Ik maakte ooit dezelfde denkfout. De kunst vereenzelvigen met de kunstenaar. Voor de Volkskrant liftte ik mee met Thomas Verbogt. Ik las op dat moment net zijn prachtige laatste boek, Als de winter voorbij is (shortlist Libris Literatuurprijs 2016), en verwachtte een terneergeslagen, sombere, ietwat stille man. Maar Thomas was gezellig, geïnteresseerd, vrolijk en spraakzaam. Ik sprak het tegen hem uit, mijn verwachting. Hij lachte en zei: ‘Welnee! Ik geniet van het leven. Natuurlijk ben ik vatbaar voor somberte en triestheid, maar daar is helemaal niets mis mee.’ Vervolgens zei hij dat ik ook zo ben, dat hij dat aan mijn ogen kon zien.

Dezelfde denkfout, dus, als de denkfout die sommige van mijn lezers maken. Het is lief bedoeld, de steun na bijvoorbeeld een stukje over eenzaamheid, vooral op Facebook, maar het hoeft niet. Ik kreeg nu zelfs een berichtje van mijn nicht, helemaal uit Hongkong. Om me een hart onder de riem te steken. Dat ik moet inzien hoe mooi het leven is, niet steeds zo somber moet zijn. Dat mijn stukjes mijn neerslachtigheid alleen maar voeden en dat ik daar eens mee moet stoppen.

Als je naar muziek luistert waar je somber van wordt, denk je dan ook dat de artiest aldoor somber door het even gaat? Volgens mij niet. Sombere film, sombere filmmaker? Volgens mij niet. Het is misschien omdat mijn stukjes lezen als de pagina’s van een dagboek. 

Toch werkt het juist andersom. Na een stukje over eenzaamheid kan ik heel goed fluitend door het huis lopen. Blij met, en trots op, het stukje. Dus als de lezer mij voorstelt met mijn betraande gezicht in een kussen gedrukt ben ik waarschijnlijk allang weer op pad met een leuke vrouw, eet ik wat met een vriend of zit ik voldaan met een Duveltje te lachen om Curb Your Enthusiasm. Of ik zit hard te werken. 

Het zijn momentopnames. En ja, de inspiratie voor mijn stukjes vind ik veelal in de momenten waarop het schuurt en wringt. Maar ik bén niet mijn stukjes. Ik zou dit eigenlijk niet uit hoeven leggen, dat weet ik. Blijkbaar zit het me dwars. 

En stel jezelf de vraag: als ik echt één brok neerslachtigheid was, had ik dan de zin, kracht en discipline om hier, iedere dag, naast al mijn andere werk, een stukje te schrijven?

Morgen gewoon weer een stukje over gemis, verdriet, pijn, tegenslag en andere ellende. Of nee, wacht, ik schrijf dan iets over de tv-opnames waar ik gisteren aan meedeed. Mijn mistroostige stukjes verstuur ik ook per mail. Mijn ellendige roman heet Bidden en vallen.