‘Oké,’ zei ik tegen de drie mannen van respectievelijk ongeveer vijf, zeven en acht jaar oud. Broertjes van elkaar. Mijn zoontje stond bij hen. Samen speelden ze bij ons op het veldje. ‘Oké,’ zei ik. ‘Diek mag bij jullie eten. Als hij daarna maar meteen naar huis toe komt.’ 

De mannen knikten heftig met hun hoofden en gaven me alledrie een hand. Bij iedere hand zeiden we ‘goede afspraak’ tegen elkaar. 

Deze afspraak volgde op vijf minuten onderhandelen. Want eigenlijk kwam ik Diek juist ophalen. Het was etenstijd en hij had voor het eerst alleen op het veldje gespeeld. Of nou ja, met die drie mannen dus. Ik noem ze mannen omdat ze tijdens het praten heel volwassen met hun armen gebaren en ook heel ernstig kijken. Ze komen uit Iran of Irak of misschien wel Egypte, ik moet dat nog aan die moeder of vader vragen. Ik denk dat ze, wanneer ze zo met hun armen gebaren en ernstig kijken, hun vader imiteren. Goede onderhandelaars, nu al. 

Dus ik ging terug naar huis. Ik vond het moeilijk om mijn jongen daar zo achter te laten. Hij zou straks alleen de straat moeten oversteken. Sowieso voelde het raar. Alsof er iets niet klopte. Alsof ik een randje had losgelaten en in vrij val was geraakt.

Tegelijkertijd was ik trots. En ook blij. Hij ging bij buitenlanders eten. Of bij allochtonen. Of weet ik veel hoe je ze anno nu moet noemen. Ik stelde me voor dat hij andere geuren zou gaan ruiken en andere smaken zou gaan proeven. 

Toen ik om zeven uur aanbelde deden de drie mannen open. ‘Diek heeft nog niet gegeten!’ zei er eentje streng, waarschijnlijk omdat ik hiermee onze goede afspraak had geschonden. 

Ik vroeg: ‘Wat eten jullie eigenlijk?’

De kleinste van de drie zei: ‘Friet.’