Tegenover me zit een jongen, jaar of negentien. Tenger, lang haar. Bleke huid, voor zover ik kan zien geen baardgroei. Een longsleeve en een lange broek, ondanks de dertig graden. Hij draagt een grote koptelefoon. Hij kijkt naar het scherm van zijn laptop. Geen Apple, maar een zwart ding zonder logo, ik denk naar zijn voorkeur samengesteld. Op de achterkant, de kant waar ik naar kijk, zitten stickers geplakt: Defcon – The Dark Net, Hak5, I ARP in you general direction. De O van Defcon is een smiley boven een kruis van beenderen. Nog een sticker met symbooltjes: een mannetje voor een laptop, een pizzapunt, een bed en twee pijltjes die naar elkaars staart wijzen: repeat. Hacken, eten, slapen, herhalen.

Hij typt, leest en grijnst. Misschien een chatgesprek. Een grapje van een andere hacker. Iets technisch. Humor die alleen zij snappen. Gedurende het uur dat we tegenover elkaar zitten kijkt hij me niet één keer aan. Ik ben er niet, hij heeft me niet nodig. De Anderen, dat is zijn wereld niet.

Ik kijk naar hem. Zijn roze, zachte lippen. Zijn gave, jonge huid. Het lange, droge haar dat hij bijna vrouwelijk achter zijn oren stopt. Zich niet bewust van andermans ogen, andermans oordeel. Hack, eat, sleep, repeat. De simpliciteit daarvan, de rust, de vrede.

Ik kijk naar hem en voel me ineens zo zwaar. Mijn adem lijkt meer massa te hebben dan zijn hele lichaam. Ik heb de behoefte om met een machete alles van me af te hakken, van werk tot relaties tot hypotheek; hakken, hakken, van buitenaf naar binnen toe, helemaal tot waar mijn eigen behoeften, ambities en piekeringen zich verschuilen. Alles eraf. Hack, eat, sleep, repeat.

Vlak voor Dordrecht begeeft hij zich naar het tussencompartiment, de laptop in zijn rugzak. Hij grijnst weer; hij herinnert zich het grappige gesprek van zojuist. Zijn blik uit het raam. Ik wil dat hij één keer mijn blik vangt, zodat ik in zijn ogen kan kijken en nog beter kan zien hoe heerlijk het daarbinnen moet zijn. Maar dan stapt hij uit.

Een uur later ontmoet ik Jay McInerney, die ik later vanavond voor publiek zal interviewen. Een Amerikaanse schrijver (Bright Lights, Big City). Tijdens het diner drinkt hij gulzig wijn en praat hij over New York en Bret Easton Ellis. Hij kijkt me wél aan, en in zijn ogen herken ik dezelfde vermoeidheid, dezelfde sleepsporen van het hetzelfde gewicht. Ik ben onder de mijnen. Er is geen ontsnappen aan.

Goed boek trouwens, de nieuwe McInerney: Bright, Precious Days. In het NL’s verkrijgbaar als Prachtige, dierbare dagen. Klik HIER als je deze stukjes per mailt wilt ontvangen. Mijn roman heet Bidden en vallen