Toen ik vanochtend de deur van mijn jongste (6) openzette riep hij: ‘Deur dicht laten!’ Ik liet de deur openstaan, waarop hij uit bed kwam, de deur dichtdeed en weer in bed ging liggen. Nadat ik had gedoucht (naakt) deed ik opnieuw de deur open en deed ik ook zijn licht aan. Hij lag op zijn rug en vertelde dat hij had gedroomd, en dat het was geweest alsof hij tv keek.

Ik zei hem dat tv kijken in het echt en tv kijken in een droom niet zoveel van elkaar verschillen. Je krijgt beelden voorgeschoteld. Dus of dat nou in een droom is of in het echt, dat maakt weinig uit. Sterker nog, in een droom krijg je altíjd beelden voorgeschoteld. Sterker nog, ook als je wakker bent en géén tv kijkt krijg je beelden voorgeschoteld. En tv of geen tv, ook dat maakt weinig uit. Je ogen nemen licht waar, je hersenen maken het beeld in je hoofd en schotelen dat aan je voor. Dus het maakt eigenlijk niet uit waar je naar kijkt; je kijkt altijd naar de tv van je eigen hersenen. En de vraag is dan: wíé kijkt er? Want blijkbaar ben je níét de degene die de beelden vóórschotelt. Of óók. In dat geval ben je zowel degene die de beelden máákt en vóórschotelt als degene die de beelden zíét. En dan is er óók nog iemand die daar iets van víndt.

Waarop hij gaapte en zei: ‘Mag ik vandaag zoet op allebei m’n boterhammen?’


Inmiddels al te reserveren bij de boekwinkels: Wij zeggen hier niet halfbroer. Je kunt je HIER abonneren op deze stukjes.