Ik had mijn vorige, kleinere terrarium op Marktplaats gezet. Twintig euro. Ik kreeg een berichtje, of ik meer foto’s wilde maken. Daarna werd ik gebeld. Een monotone vrouwenstem. Jonge vrouw. Ik hoorde haar overleggen met haar vader. ‘Dan komme we dèh ding nu wel hoale,’ zei hij.

Ze belden aan, vader en dochter. Allebei waren ze klein en rond, allebei droegen ze een bril, allebei gaven ze een slappe hand. De dochter stond schuin achter haar vader, die een leren jack droeg en zijn autosleutels nog in de hand had, met een Mercedes-hangertje eraan.

‘Dit is de bak,’ zei ik. ‘Heel simpel, heel kaal. Ik kocht hem als startbak voor mijn hagedis. Nu heb ik deze.’ Ik knikte naar het luxe, enorme onderkomen van Oscar. De dochter keek ernaar, zweeg, toonde geen emotie. Ik vroeg: ‘Wat voor dier ga je erin doen?’ Ze mompelde: ‘Een rattenslang.’ Waarop ik zei: ‘Ah, Elaphe Gutatta Gutatta, toch?’ Ze keek me aan, weer zonder emotie.

‘Goed?’ vroeg de vader aan de dochter. De dochter zei: ‘Ja.’ De vader, nu tegen mij: ‘Het zal wel moeten, want we hebben die slang al.’ Ze hadden dus eerst een slang gekocht, en waren toen pas op zoek gegaan naar een goedkoop terrarium. 

Ik hielp de vader met sjouwen. Hij had een Mercedes coupé. Het terrarium paste niet in de achterbak, en zelfs met de stoelen naar voren kregen we hem niet op het potsierlijke, kleine achterbankje. Op de bijrijdersstoel dan maar. Het paste amper, we moesten duwen, de hoeken sneden in de lederen bekleding. Ik hoorde iets kraken en voelde een glassplinter mijn duim ingaan. ‘Wah dèh betreft is zun auto nie heul handig,’ zei de vader, en ik dacht: ‘Wah wah betreft dan wél?’

De dochter wurmde zich op het achterbankje. Ik wist dat de slang het niet zou redden. Dit waren zijn baasjes. 

Toen ik even later de dierenwinkel bezocht voor een doosje sprinkhanen stond er een jongen met een brommerhelm naar een baardagaam te kijken. Een neef van Oscar dus. Toen er een medewerker voorbijliep vroeg de jongen wat voor hagedis het was. Slechts vier vragen later vroeg hij of ze de agaam voor hem apart konden houden. Ook dit dier was ten dode opgeschreven. Ik zoog op de wond waar de glasscherf had gezeten en proefde bloed.

In alle kerken van heel Frankrijk zijn niet genoeg kaarsjes voor alle vissen en reptielen die hun graf vinden in de toiletten van de mens. Wat een vreemde kronkel in de natuur, dat deze dieren niet hun dood vinden omdat we ze willen opeten, maar omdat we debieltjes zijn.


Deze stukjes per mail? Klik hier. Mijn boek lezen? Het heet Wij zeggen hier niet halfbroer.