Begin januari verhuis ik naar mijn oude huis, waar ik tien jaar met mijn ex en zoons woonde. Mijn ex heeft een huurhuis toegezegd gekregen. Er zijn twee jaar verstreken sinds ik vertrok. De handtekeningen zijn gezet. De hypotheek staat op mijn naam.

In de tussentijd heb ik in een smal huisje naast een snackbar gewoond. Drie verdiepingen. Op de begane grond alleen een wc en een kapstok. Op de eerste verdieping een huiskamer, een keukentje en een badkamer. Op de tweede verdieping één slaapkamer en een overloop. Mijn zoontjes slapen op die overloop, op een matras op de vloer.

Ik trok erin in een waas van verwarring, paniek en verdriet. Kocht een bank voor vijf euro op Marktplaats. Kreeg een oude tafel van mijn broer. Reed naar de kringloopwinkel en laadde vier lelijke rieten stoelen in. Kocht een éénpersoonsbed bij Ikea, het goedkoopste en simpelste dat ze hadden.

Mijn huurbaas, tevens mijn buurman, is een oude man die het huisje verhuurt via een bemiddelingsbureau. Toen hij me met mijn zoons op de stoep zag staan zei hij: ‘Ik wilde eigenijk niet iemand met kinderen.’ Ik zei: ‘Maar dat stond nergens vermeld.’ Waarop hij zei: ‘Er staat dat huisdieren niet zijn toegestaan, ik dacht dat het vanzelfsprekend was dat ik dan ook geen kinderen wil.’ Maar contract is contract en ik nam mijn kinderen mee naar binnen, misselijk van woede.

Ik heb dit huisje vervloekt. De enkele ramen. De tocht. De ketel die water lekt en steeds een foutmelding geeft. Het oubollige reliëf op de muren. Het muffe tapijt. Geen kamer voor mijn jongens.

Het was (en is?) een monument voor mijn eenzaamheid en verwarring. Soms was het alsof ik niet bestond. Soms was het alsof ik met iemand samenwoonde. Maar die ander, dat was ik ook. Soms was ik zo melancholiek dat ik duisternis leek uit te ademenen.  

Het huis stond symbool voor mijn falen, voor mijn verraad. In de keuken werd ik bespot door een meute lege Duvel-flesjes. 

Maar nu ik nog een week of drie te gaan heb voor ik weer in het huis ga wonen dat we kochten vlak na ons huwelijk, waar onze zoons werden geboren, waar we onze hond hadden, etc., wil ik hier ineens niet meer weg. Ik heb het huis me eigen gemaakt. De gebreken zijn me dierbaar geworden. Ik weet hoe alles werkt. De Duvel-flesjes zijn verdwenen.  

Wat wacht me straks? Welke spoken komen me plagen als ik over die oude drempel ben gestapt en ik daar alleen ben? 

Nu het zo vroeg donker wordt kijk ik wel eens vanaf de stoep naar dit huisje, bijvoorbeeld als ik terugkom van boodschappen doen. Dan zie ik het licht achter de ramen. Ik zie wie hier woont. Ik zie mezelf staan koken, op de bank hangen, in bad zitten (ja, een bad, dat dan weer wel). En dan weet ik dat ik afscheid van mezelf zal moeten nemen. Nog eens.


Wat?! Je kunt je ook op deze stukjes abonneren?! Ja, het is echt zo. Klik hier. Mijn roman heet Bidden en vallen