Woensdagavond interviewde ik Lize Spit in boekenwinkel Van Piere hier in Eindhoven. Voor publiek. Ondanks de microfoon werd ik soms niet goed verstaan; ik maakte een grapje over gehoorapparaten – veel vijftigers in de zaal – waar niet heel enthousiast op werd gereageerd. Verder ging het wel goed, geloof ik. Andere grapjes vielen wél goed, en belangrijker: Lize vertelt makkelijk, enthousiast, oprecht en charmant, ondanks de triljarden avonden dat ze dit sinds Het Smelt al gedaan heeft.

We kregen bloemen. Nog nooit heb ik een bos bloemen die ik na iets dergelijks in ontvangst kreeg over de drempel van mijn huis gedragen. Ze eindigen altijd ergens in een vuilnisbak, of in de handen van een willekeurig en verbaasd meisje. Hopelijk vat Van Piere dit niet op als ondankbaarheid. Het is gewoon: als ik denk aan het schuin afsnijden van die steeltjes en het verwijderen van het plastic en het openscheuren van dat zakje poeder en het zoeken naar een vaas die ik niet heb… 

Ik fietste naar huis met het gevoel dat ik na dit soort dingen altijd heb. Interviews afnemen of geven, lezingen doen, soms ook na sociale afspraken. Er is iets van me gevraagd, ik heb iets moeten doen, ik heb er moeten zijn. Dat vind ik leuk, en een eer, en belangrijk, maar mijn lichaam lijkt onder spanning te staan. Het is alsof er een voltage-knop flink open is gedraaid. Ik kan me niet ontspannen, het kost energie.

Na afloop is dat niet meteen weg. Soms ga ik ermee op een meditatiekussen zitten. Dan zit ik daar met die spanning, alleen maar te ademen, en laat ik het stromen. Een ander tegenmiddel – effectiever, doch gevaarlijk – is drank. Vroeger dronk ik vaak al op de avond zelf, tijdens zo’n verplichting. Vaak veel te veel. Nu liever niet meer. Bovendien had ik thuis de kinderen in bed liggen, met een oppas.

Boven me hing de maan tussen de wolken. Een grote maan, krachtig en intimiderend. De wolken – in verschillende tinten nacht – bleven op gepaste afstand. Ik grijnsde uitdagend naar haar, en zij naar mij. We kennen elkaar. Dronken heb ik de neiging om naar haar te kijken en naar haar te roepen. Ontelbare dronken nachten ging ik de strijd met haar aan, hief ik mijn vuist naar haar op. Het was de enige manier waarop ik recht door alle eeuwen heen kon schreeuwen, helemaal naar het begin van de wereld, naar de diepste kern van mezelf, waar ik niets meer weet, waar niets te weten vált. Het antwoord stilgevallen, en daarmee ook de vraag.

Ik ging me niet bezatten, maar wel ging ik één speciaalbiertje kopen. Het was 21:55; vijf minuten voor de Albert Heijn sloot. Ik trapte als een dolle. Ik was op tijd.

Thuis, terwijl ik nog wat stond te kletsen met de oppas, trok ik het flesje Rochefort 8 open. Hulpeloos moest ik toezien hoe zeker een kwart van het bier in een fontein van schuim uit de hals stroomde en op het plakkerige aanrecht een bruine plas vormde. ‘Balen,’ zei ik. Ik opende een paar keukenkastjes, deed alsof ik naar een geschikt doekje zocht.

Zodra de oppas weg was boog ik voorover en slurpte alles op, inclusief broodkruimels en een paar van die draadjes die je van een banaan plukt.


Half maart verschijnt Wij zeggen hier niet halfbroer, een boek over mijn jeugd. Je abonneren op deze stukjes kan hier