wij zeggen hier niet halfbroer, dus dat is leuk.