Eerste kerstdag was een grijze dag. Ik fietste naar mijn ex, waar we kerstavond hadden gevierd met onze zoons en mijn vader. Hij had er op de bank geslapen, dus hij was er nog. Hij en ik zouden gaan wandelen. We waren allebei brak. ‘Hoe ver lopen is het dan?’ wilde hij weten. Ik haalde m’n schouders op. ‘Anderhalf uur? Ruim.’ Ik zag de aarzeling en vermoeidheid in zijn ogen. 

Mijn vader wandelde vroeger heel veel. Veel door de stad, in Rotterdam. Toen hij nog toneelstukken schreef wandelde hij om inspiratie op te doen. Als kind, als ik naast hem liep, kon ik hem amper bijhouden. Dan moest ik steeds zeggen: ‘Papa! Niet zo snel!’ Hij had het niet in de gaten.

We parkeerden de auto aan de rand van het bos, hier in Stratum, in Eindhoven, en begonnen aan de wandeling naar Waalre. Geen vrieskou, geen ijzig blauwe lucht waar de kale bomen als romantische winterplaatjes tegen afstaken. Grijs, vochtig, waterkoud. Alle romantiek moest van onszelf komen.

‘Hier zie je soms Hooglanders lopen,’ zei ik, maar we zagen er geen. Mijn bloed ging sneller stromen. Elke stap voelde goed, elke diepe ademhaling was een lange neus naar de drank van de avond ervoor.

Mijn vader vertelde over een Russisch militair vliegtuig dat was neergestort, op weg naar Syrië, met een complete fanfare aan boord. Dergelijke tragische en diep-menselijke ironie is voor ons een gedeeld plezier. Even later vertelde hij over de keer dat hij als kind van vier in een ‘superconny’ vloog, oftewel de Lockhead Super Constellation, het laatste propellervliegtuig van KLM. Hij en zijn ouders en zijn broer en zus vlogen naar Curaçao, waar ze gingen wonen omdat mijn opa daar bij Shell ging werken. Het vliegtuig vloog niet hoger dan zes kilometer, dus hij zag aldoor de zee. Het was nacht. Hij zat aan het raam en keek naar de blauwe vlammetjes die uit de motoren sloegen, bewonderde het blauwe licht dat die vlammen op het metaal wierpen. Veel mensen vonden het eng, die vlammen, ook al was het bij die vliegtuigen normaal. Mijn vader voelde geen angst. Hij was alleen maar betoverd door dat licht in de nacht. De geluiden, de zee. Ik denk dat dergelijke betovering alleen maar mogelijk is als de angst helemaal weg is, als je als het ware boven je eigen doodsbesef vliegt, in een soort staat van voorwereldlijke acceptatie.

Halverwege de heenweg, midden op de heide, stopte hij met lopen. Het duizelde hem. ‘Ik moet echt weer gaan sporten,’ zei hij. Blijkbaar had ik te snel gelopen, en had ik dat niet in de gaten gehad.


Abonneer je HIER op deze stukjes. Tevens: afgelopen zaterdag in Volkskrant Magazine liftte ik mee met Dries Roelvink. Tevens: momenteel leggen we de laatste hand aan het persklaar maken van Wij zeggen hier niet halfbroer (maart 2017).