Mijn jongste zoon is een vreemde voor me. Ik weet niet waar hij vandaan komt. Hij praat anders dan ik of zijn moeder, ziet er ook heel anders uit, gedraagt zich anders. Al toen hij een baby was zeiden zijn moeder en ik tegen elkaar: ‘Ik weet niet wie hij is!’ Misschien is hij een soort Jezus, of een buitenaards wezen. (Was Jezus eigenlijk niet ook een soort buitenaards wezen?)

Mijn oudste ken ik door en door. We zijn één. Hij heeft dezelfde neuroses, hetzelfde korte lontje, dezelfde hebzucht, humor, woede, frustratie, empathie. Zijn voeten zijn mijn voeten, zijn ogen mijn ogen. Als we samen op de bank zitten zijn we één kluwen armen en benen.

Maar naar mijn jongste blijf ik verwonderd kijken. Wie ben jij? Soms ben ik zelfs een beetje verlegen bij hem, als bij het kind van een ander. Soms voelt het raar om me als een vader jegens hem te gedragen. Bijna alsof ik dat niet kan maken. Alsof hij me ineens aan zal kijken en zal zeggen: ‘Pardon? En waar bemoei jíj je mee?’

Hij is schitterend. En heerlijk. Ik mis hem steeds, ook als hij bij me is. Ik kan het niet uitleggen. Hoe hard en hoe vaak ik hem ook knuffel, het is niet genoeg, geeft niet genoeg voldoening, omdat hij dat vreemde kindje blijft. Daarom wil ik hem aldoor blijven knuffelen, en voelt het als een groot gemis als ik dat niet doe. Zolang ik hem vasthoud is hij van mij. De kleinste afstand tussen ons is eigenlijk al te groot, omdat hij dan meteen weer iemand is die ik niet echt ken.

Het is lang geleden, dus ik kan het me niet meer precies herinneren, maar volgens mij is het ook een beetje zo wanneer je verliefd bent. Dat je de ander niet werkelijk kunt kennen en dat je juist daarom met diegene wilt versmelten, om zo dat niet-kennen te bezweren. Het niet-kennen voedt het verlangen.

Ik ben verliefd op mijn jongste zoon.

Morgen (donderdag) geen stukje; ik moet op pad. Vergeet dan niet naar de Nationale Boekenquiz te kijken. Deze stukjes per mail ontvangen? Dat kan. Mijn roman heet Bidden en vallen.