Wat ik nog wilde vertellen. Zaterdagochtend stond ik tegen het einde van de training in de ring te sparren. De tweede keer na drie maanden afwezigheid, dus ik had het zwaar. Misselijk, sterretjes, wanhoop. Tussen twee rondes door fladderde er een vlinder door de ring. De sportschool is gehuisvest in een grote hal, een voormalige loods. De vlinder moest door de deur – een rechthoekig gat gevuld met zonlicht – naar binnen zijn komen vliegen. Ik hing tegen de touwen aan toen ik hem zag. Rood, wit en zwart op de vleugels. Hij bleef door de ring fladderen, ook nog toen de rust voorbij was en we weer moesten sparren.

Ik ga nu niet met zoetsappige cliché’s strooien. Ik ga niet zeggen: Kijk eens, die vredige vlinder tussen twee vechtende mannen. O, het contrast! Want die vlinder is niet vredig, die is gewoon een vlinder, en wij waren geen vechtende mannen, maar gewoon twee kerels die wilden zweten en fysieke weerstand wilden voelen. Ook ga ik niet beginnen over Muhammad Ali, dus geen fly like a butterfly, sting like a bee. Ik ga niet zeggen dat het een teken was, dat de vlinder was gezonden om mij iets duidelijk te maken.

Maar goed, die vlinder wás er natuurlijk wel. Een fladderende snipper kleur in een boksring in een steriele hal. Daar schouderophalend over doen doet alleen een cynicus. En hij ging niet weg. Niet alleen ik merkte hem op. Ook de man tegen wie ik sparde, en onze trainer, en ook mijn oudste zoon die in de hoek van de ring stond met een flesje water, waar hij, als ik even rust had, snel de dop van afdraaide. En zelfs mijn jongste, die naast de ring op zijn rug op een mat lag met buikpijn; ook hij zag het. Allemaal zagen we die vlinder die niet wegging en die maar door de ring bleef fladderen. Ik had niet het idee dat iemand van ons er gedachten over had; het was meer dat er even niets te denken viel.

Toen de tweede en laatste ronde erop zat was de vlinder er nog steeds. Zilveren zonnestralen staken door de kleine deur en spietsten de ruimte. Uitgeput ging ik op mijn hurken zitten. Ik zag de vlinder en ik zag mijn jongste op zijn rug liggen. Ik zag mijn oudste mijn flesje water voor me opendraaien. Ik hoorde muziek, hoorde metalen halters de vloer raken. Er was ineens een vaag besef van het samenvallen van alle dingen, een brandpunt waar alles samenkomt, en ik realiseerde me weer eens dat een mens, als hij goed oplet, en als hij echt eerlijk is, nergens iets van kan begrijpen dan van alleen dit moment, en dat hij zelfs, als hij zijn hand niet in het verleden steekt om daar een verhaal uit los te trekken, ook dáár geen woorden voor kan vinden. Iedere theorie, ieder geloof, ieder boek, iedere filosofie, iedere verklaring; het smelt op de hete, onbegrijpelijke waarheid van het huidige moment.


Morgen in Volkskrant Magazine lift ik mee met Hans Klok. Mijn roman heet Bidden en vallen. Je kunt je abonneren op deze stukjes door hier te klikken.