Ik ben die ene die ontsnapte. Noem mij maar krekel nummer 10.000, waarbij 10.000 een symbolisch nummer is. Het tellen van de sterfgevallen onder mijn soort is onmogelijk en zinloos geworden. Het gaat door en door en door. Niet dat de Man Met De Laptop weet wie ik ben of het verschil ziet tussen mij en de anderen. Iedere krekel die hij aan zijn draak voert is voor hem dezelfde krekel. Er bestaat voor hem maar één krekel, en die voert hij keer op keer opnieuw. Offers voor zijn beest. Voor het beest in hemzelf, denk ik, al heeft hij dat zelf waarschijnlijk niet door.

Ik ontsnapte op het moment van voeren. Het moordritueel, tweemaal daags. Het deksel van onze bedompte, smalle Curver-box gaat open. De Curver-box waarin we zitten opgesloten. Tientallen van ons. Eén stukje eierdoos om ons onder te verschuilen, af en toe een wortel waar we met z’n allen op moeten knagen. Bepaald niet genoeg om kannibalisme tegen te gaan. De grotere krekels vreten aan de kleinere. Zelf heb ik me daar nooit schuldig aan gemaakt. Vaak heb ik ’s nachts de kaken van een hongerige, hondsdolle soortgenoot aan mijn poot gevoeld. Maar dit is niet wie wij zijn. Zet ons uit in Zuid-Frankrijk en we tjirpen, we wassen onze kopjes in onschuld, we voegen toe aan de vreugde van mens en dier.

Het is in die Curver-box zo erg dat je zou denken dat we niets liever willen dan te worden gevoerd aan de draak. Maar dan onderschat – of overschat – je krekels. Wij willen overleven. Als het deksel is verwijderd, als de beker op ons neer is gedaald en ons heeft opgeschept, als we in het terrarium zijn uitgezet, dan rennen we voor ons leven. We verstoppen ons onder stenen en tegen de onderkant van het stuk hout. We proberen ons in te graven.

Het stuk hout is er niet meer. De Man Met De Laptop heeft het verwijderd. De stenen heeft hij vervangen door andere, zwaardere, plattere. Geen plek meer, nu, om ons te verstoppen. De draak heeft vrij spel. Blijkbaar is de draak Goed. Blijkbaar zijn krekels Slecht. Of wij zijn Goed en de draak is Slecht en de wereld is Slecht. Sinds ik ben ontsnapt lukt het me niet meer om aan die woorden – goed en slecht – nog werkelijk betekenis te geven.

Ik sprong. Dat is wat we doen. Springen. Maar we doen dat lukraak. Het is een panieksprong. Meestal tegen het glas, de binnenzijde van het terrarium. Soms landen we op de vloer. Dan is er de Voet van de Man Met De Laptop. Dan kleven onze slijmerige, plakkerige ingewanden aan zijn schoenzool. Maar ik sprong, en ik sprong opnieuw, en ik spong nog een keer, en toen zat ik ineens achter de kast.

Vanuit hier zie ik alles. Door een kiertje. Tweemaal daags het moordritueel. De draak wordt groter en groter en heeft steeds meer honger. De Man Met De Laptop tikt op zijn toetsenbord. Soms valt het tikken stil en zie ik hem naar de draak kijken. En de draak kijkt dan naar hem. En ik kijk dan naar hen. Ik lijk dan iets te begrijpen, woordeloos, diep van binnen. Het lijkt op acceptatie, maar het is het niet. Het is groter, kosmischer.

Net nog zag ik de draak zijn bek opensperren naar de zon. De zon hangt in zijn terrarium. Hij had gegeten – zeker tien krekels – en zat zegevierend op zijn rots. Hij zette zijn stekelbaard op. Hij was de duivel, hij was God, hij was de wereld, de tijd, de bek van Alle Dingen. Maar er was nóg een zon. Buiten het terrarium, boven de tafel van de Man Met De Laptop. De Man Met de Laptop zat eronder te fronzen. Hij tikte een paar keer op het toetsenbord, vloekte en sloeg op tafel. En buiten, buiten het raam, was nóg een zon. Hoog in de lucht. En ik begreep dat er, hoe ver je ook gaat, steeds weer nieuwe zonnen zijn. Dat het nooit ophoudt.

Ik ben een maatje 6. Zo verkopen ze me in de winkel. Dat is te klein om te kunnen tjirpen. Maar ik zit hier droog en warm. Ik groei. Als ik straks groot genoeg ben zal ik tjirpen. Op mijn allermooist. Ik zal De Man Met De laptop tot tranen roeren. Het zal het moorden niet stoppen; de draak zal in leven gehouden worden. Maar de Man Met De Laptop zal het voelen. Hij zal weten dat wij, net als de draak, net als Hijzelf, er slechts het beste van maken. Hij zal denken aan vakanties in Zuid-Frankrijk. Hij zal niet weten wat hij met zichzelf aanmoet.


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier. Deel ze gerust op social media. Boek in aantocht: Wij zeggen hier niet halfbroer (15 maart).